Hoofdstuk 1: Inleidende begrippen
1.1 Meetgegevens
Grootheid = eigenschap die beschreven wordt aan de hand van een meting
=> andere eenheden zijn een combinatie van SI-eenheden
1.2 Massa
Massa= de hoeveelheid materie in een object (kg)
De standaard kilogram= de massa van een cilindrische staaf uit een
platinairidiumlegering
Massa ≠ gewicht
-> Gewicht is de kracht die zwaartekracht op een object uitoefent (N)
,1.3 Lengte
!1Å = 10-10 m!
1.4 Temperatuur
• Dagelijks leven: °C
• Wetenschappelijk: K
• Absolute nulpunt= laagst mogelijke temperatuur= 0K of –273,15°C
Omzetting °C en K:
°C naar K: T(K) = T(°C) + 273,15
K naar °C: T(°C) = T(K) - 273,15
Omzetting °C en °F:
°C naar °F: T(°F) = 9/5 * T(°C) + 32
°F naar °C: 5/9 * (T(°F) - 32) = 5/9 * T(°F) - 160/9
1.5 Afgeleide eenheden
,Volume = ruimte die een object inneemt
• Volume balk= l*b*h
• Volume cilinder= π*r²*h
• Volume bol = (4/3)*π*r³
1.6 Afgeleide eenheden: dichtheid
Dichtheid= massa van een object per volume (kg/m³ of kg* m-³)
• Vaak uitgedrukt in g/mL of g/cm³
• Temperatuursafhankelijk
(Dichtheid van water is 1,000 g/cm³)
1.7 Afgeleide eenheden: energie
Energie= vermogen om warmte te leveren of arbeid te verrichten (kg m²/s²= J (Joule))
• Kinetische energie (Ek)
o = De energie van beweging
o Ek = ½ * m * v^2
• Potentiële energie (Ep)
o = de energie opgeslagen in het systeem
o Verschillende manieren om te berekenen
§ Ep = m * g * h (gravitatie-energie)
§ Ep = q * V (elektrostatische energie)
§ Ep = (1/ (4 * π * ε0)) * (q1 * q2/ r12) (elektrostatische energie)
Joule= relatief kleine hoeveelheid energie -> vaker uitgedrukt in kiloJoule (kJ)
(Sommige chemici en biochemici gebruiken de eenheid calorie (cal))
, • 1 cal= de hoeveelheid energie die nodig is om de temperatuur van 1 g
water met 1 °C te verhogen
o 1 cal = 4,184 J
o 1kcal = 4,184 kJ
(Voedingsdeskundigen gebruiken de eenheid Calorie (Cal)
• 1 Cal = 1000 cal = 1 kcal
1.8 Conversies tussen eenheden
Hoeveelheid in originele eenheid * conversiefactor = equivalente hoeveelheid in een
andere eenheid
• Conversiefactor = de relatie of het verband tussen 2 eenheden
• Voorbeeld
o Conversiefactor van meter naar inches: 39,37in/ 1m
o Conversiefactor van inches naar meter: 1m/ 39,37 in
1.9 Chemie en de elementen
Element = een fundamentele stof die via een chemische manier niet verder opgedeeld
of omgezet kan worden in iets eenvoudigers
• 118 elementen: 90 in de natuur, 28 artificieel
• Gebundeld in het periodiek systeem of Tabel van Mendeljev
• 18 groepen (verticale kolommen), 7 perioden (horizontale rijen)
1.10 Atomen
• Atoomstructuur
o Atoomkern = positief geladen protonen en neutrale neutronen
o Atoom is elektrisch neutraal -> aantal protonen in de kern = aantal
negatief geladen elektronen rond de kern
o Aantal neutronen is niet noodzakelijk gelijk aan aantal protonen
o Massa van atoom zit voornamelijk in de kern