Samenvatting module 13: algemene chirurgie hoogcomplex + thorax
Anatomie ................................................................................................................................................. 2
Pathologie: maag en milt....................................................................................................................... 13
Pathologie: lever en pancreas ............................................................................................................... 19
Heelkunde: maag, milt en bariatrische chirurgie .................................................................................. 26
Heelkunde: lever, pancreas en oesophagus.......................................................................................... 37
OZT: algemene chirurgie hoogcomplex................................................................................................. 47
OZT: thorax chirurgie............................................................................................................................. 55
1
,Anatomie
Leerdoelen
Je kunt met gebruik van de medische terminologie van de pancreas, oesophagus, maag, milt, lever,
thorax en thoraxwand op gedetailleerde wijze:
• De anatomische ligging ten opzichte van de omgeving beschrijven
• De anatomische bouw van macroscopische anatomie beschrijven
• De functie van het geheel en de fysiologie van de onderdelen uitleggen
• De vascularisatie en innervatie beschrijven
• De verschillende anatomische structuren op een afbeelding herkennen
• De embryonale ontwikkeling uitleggen
Oesophagus
Oesophagus = slokdarm. Dit is de transportbuis van de pharynx =
keel naar de maag. De functie is transport. De oesophagus ligt in
het mediastinum = de ruimte tussen beide pleuraholten in. Het
bevindt zich dorsaal achter de trachea. Craniaal van de aorta en
verder naar distaal meer ventraal van de aorta. (mediastinum:
vertebrae, trachea, aorta). De oesophagus is ongeveer 25 cm lang
en heeft een diameter van ongeveer 2 cm. De oesophagus passeert
het diafragma: hiatus, oesophagus.
De parasympatische innervering is via de n. vagus. De oesophagus
heeft een nauwe relatie met de arcus aortae = aortaboog en bronchus principalis sinistra.
De oesophagus bestaat uit plaveiselepitheel, binnenste wand van de
oesophagus.
De spierlagen van de wand van het maagdarmkanaal is opgebouwd uit
longitudinale (buitenste) en een circulaire (binnenste) wand. Dit zorgt voor
peristaltiek.
De oesophagus bevat een UES = upper en een LES = lower sphincter. De functie van de LES is het
voorkomen van reflux = terugvloed. De functie van de UES is voorkomen dat er lucht naar de
oesophagus komt als je niet aan het slikken bent.
Metaplasie: plaveisel-cilinderepitheel = verandering van cellen door prikkeling.
Maligniteiten:
• Caudaal: adenocarcinoom
o Door reflux, barret’s oesophagitis (voorstadium), zuurremmers
• Craniaal: plaveiselcelcarcinoom
2
,Maag
De maag heeft een nauwe relatie met de milt (linksboven), duodenum
(omentum minus = vliezige verbinding tussen maag, lever en duodenum),
langs grootste curvatuur van de maag (omentum majus = vetschort).
Achter het omentum minus ligt de bursa omentalis = kleine peritoneale
holte.
De maag bestaat uit de curvatura major en de curvatura minor.
Andere onderdelen van de maag:
• Cardia = aansluiting van de oesophagus op de maag
o Z-lijn = overgang van plaveiselcelepitheel van de
oesophagus naar cilinderepitheel van de maag
• Fundus = bovenste gedeelte van de maag
• Corpus = lichaam van de maag
• Antrum pyloricum = richting de uitgang naar het duodenum
• Canalis pyloricus = kanaal naar de pylorus
• Pylorus = sphincter van de maag naar het duodenum
De incisura cardialis (hoek van his) en incisura angularis = de inkepingen
die door de peristaltiek en de spieraantrekkingen tot stand komen. De
incisura cardialis draagt bij dat wanneer er maagzuur is, de hoek scherper
wordt en daarmee ook een anti-reflux functie heeft, doordat de fundus
tegen de oesophagus gaat aandrukken. De incisura angularis ontstaat
door spierextracties.
