Hoofdstuk 11
Studie en beroep
1. Een beroep kan je kiezen
1.1. Doen wat je graag doet
Interesse = Een blijvende tendens om aandacht te schenken aan en plezier te hebben in een activiteit of een
inhoud. Motiverende kracht
Behoefte = Een bewust gemis of verlangen naar wat ontbreekt.
Waarde = Wat je belangrijk vindt.
Interesses ≠ behoeften en waarden
1.1.1. Enkele theorieën
A. De beroepskeuzetheorie van Ginzberg
Vroeg ontwikkelen van interesses
Proces ontwikkeling doorheen aantal stadia
● Het fantasiestadium
○ Tot ± 11 jaar
○ Fantasie over toekomstig werk
● Het tentatief stadium
○ 11 - 12 jaar = interesse
■ Belangrijk aspect voor persoonlijkheid
■ Wat ze leuk vinden
○ 13 - 14 jaar = capaciteiten
■ Wat ze goed kunnen
○ 15 - 16 jaar = Waarden
■ Wat ze belangrijk vinden
● Het realistisch stadium
○ Vanaf 17 jaar
○ Wat is er mogelijk?
○ Combinatie tentatief stadium
B. De beroepskeuzetheorie van Donald Super
● Eerst interesse, daarna analyse capaciteiten
● Zelfconcept + Zelfbeeld
○ Belangrijke rol bij beroepskeuze
● Beroepskeuzerijpheid
○ Bereikte plaats op continuüm vd beroepskeuze ontwikkeling vanaf verkenningsfase tot
slotfase
● Nieuwsgierigheid
○ Leidt tot exploratieve (verkennende) activiteiten
○ Interesses ontwikkelen door die activiteiten (betere ervaringen)
● Ontwikkelingsfase
○ Groei
○ Exploratie
○ Vestiging
○ Onderhoud
○ Achteruitgang
C. De beroepskeuzetheorie van Anne Roe
● Beïnvloedende factoren
○ Ervaring
○ Interacties met ouders
○ Persoonlijkheid
○ Overtuigingen en waarden
1
, ○ Omgeving
● Relatie met ouders
○ Kinderen accepteren
■ Warme sfeer
■ Met mensen willen werken
○ Kinderen ontwijken
■ Koude sfeer
■ Met dingen of gegevens willen werken
● 8 sectoren
○ Warm
■ Diensten, Zakelijke contacten
○ Eerder warm
■ Cultuur, Kunst en vermaak
○ Eerder koud
■ Organisatie, Technologie
○ Koud
■ Buitenberoepen, Wetenschap
D. De beroepskeuzetheorie van Holland
E. Gottfredson
Keuze beroep = psychologische en sociale factoren
● Jonge kind
○ 6 tot 8 jaar
○ Leert aanvaardbare jongens / meisjes rollen
○ Niet overeenkomstige, natuurlijke neigingen
■ Dokter is man, Verpleegster is vrouw
○ Speelgoed
● Kind
○ 9 tot 13 jaar
○ Sociale klasse + intelligentie spelen een rol
○ Inkomen, levensstijl, opleiding, …
○ Invloed peers
■ Ouder = chirurg → fastfoodmedewerker ≠ oké
● Puber
○ Vanaf 14 jaar
○ Zoeken naar rollen die verenigbaar zijn met persoonlijke, psychologische zelf
○ Idealistisch beeld vervangen door realistisch beeld
■ Op basis van toegankelijke opties in overeenstemming met wie we denken dat
we zijn.
○ Eigen capaciteit en waarden
● Compromis
○ Gewenste rol niet beschikbaar
■ Compromis prestige in plaats van genderrol
● Wil kapper maar gaat niet → schoonheidsspecialist
● Conclusie
○ Ontwikkelingsproces
■ 6 tot 14 jaar
■ Inperking keuzeveld
■ Keuzeproces is onomkeerbaar
F. De theorie van het sociaal leren
● De driehoek van Bandura
2
Studie en beroep
1. Een beroep kan je kiezen
1.1. Doen wat je graag doet
Interesse = Een blijvende tendens om aandacht te schenken aan en plezier te hebben in een activiteit of een
inhoud. Motiverende kracht
Behoefte = Een bewust gemis of verlangen naar wat ontbreekt.
