Medische biochemie
Inhoudsopgave
H1: laboratoriumdiagnostiek...........................................................................................................................................2
H2 : hematopoëse...........................................................................................................................................................3
H3: diagnostiek binnen hematologie...............................................................................................................................6
H4: hematologische aandoeningen.................................................................................................................................8
H5: bloedgroep en transfusie........................................................................................................................................14
H6: hemostase en stollingsaandoeningen.....................................................................................................................16
H7: serumeiwitten.........................................................................................................................................................20
H8 : neoplasie................................................................................................................................................................23
H9: bepalingsmethoden in medische biochemie...........................................................................................................27
H10: Lever..................................................................................................................................................................... 29
H11: calcium en bot.......................................................................................................................................................33
H12 : Nier...................................................................................................................................................................... 37
H13 : hypothalamus, hypofyse en inleiding tot endocriene stelsel...............................................................................40
H14: lipiden en lipoproteïnen........................................................................................................................................43
H15 : glucosehuishouding en diabetes..........................................................................................................................45
H16 : schildklier.............................................................................................................................................................52
H17 : Gonaden ; fertiliteit, prenatale diagnostiek en zwangerschap.............................................................................57
H18 : Bijnier................................................................................................................................................................... 64
,H1: laboratoriumdiagnostiek
Centrale rol klinisch labo
- Adviseren van arts welke relevante testen afnemen en opvolgen
- Richtlijnen van de afname: hoe test uitvoeren, bewaren,.. want dit heeft allemaal invloed op resultaat
- Gevalideerde testen en competentie en continu opvolgen van de competentie van het personeel door
interne en externe kwaliteitscontroles
Interne controle : tijdens het proces controleren
Externe controle : als labo stalen van een externe organisatie ontvangen en resultaten beoordelen
Verschillende afdelingen : 3 sectoren
Biochemie , hematologie , microbiologie en gespecialiseerd labo voor gespecialiseerde testen
Labo testcyclus : 3 fases
1. Preanalytische fase
Dit is de grootste bron van fouten, moeilijk te controleren
Aanvraag -> voorbereiding patiënt -> afname -> recipiënt voorzien van juiste patiëntidentificatie -> transport
-> ontvangst -> bewaring
voorbereiding patiënt : nuchter of niet nuchter, ochtend, avond, interferentie, ligging (rechtstaand
afname of liggend), aard van vaatbed (veneus, capillair, arterieel)
monsterafname : serum (bloed laten stollen) of plasma (additieven toevoegen ter preventie stolling)
Serum : fibrine Plasma : fibrinogeen
EDTA : volbloed voor hematologische testen (geen stolling!!)
Citraat plasma : stollingdiagnostiek
Li-Heparine plasma : routine biochemie
Na-Fluoride/K-oxalaat : glucose testen
2. Analytische fase
24u routine labo : totale automatisatie (centrifugatie, bewaring na analyse,..), automatische bepaling van
hemolyse, icterie, lipidemie (HIL)
3. Postanalytische fase : Interpretatie van labo resultaten + rapporteren naar aanvrager
pre-test probabiliteit : wat is de kans dat die persoon de aandoening heeft is afhankelijk van de prevalentie
en ook de patiënt zijn risicofactoren
diagnostische sensitiviteit/specificiteit : de kans om een positief resultaat te bekomen als die de ziekte heeft,
en de kans om negatief resultaat te hebben als die de ziekte niet heeft
positieve en negatieve predicitieve waarde
likelihood ratio (LR)
+LR : de mate waarin ziekte aannemelijker wordt bij positief resultaat
- LR : de mate waarin ziekte minder aannemelijk wordt bij negatief resultaat
biologische variatie
Intra-individuele biologische variatie : variatie bij 1 persoon,
nuchter of niet, dieet, diurnale variatie, lichaamshouding,..
Inter-individuele biologische variatie : variatie binnen een groep
bv. leeftijd, geslacht, etniciteit, roken, zwanger
referentiewaarden
,H2 : hematopoëse
Samenstelling bloed
Plasma en cellulaire elementen(RBC, WBC, bloedplaatjes). Deze hebben een beperkte levensduur en dienen dus
continu vervangen te worden doorheen het leven = hematopoëse is het proces van aanmaak van nieuwe bloedcellen
en vindt plaats in beenmerg.