De maag bestaat uit een aantal spierlagen met veel richtingen. Eigenschappen:
• Bestaat uit cilinderepitheel met veel kliercellen
• Heeft veel plooien aan de binnenzijde →
vergroten het werkoppervlak
• Magenstrasse (maagstraat / canalis gastricus) =
aan de binnenzijde van de curvatuur minor zijn de
plooien wat forser / dieper. Door deze plooien is
de passage sneller (zodat vloeistof sneller kan
passeren)
3
, Ontstaan van reflux:
• Hoek van his is te groot
• Diafragma opening is te rond
• Te veel vet bij de doorgang (waar de oesophagus door het
diafragma gaat)
• Hernia diafragmatica
Ander problematiek van de maag is een ulcus pepticum = maagzweer.
Dit wordt veroorzaakt doordat het maagzuur de maagwand beschadigd.
Normaliter als het maagslijmvlies intact is, krijgt men dit probleem niet. Echter
zodra dit maagslijmvlies verslapt door h. pyoliri = maagbacterie. Het komt met
name voor bij de curvatura minor. Het is een ulcerend maagcarcinoom.
Maagsappen:
• Enzymen: katalysator (-ase): verteringsenzymen
• Maagsap
o Maagzuur: activatie pepsine, denatureren eiwitten, doden van bacteriën
o Pepsine: eiwitten
o Intrinsic factor: opname vitamine B12 in terminale ileum
o Slijm: bescherming van de maagwand
Milt
De milt ligt intraperitoneaal, links boven-achterin de
abdomen (onderste ribben). Sommige mensen hebben
ook kleine bij-miltjes. De milt heeft een relatie met het
diafragma en de pancreas. Functies van de milt:
• Afweer tegen bacteriën (de milt is een lymfatisch
orgaan)
• Afbraak bepaalde bloedcellen (o.a. ‘oude’
erytrocyten = rode bloedcellen)
• Reservoirfunctie bloed
• Prenataal hematopoëse: aanmaak van bloedcellen
De milt is zeer goed doorbloed. Het is een niet vitaal orgaan = je kunt zonder dit orgaan leven, wel
extra regels wat betreft de afweer, bijvoorbeeld extra vaccinaties en dergelijke.
Lever
De lever ligt intraperitoneaal. De lever heeft een nauwe relatie met:
• Galblaas
• Diafragma (ligt direct tegen diafragma)
• Maag / duodenum (milt is ook verbonden met omentus
minus)
• V. cava inferior (ligt vlak achter de lever)
• Colon (flexura lienalis)
4
Anatomie ................................................................................................................................................. 2
Pathologie: maag en milt....................................................................................................................... 13
Pathologie: lever en pancreas ............................................................................................................... 19
Heelkunde: maag, milt en bariatrische chirurgie .................................................................................. 26
Heelkunde: lever, pancreas en oesophagus.......................................................................................... 37
OZT: algemene chirurgie hoogcomplex................................................................................................. 47
OZT: thorax chirurgie............................................................................................................................. 55
1
,Anatomie
Leerdoelen
Je kunt met gebruik van de medische terminologie van de pancreas, oesophagus, maag, milt, lever,
thorax en thoraxwand op gedetailleerde wijze:
• De anatomische ligging ten opzichte van de omgeving beschrijven
• De anatomische bouw van macroscopische anatomie beschrijven
• De functie van het geheel en de fysiologie van de onderdelen uitleggen
• De vascularisatie en innervatie beschrijven
• De verschillende anatomische structuren op een afbeelding herkennen
• De embryonale ontwikkeling uitleggen
Oesophagus
Oesophagus = slokdarm. Dit is de transportbuis van de pharynx =
keel naar de maag. De functie is transport. De oesophagus ligt in
het mediastinum = de ruimte tussen beide pleuraholten in. Het
bevindt zich dorsaal achter de trachea. Craniaal van de aorta en
verder naar distaal meer ventraal van de aorta. (mediastinum:
vertebrae, trachea, aorta). De oesophagus is ongeveer 25 cm lang
en heeft een diameter van ongeveer 2 cm. De oesophagus passeert
het diafragma: hiatus, oesophagus.
De parasympatische innervering is via de n. vagus. De oesophagus
heeft een nauwe relatie met de arcus aortae = aortaboog en bronchus principalis sinistra.
De oesophagus bestaat uit plaveiselepitheel, binnenste wand van de
oesophagus.
De spierlagen van de wand van het maagdarmkanaal is opgebouwd uit
longitudinale (buitenste) en een circulaire (binnenste) wand. Dit zorgt voor
peristaltiek.
