BEGRIPPENLIJST AUDIOLOGIE
PARTIM I – GELUID, AKOESTIEK EN PSYCHOAKOESTIEK
Audiologie : De wetenschap die zich bezighoudt met gehoor en evenwicht. Audiologie omvat preventie,
diagnostiek en revalidatie van gehoor- en evenwichtsproblemen.
Gehoor: Zintuig dat noodzakelijk is voor communicatie en het waarnemen van geluiden in de omgeving.
Evenwicht: Zintuiglijk systeem dat instaat voor balans en ruimtelijke oriëntatie.
Preventie: Het voorkomen van gehoorproblemen, bijvoorbeeld door lawaaibescherming.
Diagnostiek: Het opsporen en vaststellen van gehoorproblemen met behulp van onderzoek.
Revalidatie: Het behandelen van gehoorproblemen, bv. met hoortoestellen.
Perifeer auditief systeem: Bestaat uit het uitwendig oor, middenoor, binnenoor en de VIIIe craniale zenuw.
Centraal auditief systeem: Omvat (de auditieve zenuwbanen en auditieve cortex in) de hersenen.
Uitwendig oor: Bestaat uit oorschelp en gehoorgang; vangt geluid op.
Middenoor: Bevat trommelvlies en gehoorbeentjes; zorgt voor mechanische versterking van geluid.
Binnenoor (cochlea): Zet mechanische trillingen om in zenuwimpulsen.
VIIIe hersenzenuw (nervus vestibulocochlearis): Geleidt auditieve en vestibulaire informatie naar de
hersenen.
Sensoriële codering: Het proces waarbij akoestische energie wordt omgezet in neurale signalen.
Trommelvlies (TV): Membraan dat gaat trillen door geluidsgolven.
Ossiculaire keten: De gehoorbeentjes (hamer, aambeeld, stijgbeugel) die trillingen versterken.
Ovale venster: Opening waardoor trillingen het binnenoor binnengaan.
Perilymfe: Vloeistof in het binnenoor waarin drukgolven ontstaan.
Membrana basilaris: Structuur in de cochlea die frequenties codeert.
Haarcellen: Zintuigcellen die mechanische trillingen omzetten in elektrische signalen.
Geluid: De vibratie van luchtpartikels geproduceerd door vibratie van een object of verschillende objecten
Inertie: De neiging van het object om in rust te blijven of inactief te blijven totdat deze toestand verstoord wordt
door een externe kracht – De neiging van het object om in beweging te blijven totdat het gestopt wordt door een
externe kracht.
Elasticiteit: Eigenschap van een object om terug te keren naar zijn oorspronkelijke vorm wanneer het object
weer wordt losgelaten.
Stemvork: Een instrument dat een zuivere toon met vaste frequentie produceert dat < 2 benen en een stam
, Condensatie: Zone met verhoogde luchtdruk in een geluidsgolf.
Rarefactie: Zone met verlaagde luchtdruk in een geluidsgolf.
Longitudinale golf: Golf waarbij partikels evenwijdig bewegen aan de voortplantingsrichting (geluid), en
waarbij er alternerend condensatie en rarefactie zones zijn
Transversale golf: Golf waarbij de richting van de voortplanting loodrecht staat op de stimulus
Frequentie (Hz): Aantal trillingen per seconde; bepaalt de toonhoogte.
Periode (T): Tijd nodig voor één volledige trilling.
Frequentiebereik: Het gebied van frequenties (in Hz) dat door een systeem kan worden waargenomen of
geproduceerd, bij de mens typisch ongeveer 20 tot 20 000 Hz.
Ultrasound: Geluiden boven 20.000 Hz.
Infrasound: Geluiden onder 20 Hz.
Amplitude: Sterkte van een geluidsgolf.
Intensiteitsniveau: Een logaritmische maat voor de geluidsintensiteit, uitgedrukt in decibel (dB), ten opzichte
van een referentie-intensiteit.
Intensiteit: Vermogen per oppervlakte-eenheid (W/m²).
Decibel (dB): Logaritmische eenheid om geluidssterkte uit te drukken.
Ratio: Drukt de verhouding uit, en zegt iets over de amplitudeverhouding tussen de twee geluiden.
Referentiewaarde: Vast punt waarmee geluidsniveaus worden vergeleken – voor geluidsniveaus: de kleinste
waarde die wij als menselijke waarnemers kunnen detecteren.
dB IL: Intensity Level; is de logaritmische maat voor geluidsintensiteit, uitgedrukt in decibel ten opzichte van
een referentie-intensiteit (10-16 Watt/cm2).
Drukniveau: Logaritmische maat voor de effectieve geluidsdruk, uitgedrukt in decibel sound pressure level (dB
SPL), ten opzichte van een referentiedruk.
dB SPL: Sound Pressure Level; is de logaritmische maat voor de effectieve geluidsdruk, uitgedrukt in decibel
ten opzicht van de referentiedruk (20µPa).
dB HL: Hearing Level; relatieve decibelschaal die het gehoorniveau uitdrukt tov de gemiddelde gehoordrempel
van normaalhorende personen, gebruikt in audiometrie.
dB SL: Sensation Level; een relatieve decibelschaal die aangeeft hoeveel decibel een geluid boven de
individuele gehoordrempel van een persoon ligt voor een bepaalde frequentie.
Fouriranalyse: wiskundige methode waarbij een complex geluidssignaal wordt ontbonden in een som van
zuivere sinusgolven met verschillende frequenties en amplitudes.
Psychofysica: studie van de relatie tussen een fysische stimulus en de perceptie ervan
Fysische stimulus: een objectieve prikkel uit de omgeving (geluid, licht of druk) die door een zintuiglijk
systeem kan worden opgevangen en verwerkt.