RBC = erytrocyt / WBC= leukocyt
Plaats hematopoëse en hematopoëtische stamcel
Hematopoëse vindt plaats in beenmerg waar hematopoëtische stamcellen (HSC) zich bevinden in hun stamcelniche
en worden omgeven door macrofagen, monocyten en andere celtypen die gevormd zijn uit mesenchymale stamcel
(MSC). HSC is in staat tot 3 functies:
1. zelfhernieuwing : stamcel zal asymmetrisch delen -> enerzijds w terug een stamcel gevormd en
anderzijds een cel die kan differentiëren, als dit niet zo zou gebeuren dan heb je geen stamcellen meer of
geen cellen die kunnen differentiëren
2. Proliferatie: voorlopercellen/progenitor vermenigvuldigen
3. Differentiatie tot functionele cellen: de voorlopercellen rijpen uit tot WBC, RBC of bloedplaatjes.
Deze drie functies worden strikt gereguleerd door cytokinen en groeifactoren. Voor RBC is EPO(erytropoïetine) een
GF, voor bloedplaatjes is dit TPO(trombopoïetine).
De MSC kan ook aan zelfhernieuwing doen en dochtercellen genereren die differentiëren tot verschillende soorten
stromale cellen : osteoblast/clast, chondrocyt en adipocyt.
Zie schema hematopoëse in schrift
De plaats van hematopoëse gedurende leven
Eerste weken van embryonaal leven in dooierzak
Na 6-7 weken in lever en milt
Na 7 maanden pas in beenmerg
Extramedullaire hematopoëse
Bloedcellen die buiten(extra) het beenmerg(medullair) aangemaakt worden. Dus in de milt of lever
Stamceltransplantatie : Allogene en autologe stamceltransplantatie
Allogeen
“Stamcellen van HLA-compatibele donor krijgen (familie of vreemde)”
belangrijkste rol van IS is om onderscheid te maken tussen vreemde en eigen cellen-> al wat lichaamsvreemd is moet
w verwijdert -> bij transplantatie grootste risico dat orgaan/weefsel w afgestoten(HLA systeem : humaan leukocytaire
antigenen systeem) dus kijken naar HLA (afkomstig van moeder en vader ) = eerst kijken naar broer/zus -> kans ¼. Als
er toch wordt overwogen van ouders = haploide identiek. Bij een hematopoetische stamcel transplantatie ->
screenen van familie -> niemand HLA compatibel -> donorbank -> wnr compatibele donor is gevonden -> stamcellen
geven aan patiënt
Hierbij moet de patiënt EN de donor voorbereid worden: bij de patiënt wordt heel IS lam gelegd en hematopoëse
vernietigen -> conditioneren (zware chemotherapie). Bij de donor dienen de stamcellen in perifeer bloed gebracht te
worden en deze collecteren en vervolgens toedienen aan patiënt. Stamcellen toedienen aan patiënt via IV ->
stamcellen vinden zelf hun weg naar beenmerg -> daar zullen ze alles terug opstarten (hematopoëse)
graft failure : transplant zal niets doen-> ernstig want er is geen aanmaak
, graft vs host reactie : transplant zal aanval op eigen lichaam uitvoeren. Hoe minder HLA compatibel, hoe hoger risico
op graft vs host -> immuunsupressiva toedienen. Heeft ook voordeel -> graft vs leukymia effect -> stel dat niet alle
cellen van de patiënt afgedood waren dus kans op herval van leukemie-> dan gaan de nieuwe stamcellen deze
aanvallen want lichaamsvreemd
autoloog
“stamcellen van jezelf krijgen”
Door cryopreservatie (invriezen van stamcellen). Hierbij geen graft vs host reactie want je krijgt je eigen stamcellen
dus niet lichaamsvreemd.
Hoe stamcellen collecteren ?
Gebruik maken van beenmergpunctie (maar vermijden want zeer moeilijke en pijnlijke ingreep) dus eerder
stamcellen in circulatie brengen door toedienen van groeifactoren -> vanaf dat er voldoende cellen in perifeer bloed
zijn -> collecteren + opzuiveren (zoveel mogelijk T-lymfocyten weghalen zodat er geen afstoting gebeurt) en dan als
transplant toedienen aan patiënt
Graft vs host ziekte
T-cellen van donor die reageren met weefsel van de ontvanger, hoe groter de mismatch (HLA incompatibel), hoe
groter risico.