De oesophagus bevat een UES = upper en een LES = lower sphincter. De functie van de LES is het
voorkomen van reflux = terugvloed. De functie van de UES is voorkomen dat er lucht naar de
oesophagus komt als je niet aan het slikken bent.
Metaplasie: plaveisel-cilinderepitheel = verandering van cellen door prikkeling.
Maligniteiten:
• Caudaal: adenocarcinoom
o Door reflux, barret’s oesophagitis (voorstadium), zuurremmers
• Craniaal: plaveiselcelcarcinoom
2
,Maag
De maag heeft een nauwe relatie met de milt (linksboven), duodenum
(omentum minus = vliezige verbinding tussen maag, lever en duodenum),
langs grootste curvatuur van de maag (omentum majus = vetschort).
Achter het omentum minus ligt de bursa omentalis = kleine peritoneale
holte.
De maag bestaat uit de curvatura major en de curvatura minor.
Andere onderdelen van de maag:
• Cardia = aansluiting van de oesophagus op de maag
o Z-lijn = overgang van plaveiselcelepitheel van de
oesophagus naar cilinderepitheel van de maag
• Fundus = bovenste gedeelte van de maag
• Corpus = lichaam van de maag
• Antrum pyloricum = richting de uitgang naar het duodenum
• Canalis pyloricus = kanaal naar de pylorus
• Pylorus = sphincter van de maag naar het duodenum
De incisura cardialis (hoek van his) en incisura angularis = de inkepingen
die door de peristaltiek en de spieraantrekkingen tot stand komen. De
incisura cardialis draagt bij dat wanneer er maagzuur is, de hoek scherper
wordt en daarmee ook een anti-reflux functie heeft, doordat de fundus
tegen de oesophagus gaat aandrukken. De incisura angularis ontstaat
door spierextracties.
De maag bestaat uit een aantal spierlagen met veel richtingen. Eigenschappen:
• Bestaat uit cilinderepitheel met veel kliercellen
• Heeft veel plooien aan de binnenzijde →
vergroten het werkoppervlak
• Magenstrasse (maagstraat / canalis gastricus) =
aan de binnenzijde van de curvatuur minor zijn de
plooien wat forser / dieper. Door deze plooien is
de passage sneller (zodat vloeistof sneller kan
passeren)
3
, Ontstaan van reflux:
• Hoek van his is te groot
• Diafragma opening is te rond
• Te veel vet bij de doorgang (waar de oesophagus door het
diafragma gaat)
• Hernia diafragmatica
Ander problematiek van de maag is een ulcus pepticum = maagzweer.
Dit wordt veroorzaakt doordat het maagzuur de maagwand beschadigd.
Normaliter als het maagslijmvlies intact is, krijgt men dit probleem niet. Echter
zodra dit maagslijmvlies verslapt door h. pyoliri = maagbacterie. Het komt met
name voor bij de curvatura minor. Het is een ulcerend maagcarcinoom.
Maagsappen:
• Enzymen: katalysator (-ase): verteringsenzymen
• Maagsap
o Maagzuur: activatie pepsine, denatureren eiwitten, doden van bacteriën
o Pepsine: eiwitten
o Intrinsic factor: opname vitamine B12 in terminale ileum
o Slijm: bescherming van de maagwand
Milt
De milt ligt intraperitoneaal, links boven-achterin de
abdomen (onderste ribben). Sommige mensen hebben
ook kleine bij-miltjes. De milt heeft een relatie met het
diafragma en de pancreas. Functies van de milt:
• Afweer tegen bacteriën (de milt is een lymfatisch
orgaan)
• Afbraak bepaalde bloedcellen (o.a. ‘oude’
erytrocyten = rode bloedcellen)
• Reservoirfunctie bloed
• Prenataal hematopoëse: aanmaak van bloedcellen
De milt is zeer goed doorbloed. Het is een niet vitaal orgaan = je kunt zonder dit orgaan leven, wel
extra regels wat betreft de afweer, bijvoorbeeld extra vaccinaties en dergelijke.
Lever
De lever ligt intraperitoneaal. De lever heeft een nauwe relatie met:
• Galblaas
• Diafragma (ligt direct tegen diafragma)
• Maag / duodenum (milt is ook verbonden met omentus
minus)
• V. cava inferior (ligt vlak achter de lever)
• Colon (flexura lienalis)
4