1. INLEIDING
- Enkele stellingen… wat is normaal / wat wijst mogelijks op een stoornis?
o Een kind van 2,5 jaar is niet zindelijk overdag (plast nog regelmatig in de broek)?
§ Normaal
o Een tiener komt in opstand tegen haar ouders die haar hadden verboden om uit te gaan en ze kruipt ‘s avonds uit haar raam
om met vrienden te gaan feesten?
§ Normaal (wilt niet zeggen dat elke tiener dat doet)
o Een man van 20 denkt dat de televisie tegen hem spreekt.
§ Wijst mogelijks op een stoornis (kenmerk van een psychose)
o Een meisje van 19 jaar wilt niet aan de kant van de ruit zitten in de trein omdat ze het een vies idee vindt dat er andere
mensen tegen die ruit hebben geleund.
§ Normaal (enkel een probleem als de angst zo groot wordt dat ze de trein niet meer durft te pakken door die reden,
zolang die angst ons niet belemmert in ons functioneren kan dat geen kwaad en is het niet problematisch).
2. W AT ZIJN GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN?
2.1. TERMINOLOGIE
- Gedrags- en emotionele problemen = dat een kind zich duidelijk anders gedraagt of anders reageert dan wat je normaal zou
verwachten.
o Het kan gaan om gedrag (bijvoorbeeld heel druk, agressief, teruggetrokken).
o Het kan ook gaan om emoties (bijvoorbeeld heel snel boos, extreem verdrietig, angstig).
- Daarbij maakt het niet uit hoe ernstig het is, waar het vandaan komt, of in welke situatie het gebeurt: zodra het gedrag of de emoties
opvallend afwijkend zijn, spreken we van gedrags- en emotionele problemen.
- De cursus richt zich op eerder ernstige problemen.
o Problemen worden ernstig wanneer:
§ Ze langdurig of blijvend aanwezig zijn.
§ Ze in combinatie voorkomen met andere problemen.
§ Ze ernstig lijden veroorzaken bij het kind zelf en/of de directe omgeving (zoals ouders, school of
leeftijdsgenoten).
2.2. AANDACHTSPUNTEN BIJ HET DEFINIËREN / BEPALEN VAN GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN
- Wanneer we gaan spreken van gedrags- en emotionele problemen moet er met een aantal zaken rekening gehouden worden:
o Ontwikkelingsperspectief / leeftijd van het kind
o Continuümgedachte
o Context
o Informant
2.2.1. ONTWIKKELINGSPERSPECTIEF / LEEFTIJD VAN HET KIND
- Weten wanneer gedrag of emoties wel/niet gepast zijn aan de leeftijd.
o Bv. woedebuien en druk gedrag bij een kleuter.
2.2.2. CONTINUÜMGEDACHTE
- De continuümgedachte = er is geen zwart-wit verschil is tussen "normaal gedrag" en "probleemgedrag".
o Het gedrag zelf is in wezen hetzelfde (bijvoorbeeld boos worden, druk doen, verdrietig zijn).
o Het verschil zit in hoe vaak (frequentie), hoe heftig (intensiteit), en hoe lang het aanhoudt (chroniciteit).
- Toegepast op kinderen met gedrags- en emotionele problemen
o Deze kinderen laten dezelfde soort gedragingen en emoties zien als andere kinderen.
o Alleen:
§ Vaker (frequentie) → bv. bijna elke dag boos uitbarsten.
§ Heftiger (intensiteit) → bv. extreem agressief reageren in plaats van kort boos zijn.
§ Langduriger (chroniciteit) → bv. maanden of jaren aanhouden, in plaats van tijdelijk.
§ En vaak in verschillende situaties (thuis, school, bij vrienden), dus niet beperkt tot één context.
Louise Marie Van hoeck 2025-2026 2
,2.2.3. CONTEXT
- Kinderen en jongeren zijn afhankelijk van hun omgeving (thuissituatie, school, manier waarop ze opgevoed worden).
o Gedrag en emoties ontstaan niet los van die omgeving.