Erytropoëse
Erytrocyt is een biconcave, schijfvormige cel. Groot oppervlak (voor O2-CO2 uitwisseling) en grote vervormbaarheid
(passage door capillairen). Bevat cytoskelet opgebouwd uit structuur EW voor vervormbaarheid vd RBC.
RBC bevatten veel hemoglobine (EW dat O2 en CO2 vervoert). Tijdens uitrijping verhoogt het Hb gehalte en
vermindert kernmateriaal.
In beenmerg : MEP (megakaryocyte erytroide progenitor) tot reticulocyt dan in perifeer bloed rijpt verder uit tot RBC.
De reticulocyt stoot al het kernmateriaal uit zodat volledig volzit met Hb en wordt een cytoplasmatische cel.
O2 tekort (hypoxie) -> EPO productie (in nieren) -> RBC aanmaak
EPO bindt op EPOR op celoppervlak van erytroïde progenitorcellen. Er bevinden zich ook EPOR op vasculair
endotheel, de binding van EPO op deze receptor zorgt voor productie van NO m.a.g. VD en dus verhoogde
O2-toevoer.
Myelopoëse
Deze groeien via verschillende stadia tot finale effector cel = neutrofiel
myeloblast -> etamyelocyt -> etamyelo -> etamyelocyte -> neutrofiel
linksverschuiving is het voorkomen van voorlopers in perifeer bloed: normaal gezien zijn voorlopers niet terug te
vinden in perifeer bloed, als dit wel het geval is kan wijzen op sepsis, bloedinfectie, bepaalde aandoening.
Vorming van granulocyten (eosinofiel, neutrofiel, basofiel)
Neutrofiel : grootste populatie binnen WBC in perifeer bloed. Cruciale rol bij afweer bacteriele infecties.
Eosinofiel : tweelobbige kern. Spelen rol bij allergische reacties en bescherming tegen parasitaire infecties.
Basofiel : gevuld met donkere basofiele korrels (kern niet zo goed zichtbaar hierdoor). Spelen rol bij allergische
reacties (histamine in granulen).
Vorming monocyten
Monoblast – promonocyt – monocyt (deelt zijn voorlopers met granulocyten tot bepaald stadium)
Inhoudsopgave
H1: laboratoriumdiagnostiek...........................................................................................................................................2
H2 : hematopoëse...........................................................................................................................................................3
H3: diagnostiek binnen hematologie...............................................................................................................................6
H4: hematologische aandoeningen.................................................................................................................................8
H5: bloedgroep en transfusie........................................................................................................................................14
H6: hemostase en stollingsaandoeningen.....................................................................................................................16
H7: serumeiwitten.........................................................................................................................................................20
H8 : neoplasie................................................................................................................................................................23
H9: bepalingsmethoden in medische biochemie...........................................................................................................27
H10: Lever..................................................................................................................................................................... 29
H11: calcium en bot.......................................................................................................................................................33
H12 : Nier...................................................................................................................................................................... 37
H13 : hypothalamus, hypofyse en inleiding tot endocriene stelsel...............................................................................40
H14: lipiden en lipoproteïnen........................................................................................................................................43
H15 : glucosehuishouding en diabetes..........................................................................................................................45
H16 : schildklier.............................................................................................................................................................52
H17 : Gonaden ; fertiliteit, prenatale diagnostiek en zwangerschap.............................................................................57
H18 : Bijnier................................................................................................................................................................... 64
,H1: laboratoriumdiagnostiek
Centrale rol klinisch labo
- Adviseren van arts welke relevante testen afnemen en opvolgen
- Richtlijnen van de afname: hoe test uitvoeren, bewaren,.. want dit heeft allemaal invloed op resultaat
- Gevalideerde testen en competentie en continu opvolgen van de competentie van het personeel door
interne en externe kwaliteitscontroles
Interne controle : tijdens het proces controleren
Externe controle : als labo stalen van een externe organisatie ontvangen en resultaten beoordelen
Verschillende afdelingen : 3 sectoren
Biochemie , hematologie , microbiologie en gespecialiseerd labo voor gespecialiseerde testen
Labo testcyclus : 3 fases
1. Preanalytische fase
Dit is de grootste bron van fouten, moeilijk te controleren
Aanvraag -> voorbereiding patiënt -> afname -> recipiënt voorzien van juiste patiëntidentificatie -> transport
-> ontvangst -> bewaring
voorbereiding patiënt : nuchter of niet nuchter, ochtend, avond, interferentie, ligging (rechtstaand
afname of liggend), aard van vaatbed (veneus, capillair, arterieel)
monsterafname : serum (bloed laten stollen) of plasma (additieven toevoegen ter preventie stolling)
Serum : fibrine Plasma : fibrinogeen
EDTA : volbloed voor hematologische testen (geen stolling!!)
