Hoofdstuk 10: Emoties
1. Inleiding: Ratio versie emotie
17e eeuw (1600)
● Rationalisme
● Descartes
● Emoties dierlijk en hinderlijk voor de mens
18e eeuw (1700)
● Romantische visie
● Rousseau
● Emoties puur natuur, ratio opgelegd door cultuur
19e eeuw (1800)
● Darwinistische visie
● Emoties ten dienste van ratio : overleving
20e eeuw (1900)
● Neurologische en biochemische bevindingen
● LeDoux en Goleman
● Link gevoelsmatig gedag en biologische processen
1.1. Onderscheid tussen emoties, stemming, temperament en gevoelsstoornis
Emoties
Relatief korte duur
Precieze aanleiding (gebeurtenis of gedachte)
Komt in elke cultuur voor, manier van uiten kan verschillen
vb → mop horen, iemand zien vallen = lachen; vb → potje met schimmel = je walgt
Gevoelens
Hebben met je persoon te maken
Niet concrete aanleiding en zetten niet aan tot gedrag
Kan tijdje duren
vb → fluitend de klas binnenkomen, niet wetende waarom maar je voelt je goed
→ je hebt dagen dat het niet gaat, dat je niet weet waarom maar dat het gewoon niet gaat
Stemming
Langer dan emoties
Niet een precieze aanwijsbare oorzaak
vb → vrolijk door vakantie, chagrijnig
Temperament
Geneigdheid om bepaalde emotie of stemming bij zichzelf op te roepen
Felheid van uitvoeren en reageren, het activatieniveau en bereidheid tot interactie
vb. → Kinderen van buren maken lawaai → je springt recht om boos te reageren aan de deur
1
, Gevoelsstoornis
Wijst op afwijking, een ziekte op het gebied van stemming of uiting van emoties
Korte duur, met opstoten, blijvend
Persoon lijdt eronder
vb. → sombere gedachtes, negatieve gedachten, depressie
Herkennen van emoties
Emoties → sterke communicatieve functies
Invloed uitoefenen op medemens
Onbewust van emotie, anderen wel emotie afleiden uit ons gedrag + goed op reageren
Ook bij het verstoppen kan het opvallen
1.2. Van impressie tot expressie
Emoties → psychologische reacties op gebeurtenis met betekenis voor de belangen van persoon
Deze reacties → uiten zich via gedrag, fysiologische voorbereiding van gedrag en subjectieve
beleving
Emotie → 3 elementen
Stimulus
Aanleiding = indrukken / impressies = een gebeurtenis die van betekenis is
Oordeel
Iets gebeurt in de persoon = verhoogde activiteit = psychologische reactie + fysiologische
voorbereiding op gedrag
Fysiologische / biologische processen = zweten, verhoogde hartslag
Psychologische processen = cognitief, affectief, conatief
Reactie
Reactie is merkbaar in het gedrag = uitdrukking / expressie
Emotie = reactie op stimulus → oordeel van stimulus → fysiologische opwinding + gedachten →
bepaald gevoel en gedrag
Primaire / basisemoties
Vreugde, verdriet, angst, woede, verbazing, afschuw, verwachting, vertrouwen
automatisch en onbewust door prikkels uit buitenwereld
Secundaire emoties
boosheid, stress, ongerustheid
bewustere beleving = gevoelens = sterker afhankelijk van omgevingsinvloeden en cultuur
Binnen emotie → vooral expressie, de uitdrukking na impressie, waargenomen deel
Na deze impressies → acties in lichaam = psychologische en fysiologische acties
2
1. Inleiding: Ratio versie emotie
17e eeuw (1600)
● Rationalisme
● Descartes
● Emoties dierlijk en hinderlijk voor de mens
18e eeuw (1700)
● Romantische visie
● Rousseau
● Emoties puur natuur, ratio opgelegd door cultuur
19e eeuw (1800)
● Darwinistische visie
● Emoties ten dienste van ratio : overleving
20e eeuw (1900)
● Neurologische en biochemische bevindingen
● LeDoux en Goleman
● Link gevoelsmatig gedag en biologische processen
1.1. Onderscheid tussen emoties, stemming, temperament en gevoelsstoornis
Emoties
Relatief korte duur
Precieze aanleiding (gebeurtenis of gedachte)
Komt in elke cultuur voor, manier van uiten kan verschillen
vb → mop horen, iemand zien vallen = lachen; vb → potje met schimmel = je walgt
Gevoelens
Hebben met je persoon te maken
Niet concrete aanleiding en zetten niet aan tot gedrag
Kan tijdje duren
vb → fluitend de klas binnenkomen, niet wetende waarom maar je voelt je goed
→ je hebt dagen dat het niet gaat, dat je niet weet waarom maar dat het gewoon niet gaat
Stemming
Langer dan emoties
Niet een precieze aanwijsbare oorzaak
vb → vrolijk door vakantie, chagrijnig
Temperament
Geneigdheid om bepaalde emotie of stemming bij zichzelf op te roepen
Felheid van uitvoeren en reageren, het activatieniveau en bereidheid tot interactie
vb. → Kinderen van buren maken lawaai → je springt recht om boos te reageren aan de deur
1
, Gevoelsstoornis
Wijst op afwijking, een ziekte op het gebied van stemming of uiting van emoties
Korte duur, met opstoten, blijvend
Persoon lijdt eronder
vb. → sombere gedachtes, negatieve gedachten, depressie
Herkennen van emoties
Emoties → sterke communicatieve functies
Invloed uitoefenen op medemens
Onbewust van emotie, anderen wel emotie afleiden uit ons gedrag + goed op reageren
Ook bij het verstoppen kan het opvallen
1.2. Van impressie tot expressie
Emoties → psychologische reacties op gebeurtenis met betekenis voor de belangen van persoon
Deze reacties → uiten zich via gedrag, fysiologische voorbereiding van gedrag en subjectieve
beleving
Emotie → 3 elementen
Stimulus
Aanleiding = indrukken / impressies = een gebeurtenis die van betekenis is
Oordeel
Iets gebeurt in de persoon = verhoogde activiteit = psychologische reactie + fysiologische
voorbereiding op gedrag
Fysiologische / biologische processen = zweten, verhoogde hartslag
Psychologische processen = cognitief, affectief, conatief
Reactie
Reactie is merkbaar in het gedrag = uitdrukking / expressie
Emotie = reactie op stimulus → oordeel van stimulus → fysiologische opwinding + gedachten →
bepaald gevoel en gedrag
Primaire / basisemoties
Vreugde, verdriet, angst, woede, verbazing, afschuw, verwachting, vertrouwen
automatisch en onbewust door prikkels uit buitenwereld
Secundaire emoties
boosheid, stress, ongerustheid
bewustere beleving = gevoelens = sterker afhankelijk van omgevingsinvloeden en cultuur
Binnen emotie → vooral expressie, de uitdrukking na impressie, waargenomen deel
Na deze impressies → acties in lichaam = psychologische en fysiologische acties
2