Hoofdstuk 8
Macht
1. De kracht van macht
4 Bestanddelen
● De macht moet bedoelde en voorziene effecten hebben
○ machthebber heeft de bedoeling machtssubject iets te laten doen
● Macht moet effectief zijn
○ machthebber probeert macht uit te oefenen op machtssubject
○ zonder bedoelde effect = geen macht
● Macht is ook het vermogen tot macht hebben
○ machthebber moet voldoende machtsbronnen beschikken
● Machtsrelaties zijn asymmetrisch
○ machtshebber (boven-) overheerst machtssubject (onderschikking)
Max Weber → macht is de kans dat individu of groep binnen een sociale verhouding zijn wil kan doorzetten
1.1. Gezag en autoriteit
Vorm van macht waarbij de ondergeschikten zich onderwerpen omdat ze als legitiem ervaren. Gezag is
duurzamer dan macht.
● Charismatisch gezag
○ Gebaseerd op adoratie of bewondering van ondergeschikten voor leider
○ Buitengewone eigenschappen toegeschreven aan leider
○ Leiders spelen in op deze gevoelens van bewondering en ontzag
○ → Sturen zo het gedrag van volgelingen te sturen + enthousiast maken voor hun visie
○ Nelson Mandela, Moeder Teresa, Martin Luther King
● Traditioneel gezag
○ Afkomst van de leider
○ Geloof van ondergeschikten in de juistheid van gevestigde gewoontes en tradities
○ Leider verwacht gehoorzaamheid door sociale positie
○ Sociale positie = geërfd
○ monarch, familievader, familiebedrijf
● Rationeel - legaal gezag
○ Aanvaarden van onpersoonlijke regels
○ Regels = verbonden aan een verworven sociale positie
○ rechters, politiemannen
2. Vormen van beïnvloeding
2.1. Ongelijkheid en dominantie
Bekeken vanuit sociale relaties
Initiatiefrecht en volgplicht → bovenschikkking (leiden) en onderschikking (volgen)
Leidinggevende is afhankelijk van volgeling → geen boven- zonder onderschikking
Omgekeerd ook
Dominantiehiërarchie brengt orde in de samenleving
2.2. Vormen van beïnvloeding
2.2.1. Vanzelfsprekende macht
Gewoonten die aangeleerd werden tijdens socialisatieproces
Machtsbeïnvloeding wordt niet in vraag gesteld
vb.: ouders, de kerk, …
1
Macht
1. De kracht van macht
4 Bestanddelen
● De macht moet bedoelde en voorziene effecten hebben
○ machthebber heeft de bedoeling machtssubject iets te laten doen
● Macht moet effectief zijn
○ machthebber probeert macht uit te oefenen op machtssubject
○ zonder bedoelde effect = geen macht
● Macht is ook het vermogen tot macht hebben
○ machthebber moet voldoende machtsbronnen beschikken
● Machtsrelaties zijn asymmetrisch
○ machtshebber (boven-) overheerst machtssubject (onderschikking)
Max Weber → macht is de kans dat individu of groep binnen een sociale verhouding zijn wil kan doorzetten
1.1. Gezag en autoriteit
Vorm van macht waarbij de ondergeschikten zich onderwerpen omdat ze als legitiem ervaren. Gezag is
duurzamer dan macht.
● Charismatisch gezag
○ Gebaseerd op adoratie of bewondering van ondergeschikten voor leider
○ Buitengewone eigenschappen toegeschreven aan leider
○ Leiders spelen in op deze gevoelens van bewondering en ontzag
○ → Sturen zo het gedrag van volgelingen te sturen + enthousiast maken voor hun visie
○ Nelson Mandela, Moeder Teresa, Martin Luther King
● Traditioneel gezag
○ Afkomst van de leider
○ Geloof van ondergeschikten in de juistheid van gevestigde gewoontes en tradities
○ Leider verwacht gehoorzaamheid door sociale positie
○ Sociale positie = geërfd
○ monarch, familievader, familiebedrijf
● Rationeel - legaal gezag
○ Aanvaarden van onpersoonlijke regels
○ Regels = verbonden aan een verworven sociale positie
○ rechters, politiemannen
2. Vormen van beïnvloeding
2.1. Ongelijkheid en dominantie
Bekeken vanuit sociale relaties
Initiatiefrecht en volgplicht → bovenschikkking (leiden) en onderschikking (volgen)
Leidinggevende is afhankelijk van volgeling → geen boven- zonder onderschikking
Omgekeerd ook
Dominantiehiërarchie brengt orde in de samenleving
2.2. Vormen van beïnvloeding
2.2.1. Vanzelfsprekende macht
Gewoonten die aangeleerd werden tijdens socialisatieproces
Machtsbeïnvloeding wordt niet in vraag gesteld
vb.: ouders, de kerk, …
1