Citraat plasma : stollingdiagnostiek
Li-Heparine plasma : routine biochemie
Na-Fluoride/K-oxalaat : glucose testen
2. Analytische fase
24u routine labo : totale automatisatie (centrifugatie, bewaring na analyse,..), automatische bepaling van
hemolyse, icterie, lipidemie (HIL)
3. Postanalytische fase : Interpretatie van labo resultaten + rapporteren naar aanvrager
pre-test probabiliteit : wat is de kans dat die persoon de aandoening heeft is afhankelijk van de prevalentie
en ook de patiënt zijn risicofactoren
diagnostische sensitiviteit/specificiteit : de kans om een positief resultaat te bekomen als die de ziekte heeft,
en de kans om negatief resultaat te hebben als die de ziekte niet heeft
positieve en negatieve predicitieve waarde
likelihood ratio (LR)
+LR : de mate waarin ziekte aannemelijker wordt bij positief resultaat
- LR : de mate waarin ziekte minder aannemelijk wordt bij negatief resultaat
biologische variatie
Intra-individuele biologische variatie : variatie bij 1 persoon,
nuchter of niet, dieet, diurnale variatie, lichaamshouding,..
Inter-individuele biologische variatie : variatie binnen een groep
bv. leeftijd, geslacht, etniciteit, roken, zwanger
referentiewaarden
,H2 : hematopoëse
Samenstelling bloed
Plasma en cellulaire elementen(RBC, WBC, bloedplaatjes). Deze hebben een beperkte levensduur en dienen dus
continu vervangen te worden doorheen het leven = hematopoëse is het proces van aanmaak van nieuwe bloedcellen
en vindt plaats in beenmerg.
RBC = erytrocyt / WBC= leukocyt
Plaats hematopoëse en hematopoëtische stamcel
Hematopoëse vindt plaats in beenmerg waar hematopoëtische stamcellen (HSC) zich bevinden in hun stamcelniche
en worden omgeven door macrofagen, monocyten en andere celtypen die gevormd zijn uit mesenchymale stamcel
(MSC). HSC is in staat tot 3 functies:
1. zelfhernieuwing : stamcel zal asymmetrisch delen -> enerzijds w terug een stamcel gevormd en
anderzijds een cel die kan differentiëren, als dit niet zo zou gebeuren dan heb je geen stamcellen meer of
geen cellen die kunnen differentiëren
2. Proliferatie: voorlopercellen/progenitor vermenigvuldigen
3. Differentiatie tot functionele cellen: de voorlopercellen rijpen uit tot WBC, RBC of bloedplaatjes.
Deze drie functies worden strikt gereguleerd door cytokinen en groeifactoren. Voor RBC is EPO(erytropoïetine) een
GF, voor bloedplaatjes is dit TPO(trombopoïetine).
De MSC kan ook aan zelfhernieuwing doen en dochtercellen genereren die differentiëren tot verschillende soorten
stromale cellen : osteoblast/clast, chondrocyt en adipocyt.