- Bekijken van gedrag en emoties van kinderen in de situatie waarin ze zich voordoen.
o Hetzelfde gedrag kan er heel anders uitzien of beoordeeld worden, afhankelijk van de situatie.
§ Een kind dat thuis heel druk is, kan op school rustig zijn.
§ Of een kind dat op school problemen toont, kan thuis nauwelijks opvallend gedrag vertonen.
o Verschilt ook per cultuur.
§ Bv. wij gaan hier spreken vanuit Westerse context (vertrekken vanuit DSM), betekent niet dat heel de wereld op
dezelfde manier denkt over die ontwikkelingsstoornissen. In bepaalde culturen spelen magische invloeden mee
(bv. duivel of kwade kracht in het kind).
- Invloed van setting, activiteiten en pedagogische aanpak
o De plek (klaslokaal, speelplaats, gezin), de activiteiten (groepstaken, sport, vrije tijd) en de pedagogische aanpak (streng,
mild, ondersteunend) beïnvloeden sterk hoe een kind zich gedraagt en voelt.
§ Een veilige, ondersteunende omgeving kan probleemgedrag verminderen.
§ Een stressvolle of onduidelijke omgeving kan probleemgedrag juist versterken.
2.2.4. INFORMANT
- Wie beoordeelt het gedrag van het kind?
o Afhankelijk van wie het verhaal verteld, kan je een ander beeld krijgen.
3. CLASSIFICATIE VAN GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN
- Doel: als hulpverlener een gemeenschappelijke taal gaan gebruiken.
o Bv. verwijzen we naar dezelfde gedragskenmerken wanneer we spreken van aandachtsproblemen?
- 2 soorten classificatiesystemen:
o Klinisch-psychiatrische classificatiesystemen (wij bespreken enkel deze)
o Empirisch-statische classificatiesystemen
- Alternatieve visie: neurodiversiteit
3.1. KLINISCH-PSYCHIATRISCHE CLASSIFICATIESYSTEMEN
- Klinisch-psychiatrische classificatiesystemen = zijn systemen die gebruikt worden om psychische stoornissen te beschrijven en te
ordenen.
- Het bekendste systeem is de DSM-5.
o Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders van de American Psychiatric Association.
o Wat is het? Een groot overzicht (soort catalogus) van alle geestelijke gezondheidsstoornissen die in de westerse wereld
officieel erkend zijn.
o Doel: artsen, psychologen en therapeuten gebruiken het om te bepalen of iemand aan de kenmerken van een bepaalde
stoornis voldoet.
- Stoornissen worden geoperationaliseerd door middel van criteria.
o Elke stoornis in de DSM-5 heeft duidelijke criteria (regels of kenmerken).
o Een kind of jongere moet aan een bepaald aantal van die kenmerken voldoen om de diagnose officieel te krijgen.
§ Bv. bij ADHD staat er precies beschreven hoe vaak en hoe lang bepaalde gedragingen moeten voorkomen.
- Nadelen
o Weinig aandacht voor de context
§ Het systeem kijkt vooral naar de symptomen bij het kind zelf. De invloed van de omgeving (thuis, school,
opvoeding) komt vaak te weinig aan bod.
o Valide voor andere culturen?
§ Het is iets heel westers, vertrekt vanuit anglofaxische culturen. Redelijk Amerikaans, gemaakt door Amerikaanse
psychiaters (heel oude, witte mannen hebben dit boek geschreven).
• Kenmerk Amerikaanse psychiaters: in Amerika worden snel medicijnen voorgeschreven.
§ Het is de vraag of alle omschrijvingen en criteria ook passen bij kinderen en jongeren uit andere culturen.
