Glucosebrandstof die de cellen voor bijna alle activiteiten gebruiken. Insuline nodig
om glucose op te kunnen nemen.
Organisatieniveau:
- Molecuul-organel-cel-weefsel-orgaan-orgaanstelsel-organisme-populatie-
levensgemeenschap-ecosysteem-systeem aarde
- Ze kunnen samen werken tot een nieuwe eigenschapemergente
eigenschap.
Levenskenmerken:
- Opgebouwd uit een of meer cellen.
- Groei
- Voorplanting
- Stofwisseling
- Waarnemen van en reageren op veranderingen in de omgeving
- Organisatie van erfelijk materiaal.
Ze zijn niet altijd zichtbaar bij elk organisme.
Eiwitten:
- Bouwstenen van spieren, organen en de huid
- Hormonen, enzymen en antistoffen zijn eiwitten.
2.2
Een cel bestaat uit kleine onderdelenorganellen.
Menselijke en dierlijke cellen:
Heterotroof
Celkern: bevat DNA
- DNA bevat de instructies om eiwitten te maken
Endoplasmatische reticulum (ER)
- Ruw ER: bevat ribosomen
- Glad ER: bevat geen ribosomen
Het bevat geen celwand, vacuole en bladgroenkorrels.
Zie uitleg begrippen Quizlet.
Planten cellen:
autotrofe
Bevat celwand, vacuole en chloroplasten(bladgroenkorrels) en de rest net zo als
menselijke en dierlijke cellen.
Fotosynthese: eigen brandstof maken, door water, zonlicht en CO2 op te nemen en
O2 en glucose af te geven.
Bacteriecellen:
Prokaryote
Bevat celwand, celmembraan, cytoplasma, plasmide en ribosoom en sommige
bezitten ook flagellen