Zie schema hematopoëse in schrift
De plaats van hematopoëse gedurende leven
Eerste weken van embryonaal leven in dooierzak
Na 6-7 weken in lever en milt
Na 7 maanden pas in beenmerg
Extramedullaire hematopoëse
Bloedcellen die buiten(extra) het beenmerg(medullair) aangemaakt worden. Dus in de milt of lever
Stamceltransplantatie : Allogene en autologe stamceltransplantatie
Allogeen
“Stamcellen van HLA-compatibele donor krijgen (familie of vreemde)”
belangrijkste rol van IS is om onderscheid te maken tussen vreemde en eigen cellen-> al wat lichaamsvreemd is moet
w verwijdert -> bij transplantatie grootste risico dat orgaan/weefsel w afgestoten(HLA systeem : humaan leukocytaire
antigenen systeem) dus kijken naar HLA (afkomstig van moeder en vader ) = eerst kijken naar broer/zus -> kans ¼. Als
er toch wordt overwogen van ouders = haploide identiek. Bij een hematopoetische stamcel transplantatie ->
screenen van familie -> niemand HLA compatibel -> donorbank -> wnr compatibele donor is gevonden -> stamcellen
geven aan patiënt
Hierbij moet de patiënt EN de donor voorbereid worden: bij de patiënt wordt heel IS lam gelegd en hematopoëse
vernietigen -> conditioneren (zware chemotherapie). Bij de donor dienen de stamcellen in perifeer bloed gebracht te
worden en deze collecteren en vervolgens toedienen aan patiënt. Stamcellen toedienen aan patiënt via IV ->
stamcellen vinden zelf hun weg naar beenmerg -> daar zullen ze alles terug opstarten (hematopoëse)
graft failure : transplant zal niets doen-> ernstig want er is geen aanmaak
, graft vs host reactie : transplant zal aanval op eigen lichaam uitvoeren. Hoe minder HLA compatibel, hoe hoger risico
op graft vs host -> immuunsupressiva toedienen. Heeft ook voordeel -> graft vs leukymia effect -> stel dat niet alle
cellen van de patiënt afgedood waren dus kans op herval van leukemie-> dan gaan de nieuwe stamcellen deze
aanvallen want lichaamsvreemd
autoloog
“stamcellen van jezelf krijgen”
Door cryopreservatie (invriezen van stamcellen). Hierbij geen graft vs host reactie want je krijgt je eigen stamcellen
dus niet lichaamsvreemd.
Hoe stamcellen collecteren ?
Gebruik maken van beenmergpunctie (maar vermijden want zeer moeilijke en pijnlijke ingreep) dus eerder
stamcellen in circulatie brengen door toedienen van groeifactoren -> vanaf dat er voldoende cellen in perifeer bloed
zijn -> collecteren + opzuiveren (zoveel mogelijk T-lymfocyten weghalen zodat er geen afstoting gebeurt) en dan als
transplant toedienen aan patiënt
Graft vs host ziekte
T-cellen van donor die reageren met weefsel van de ontvanger, hoe groter de mismatch (HLA incompatibel), hoe
groter risico.
Erytropoëse
Erytrocyt is een biconcave, schijfvormige cel. Groot oppervlak (voor O2-CO2 uitwisseling) en grote vervormbaarheid
(passage door capillairen). Bevat cytoskelet opgebouwd uit structuur EW voor vervormbaarheid vd RBC.
RBC bevatten veel hemoglobine (EW dat O2 en CO2 vervoert). Tijdens uitrijping verhoogt het Hb gehalte en
vermindert kernmateriaal.
In beenmerg : MEP (megakaryocyte erytroide progenitor) tot reticulocyt dan in perifeer bloed rijpt verder uit tot RBC.
De reticulocyt stoot al het kernmateriaal uit zodat volledig volzit met Hb en wordt een cytoplasmatische cel.
O2 tekort (hypoxie) -> EPO productie (in nieren) -> RBC aanmaak
EPO bindt op EPOR op celoppervlak van erytroïde progenitorcellen. Er bevinden zich ook EPOR op vasculair
endotheel, de binding van EPO op deze receptor zorgt voor productie van NO m.a.g. VD en dus verhoogde
O2-toevoer.
Myelopoëse
Deze groeien via verschillende stadia tot finale effector cel = neutrofiel
myeloblast -> etamyelocyt -> etamyelo -> etamyelocyte -> neutrofiel
linksverschuiving is het voorkomen van voorlopers in perifeer bloed: normaal gezien zijn voorlopers niet terug te
vinden in perifeer bloed, als dit wel het geval is kan wijzen op sepsis, bloedinfectie, bepaalde aandoening.
Vorming van granulocyten (eosinofiel, neutrofiel, basofiel)
Neutrofiel : grootste populatie binnen WBC in perifeer bloed. Cruciale rol bij afweer bacteriele infecties.
Eosinofiel : tweelobbige kern. Spelen rol bij allergische reacties en bescherming tegen parasitaire infecties.
Basofiel : gevuld met donkere basofiele korrels (kern niet zo goed zichtbaar hierdoor). Spelen rol bij allergische
reacties (histamine in granulen).
Vorming monocyten
Monoblast – promonocyt – monocyt (deelt zijn voorlopers met granulocyten tot bepaald stadium)