Louise Marie Van hoeck 2025-2026 3
, 3.2. ALTERNATIEVE VISIE: NEURODIVERSITEIT
- Neurodiversiteitgedachtengoed zet zich af tegen het traditionele begrip van onder meer autisme, ADHD, Tourette en dyslexie als
stoornissen.
o In plaats van deze automatisch als een probleem of ziekte te beschouwen, zegt deze visie: het zijn verschillen in hoe
mensen denken, voelen en communiceren, net zoals er verschillen zijn in huidskleur, lengte of karakter.
- Neurodiversiteit = de grote variatie tussen mensen in hoe ze de wereld beleven en ermee omgaan.
o Dit kan gaan over:
§ Cognitie (denken, leren)
§ Zintuigen (hoe je prikkels waarneemt)
§ Gedrag (hoe je je uit)
§ Emoties (hoe je voelt)
§ Communicatie (hoe je contact maakt)
o Belangrijk: iedereen is neurodivers, want niemand is precies hetzelfde.
- Neurodivergentie = de verschillen die zichtbaar worden als “afwijkend” of “problematisch”, vaak door de context waarin iemand
leeft.
o Soms leidt die variatie tot extra uitdagingen of een zorgbehoefte.
o Dit gebeurt vooral wanneer de maatschappij daar niet goed mee omgaat.
§ Bv. een kind met ADHD kan in een strakke, stille klas veel problemen ervaren, maar in een creatieve, beweeglijke
omgeving juist uitblinken.
3.3. VRAGEN ROND GEPAST TAALGEBRUIK?
- Persoon met autisme of autistisch persoon?
o Een autistisch persoon (identity-first language)
o Een persoon met autisme (person-first language)
- Enkel personen met die diagnose mogen daarop antwoorden wat ze verkiezen omdat het over hen gaat.
o Uit onderzoek blijkt dat ‘autistisch persoon’ vooral in Engelstalige kringen gekozen wordt door mensen met autisme, in
Vlaanderen verkiezen meer mensen ‘een persoon met autisme’.
- Let op voor labels en stigmatisering!
o Elke cliënt en zijn systeem is uniek, dat vereist maatwerk.
4. EPIDEMIOLOGISCH ONDERZOEK NAAR GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN BIJ KINDEREN EN JONGEREN
- Epidemiologisch onderzoek = systematische studie naar:
o Prevalentie (= het voorkomen op een bepaald moment in de tijd)
o Verspreiding in een bepaalde bevolkingsgroep
o Factoren die het voorkomen en de verspreiding beïnvloeden
- Uit onderzoek blijkt:
o Prevalentie van gedrags- en emotionele problemen bij K&J ligt hoog.
o Gedrags- en emotionele problemen hangen nauw samen met:
§ Geslacht
• Prevalentiecijfers bij jongens hoger dan bij meisjes.
§ Leeftijd
• Jongere kinderen laten andere gedragsproblemen zien dan oudere.
o Als je ADHD hebt ga je dat als volwassene ook hebben maar de verschijningsvorm hangt af
van de leeftijd. Op jonge leeftijd lopen ze vaker vast dan volwassenen.
§ SES
• Prevalentie van gedragsproblemen is hoger bij kinderen uit zwakke en sociale milieus.
o Arme mensen hebben veel vaker een kind in het gezin met adhd, autisme, lvb, depressie…
§ Verklaring: problemen bij bevalling & geboorte, geen goede medische verzorging, …
factoren stapelen zich op (meer gevaar bij zwangerschap en geboorte, misschien
niet genoeg voeding ter beschikking thuis, zijn misschien bezig met overleven en
steken meer tijd daar in en daardoor kan er minder tijd over zijn om te gaan
opvoeden).
§ Mensen met minder financiële middelen hebben ook minder toegang tot
hulpverlening.
o Gedragsproblemen van kinderen zijn vrij stabiel.
§ Als je ouder wordt ga je er nog wel last van hebben maar verschijningsvorm verandert.
Louise Marie Van hoeck 2025-2026 4