PARTIM I – GELUID, AKOESTIEK EN PSYCHOAKOESTIEK
Audiologie : De wetenschap die zich bezighoudt met gehoor en evenwicht. Audiologie omvat preventie,
diagnostiek en revalidatie van gehoor- en evenwichtsproblemen.
Gehoor: Zintuig dat noodzakelijk is voor communicatie en het waarnemen van geluiden in de omgeving.
Evenwicht: Zintuiglijk systeem dat instaat voor balans en ruimtelijke oriëntatie.
Preventie: Het voorkomen van gehoorproblemen, bijvoorbeeld door lawaaibescherming.
Diagnostiek: Het opsporen en vaststellen van gehoorproblemen met behulp van onderzoek.
Revalidatie: Het behandelen van gehoorproblemen, bv. met hoortoestellen.
Perifeer auditief systeem: Bestaat uit het uitwendig oor, middenoor, binnenoor en de VIIIe craniale zenuw.
Centraal auditief systeem: Omvat (de auditieve zenuwbanen en auditieve cortex in) de hersenen.
Uitwendig oor: Bestaat uit oorschelp en gehoorgang; vangt geluid op.
Middenoor: Bevat trommelvlies en gehoorbeentjes; zorgt voor mechanische versterking van geluid.
Binnenoor (cochlea): Zet mechanische trillingen om in zenuwimpulsen.
VIIIe hersenzenuw (nervus vestibulocochlearis): Geleidt auditieve en vestibulaire informatie naar de
hersenen.
Sensoriële codering: Het proces waarbij akoestische energie wordt omgezet in neurale signalen.
Trommelvlies (TV): Membraan dat gaat trillen door geluidsgolven.
Ossiculaire keten: De gehoorbeentjes (hamer, aambeeld, stijgbeugel) die trillingen versterken.
Ovale venster: Opening waardoor trillingen het binnenoor binnengaan.
Perilymfe: Vloeistof in het binnenoor waarin drukgolven ontstaan.
Membrana basilaris: Structuur in de cochlea die frequenties codeert.
Haarcellen: Zintuigcellen die mechanische trillingen omzetten in elektrische signalen.
Geluid: De vibratie van luchtpartikels geproduceerd door vibratie van een object of verschillende objecten
Inertie: De neiging van het object om in rust te blijven of inactief te blijven totdat deze toestand verstoord wordt
door een externe kracht – De neiging van het object om in beweging te blijven totdat het gestopt wordt door een
externe kracht.
Elasticiteit: Eigenschap van een object om terug te keren naar zijn oorspronkelijke vorm wanneer het object
weer wordt losgelaten.
Stemvork: Een instrument dat een zuivere toon met vaste frequentie produceert dat < 2 benen en een stam
, Condensatie: Zone met verhoogde luchtdruk in een geluidsgolf.
Rarefactie: Zone met verlaagde luchtdruk in een geluidsgolf.
Longitudinale golf: Golf waarbij partikels evenwijdig bewegen aan de voortplantingsrichting (geluid), en
waarbij er alternerend condensatie en rarefactie zones zijn
Transversale golf: Golf waarbij de richting van de voortplanting loodrecht staat op de stimulus
Frequentie (Hz): Aantal trillingen per seconde; bepaalt de toonhoogte.
Periode (T): Tijd nodig voor één volledige trilling.
Frequentiebereik: Het gebied van frequenties (in Hz) dat door een systeem kan worden waargenomen of
geproduceerd, bij de mens typisch ongeveer 20 tot 20 000 Hz.
Ultrasound: Geluiden boven 20.000 Hz.
Infrasound: Geluiden onder 20 Hz.
Amplitude: Sterkte van een geluidsgolf.
Intensiteitsniveau: Een logaritmische maat voor de geluidsintensiteit, uitgedrukt in decibel (dB), ten opzichte
van een referentie-intensiteit.
Intensiteit: Vermogen per oppervlakte-eenheid (W/m²).
Decibel (dB): Logaritmische eenheid om geluidssterkte uit te drukken.
Ratio: Drukt de verhouding uit, en zegt iets over de amplitudeverhouding tussen de twee geluiden.
Referentiewaarde: Vast punt waarmee geluidsniveaus worden vergeleken – voor geluidsniveaus: de kleinste
waarde die wij als menselijke waarnemers kunnen detecteren.
dB IL: Intensity Level; is de logaritmische maat voor geluidsintensiteit, uitgedrukt in decibel ten opzichte van
een referentie-intensiteit (10-16 Watt/cm2).
Drukniveau: Logaritmische maat voor de effectieve geluidsdruk, uitgedrukt in decibel sound pressure level (dB
SPL), ten opzichte van een referentiedruk.
dB SPL: Sound Pressure Level; is de logaritmische maat voor de effectieve geluidsdruk, uitgedrukt in decibel
ten opzicht van de referentiedruk (20µPa).
dB HL: Hearing Level; relatieve decibelschaal die het gehoorniveau uitdrukt tov de gemiddelde gehoordrempel
van normaalhorende personen, gebruikt in audiometrie.
dB SL: Sensation Level; een relatieve decibelschaal die aangeeft hoeveel decibel een geluid boven de
individuele gehoordrempel van een persoon ligt voor een bepaalde frequentie.
Fouriranalyse: wiskundige methode waarbij een complex geluidssignaal wordt ontbonden in een som van
zuivere sinusgolven met verschillende frequenties en amplitudes.
Psychofysica: studie van de relatie tussen een fysische stimulus en de perceptie ervan
Fysische stimulus: een objectieve prikkel uit de omgeving (geluid, licht of druk) die door een zintuiglijk
systeem kan worden opgevangen en verwerkt.