DEEL 1: COST ACCOUNTING
MANAGEMENT ACCOUNTING
Een systeem dat beslissingsnemers op alle niveaus van de organisatie in staat stelt
betere beslissingen te nemen.
Meten, analyseren, interpreteren, communiceren, plannen en controleren
SLEUTELSUCCESFACTOREN
Een systeem moet aangepast worden aan uw strategie a.d.h.v. kosten, kwaliteit, tijd
en innovatie.
COST DRIVERS
Zaken die de kostenstructuur beïnvloeden.
Structural cost drivers: Strategische beslissingen over fundamentele economische
kenmerken (strategisch)
Schaal, graad van verticale integratie (wat doen we zelf en wat besteden we uit
=scope), ervaring, technologie en complexiteit
Executional cost drivers: Bekwaamheid organisatie om product of dienst
succesvol af te leveren (operationeel)
Werknemer participatie, total quality management (doe alles meteen juist),
capaciteitsgebruik, efficiëntie van fabriekslay-out, productconfiguratie, relaties met
leveranciers (en klanten)
FOUR STAGE MODEL OF COST SYSTEM DESIGN
De stages leggen een link tussen de maturiteit van de ICT-systemen en de
mogelijkheden die men heeft binnen rapporteren.
Stage 1: Broken: De data heeft geen kwaliteit, veel fouten en veel verschil met de
realiteit (faalt als managementinstrument)
Stage 2: Financial Reporting-Driven: Dient vooral om de noodzaak aan externe
financiële verslaggeving te doen (accounting-gedreven en niet beslissing-gedreven)
Stage 3: Specialized: Aparte systemen met een gedeelde database (functioneel
goed, maar niet geïntegreerd)
Stage 4: Integrated: Hoogste maturiteit (databases zijn aan elkaar gelinkt, er
bestaan geïntegreerde systemen voor financiële rapportering, kostenstructuur en
strategische en operationele controle)
KOSTENPLAATS
Verzameling van indirecte kosten die met dezelfde verdeelsleutel naar
kostenobjecten worden toegewezen.
KOSTENSOORTEN
De kosten van de productie.
KOSTENOBJECTEN (= KOSTENDRAGERS )
Datgene waarvan we de kostprijs en de winst willen berekenen.
Lena Meuwis – 3e bachelor TEW 2025-2026
,VASTE KOSTEN
Kosten die niet veranderen met het outputniveau (bv. personeel).
VARIABELE KOSTEN
Kosten die mee variëren met het outputniveau (bv. grondstof).
GRAAD OPERATIONELE HEFBOOM (GOH)
Een maatstaf voor (operationeel) risico. Hoe groter de hefboom, hoe groter het
risico.
∆ procentuele winst (of EBIT )
∆ procentuele omzet
PERIODEKOSTEN
Kosten die niet aan een product kunnen worden toegerekend ( Productkosten) en
bijgevolg rechtstreeks naar de resultatenrekening wordt gebracht.
SPIEGELREKENING (INTRACOMPTABEL BOEKHOUDEN)
Een hulprekening om de kostensoorten in de analytische boekhouding weer te
geven. Als we dit niet zouden gebruiken, zouden we kosten wegboeken en financiële
informatie verliezen.
U maakt een kost
U boekt die in de financiële boekhouding (zo wordt klasse 6 weggeboekt
credit = debit) (debet)
U doet een tegenboeking op een spiegelrekening (credit)
HULPKOSTENPLAATS
Een hulpkostenplaats levert diensten aan de andere (definitieve) kostenplaatsen (=
worden gebruikt voor de finale kostenobjecten). Dit zorgt voor een additionele
berekening (tussentijdse verdeling).
HISTORISCHE METHODE
We maken gebruik van gegevens uit vorige periodes om de relaties uit te dokteren
en zo de kostenfunctie te schatten. Hierbij moeten we opletten voor inefficiënties
en subjectiviteiten (want we maken een inschatting).
Account classification
High-low
Visual fit
Regressie
CLASSIFICATIE-METHODE
We maken een overzicht van de kosten over 1 bepaalde periode om de
kostenfunctie te schatten.
HIGH-LOW METHODE
U neemt de hoogste en laagste waarde van de afhankelijke variabele uit meerdere
periodes om de kostenfunctie te schatten.
Variabele kost = (hoogste-laagste kost) delen door (hoogste – laagste aantal
uren) = variabele kost per uur
Vaste kost = hoogste kost - (variabele kost x hoogste aantal uren)
Lena Meuwis – 3e bachelor TEW 2025-2026
, Totale kost = vaste kost + variabele kost x aantal uren (meestal gegeven)
REGRESSIE -ANALYSE
Kleinste kwadrantenmethode (= som van de kwadratische afstanden tussen punten
en loodrechte projectie van punten op rechte, geminimiseerd) uit meerdere
periodes om de kostenfunctie te schatten.
ENGINEERING STUDIES METHODE
We maken opnieuw een overzicht van de kosten, maar maken geen gebruik van
historische gegevens, men maakt gebruik van speciale studies om de kostenfunctie
te schatten en zo een bepaald budget op te leggen (wat zou het mogen kosten?).
Hierbij werken we de inefficiënties uit het verleden weg. Het nadeel is echter dat het
zeer tijdsrovend is.
COST VOLUME PROFIT ANALYSIS (CVP)
Break-even analyse.
JOB ORDER COSTING
De kostprijsberekening bij stukproductie (per individueel stuk). Het omgekeerde
van stukproductie is serieproductie.
COMPANY WIDE METHODE (SERIEPRODUCTIE )
We maken geen onderscheid tussen de verschillende afdelingen. Er wordt slechts
gebruik gemaakt van één kostenplaats (en dus ook één verdeelsleutel).
DEPARTMENT SPECIFIC METHODE (SERIEPRODUCTIE )
Alle indirecte kosten verdelen over de compartimenten (verschillende
kostenplaatsen met elk hun verdeelsleutel).
THEORETISCHE CAPACITEIT
Wat is theoretisch mogelijk (indien men heel de tijd productief is)? (vaak
onhaalbaar)
PRAKTISCHE CAPACITEIT
De haalbare/beschikbare/potentiële capaciteit (cost of resources used cost of
unused capacity). Dit gebruiken we voor (time-driven) activity based costing.
Cost of resources supplied = cost of resources used + cost of unused capacity
NORMALE CAPACITEIT
Hoeveel hebben we gemiddeld gebruikt de voorbije jaren/hoeveel gebruiken we
normaal gezien? (houdt rekening met effecten van veranderingen in de vraag van
consumenten)
GEBUDGETTEERDE CAPACITEIT
Capaciteit die we nodig hebben om verkopen te realiseren (planning voor volgend
jaar).
ACTUELE CAPACITEIT
Hoeveel capaciteit wordt werkelijk verbruikt?
Lena Meuwis – 3e bachelor TEW 2025-2026