Waarde = Wat je belangrijk vindt.
Interesses ≠ behoeften en waarden
1.1.1. Enkele theorieën
A. De beroepskeuzetheorie van Ginzberg
Vroeg ontwikkelen van interesses
Proces ontwikkeling doorheen aantal stadia
● Het fantasiestadium
○ Tot ± 11 jaar
○ Fantasie over toekomstig werk
● Het tentatief stadium
○ 11 - 12 jaar = interesse
■ Belangrijk aspect voor persoonlijkheid
■ Wat ze leuk vinden
○ 13 - 14 jaar = capaciteiten
■ Wat ze goed kunnen
○ 15 - 16 jaar = Waarden
■ Wat ze belangrijk vinden
● Het realistisch stadium
○ Vanaf 17 jaar
○ Wat is er mogelijk?
○ Combinatie tentatief stadium
B. De beroepskeuzetheorie van Donald Super
● Eerst interesse, daarna analyse capaciteiten
● Zelfconcept + Zelfbeeld
○ Belangrijke rol bij beroepskeuze
● Beroepskeuzerijpheid
○ Bereikte plaats op continuüm vd beroepskeuze ontwikkeling vanaf verkenningsfase tot
slotfase
● Nieuwsgierigheid
○ Leidt tot exploratieve (verkennende) activiteiten
○ Interesses ontwikkelen door die activiteiten (betere ervaringen)
● Ontwikkelingsfase
○ Groei
○ Exploratie
○ Vestiging
○ Onderhoud
○ Achteruitgang
C. De beroepskeuzetheorie van Anne Roe
● Beïnvloedende factoren
○ Ervaring
○ Interacties met ouders
○ Persoonlijkheid
○ Overtuigingen en waarden
1
, ○ Omgeving
● Relatie met ouders
○ Kinderen accepteren
■ Warme sfeer
■ Met mensen willen werken
○ Kinderen ontwijken
■ Koude sfeer
■ Met dingen of gegevens willen werken
● 8 sectoren
○ Warm
■ Diensten, Zakelijke contacten
○ Eerder warm
■ Cultuur, Kunst en vermaak
○ Eerder koud
■ Organisatie, Technologie
○ Koud
■ Buitenberoepen, Wetenschap
D. De beroepskeuzetheorie van Holland
E. Gottfredson
Keuze beroep = psychologische en sociale factoren
● Jonge kind
○ 6 tot 8 jaar
○ Leert aanvaardbare jongens / meisjes rollen
○ Niet overeenkomstige, natuurlijke neigingen
■ Dokter is man, Verpleegster is vrouw
○ Speelgoed
● Kind
○ 9 tot 13 jaar
○ Sociale klasse + intelligentie spelen een rol
○ Inkomen, levensstijl, opleiding, …
○ Invloed peers
■ Ouder = chirurg → fastfoodmedewerker ≠ oké
● Puber
○ Vanaf 14 jaar
○ Zoeken naar rollen die verenigbaar zijn met persoonlijke, psychologische zelf
○ Idealistisch beeld vervangen door realistisch beeld
■ Op basis van toegankelijke opties in overeenstemming met wie we denken dat
we zijn.
○ Eigen capaciteit en waarden
● Compromis
○ Gewenste rol niet beschikbaar
■ Compromis prestige in plaats van genderrol
● Wil kapper maar gaat niet → schoonheidsspecialist
● Conclusie
○ Ontwikkelingsproces
■ 6 tot 14 jaar
■ Inperking keuzeveld
■ Keuzeproces is onomkeerbaar
F. De theorie van het sociaal leren
● De driehoek van Bandura
2