Schoolpsychologie en pedagogische psychologie
TP2/ SEM 1- Fleur Verdonck
Leerstof: Thomas more Antwerpen – toegepaste psychologie
1
,Inhoud:
Les samenvattingen:
• LES 1: kinderen en jongeren met gedrag & emotionele problemen
• LES 2: ADHD (deel 1)
• LES 3: ADHD (deel 2)
• LES 4: Kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking
• LES 5: Agressie en gedragsproblemen (deel 1)
• LES 6: Agressie en gedragsproblemen (deel 2)
• LES 7: Sociaal- Emotionele ontwikkeling (SEO) - Ontwikkeling dynamisch model
• LES 8: Kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis (ASS) (deel 1)
• LES 9: ASS (deel 2)
- herfstvakantie
• LES 10: Ontwikkeling van cognitief talent.
• LES 11: Integrale jeugdhulp (deel 1)
• LES 12: Integrale jeugdhulp (deel 2)
• LES 13: Stemmingsstoornissen, depressie, suïcide en suïcidepreventie bij
kinderen en jongeren (deel 1)
• LES 14: Stemmingsstoornissen, depressie, suïcide en suïcidepreventie bij
kinderen en jongeren (deel 2)
• LES 15: Sociale relaties tussen kinderen en pesten
• LES 16: Faalangst
• LES 17: Lezen, spelling en dyslexie
• LES 18: Rekenen en dyscalculie
• LES 19: DCD + taalstoornissen
• LES 20: kader leerlingenbegeleiding
Extra’s:
• Voorbeeld examenvragen uit de ppt’s
• Proefexamen
• Verbetersleutel proefexamen
2
,LES 1: kinderen en jongeren met gedrag & emotionele problemen
Wat zijn gedrags- en emotionele problemen?
2.1. Terminologie:
• Gedrags- en emotionele problemen = alle kinderen die zich zichtbaar ongewoon
of abnormaal gedragen of die zichtbaar ongewone of abnormale reacties
vertonen, en dat afgezien van de ernst, de oorzaak of de context van het gedrag of
de emotie
Deze cursus: eerder ernstige problemen =>
Problemen worden ernstig wanneer ze langdurig of blijvend worden, in combinatie
voorkomen met andere problemen en/of een ernstig lijden tot gevolg hebben bij het
kind en/of de directe omgeving
2.2. Aandachtspunten bij het definiëren van gedrags- en emotionele problemen:
• Ontwikkelingsperspectief => Weten wanneer gedrag of emoties wel/niet
aangepast zijn aan de leeftijd (Vb. woedebuien en druk gedrag bij een kleuter)
• Continuümgedachte => Geen kwalitatief verschil in gedrag, maar wel verschil in
ernst, intensiteit en chroniciteit. Kinderen met gedrags- en emotionele
problemen vertonen deze gedragingen frequenter, intenser, langduriger en in
verschillende situaties.
• Context = Bekijken van gedrag en emoties van kinderen in de situatie waarin ze
zich voordoen. De setting, activiteiten en de pedagogische aanpak hebben een
grote impact op het gedrag van een kind
• Informant = Wie beoordeelt het gedrag van het kind? Afhankelijk van wie het
verhaal brengt kan je een ander beeld krijgen van het kind.
=>Kinderen dus niet teveel in hokjes steken! Kijk naar hun context!
=> Rekening houden met andere soorten aanpak, wij hebben een heel westerse aanpak
(volgens DSM5), kan in andere culturen dus anders zijn.
Classificatie van emotionele- en gedragsproblemen:
Doel= gemeenschappelijke taal (Vb. verwijzen we naar dezelfde gedragskenmerken
wanneer we spreken van aandachtsproblemen?)
=> voor dit deel van de cursus gebruik van DSM5, alleen gedeelte over neurobiologische
ontwikkeling, stoornissen beschreven aan de hand van criteria.
3
, Twee soorten classificatiesystemen:
3.1. Klinisch-psychiatrische classificatiesystemen
3.2. Empirisch-statische classificatiesystemen (niet kennen in reader)
Neurodiversiteit: iedereen heeft een andere manier van denken en van
hersenactiviteiten, mensen met ADHD hebben dus ook gewoon een andere manier van
denken.
=> probleem is dus = Vanaf dat de maatschappij onvoldoende aangepast is om
met een kind of jongeren om te gaan.
-> Met dit inzicht leg je het probleem bij de maatscha^^ij en niet bij het kind of de
jongere in kwestie.
3.1. Klinisch-psychiatrische classificatiesystemen:
• Deze cursus: DSM-5 = Diagnostic and statistical manual of Mental
Disorders of the Amercian Psychiatric Association
• Overzicht van alle in de westerse wereld erkende klinische geestelijke
gezondheidsstoornissen en andere aandoeningen die een reden voor zorg
kunnen zijn
• Stoornissen worden geoperationaliseerd door middel van criteria
Nadelen:
➢ Soms te veel los gezien van omgeving en context van het kind
➢ Valide voor andere culturen?
Alternatieve visie = neurodiversiteit.
• Neurodiversiteitgedachtengoed zet zich af tegen het traditionele begrip van onder
meer autisme, ADHD, Tourette en dyslexie als stoornissen.
• Neurodiversiteit = grote verscheidenheid onder mensen wat betreft cognitieve,
zintuiglijke, gedragsmatige, emotionele en communicatieve manieren om de
wereld te ervaren en om met de wereld te interageren.
• Iedereen is dus neurodivers, want geen enkele mens is hetzelfde.
• Neurodivergentie = wanneer die variatie tot een zorgbehoefte leidt binnen een
nadelige maatschappelijke context
=> neurodiversiteit = dus, iedereen heeft een andere manier van hersenactiviteiten
mensen met ADHD hebben dus ook gewoon een andere manier van denken.
-> probleem is dus: vanaf dat de maatschappij onvoldoende aangepast is om met het
kind of de jongere om te gaan.
Zo leeg je het probleem bij de maatschappij en dus niet bij het kind.
Vragen rond gepast taalgebruik?
4
TP2/ SEM 1- Fleur Verdonck
Leerstof: Thomas more Antwerpen – toegepaste psychologie
1
,Inhoud:
Les samenvattingen:
• LES 1: kinderen en jongeren met gedrag & emotionele problemen
• LES 2: ADHD (deel 1)
• LES 3: ADHD (deel 2)
• LES 4: Kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking
• LES 5: Agressie en gedragsproblemen (deel 1)
• LES 6: Agressie en gedragsproblemen (deel 2)
• LES 7: Sociaal- Emotionele ontwikkeling (SEO) - Ontwikkeling dynamisch model
• LES 8: Kinderen en jongeren met autismespectrumstoornis (ASS) (deel 1)
• LES 9: ASS (deel 2)
- herfstvakantie
• LES 10: Ontwikkeling van cognitief talent.
• LES 11: Integrale jeugdhulp (deel 1)
• LES 12: Integrale jeugdhulp (deel 2)
• LES 13: Stemmingsstoornissen, depressie, suïcide en suïcidepreventie bij
kinderen en jongeren (deel 1)
• LES 14: Stemmingsstoornissen, depressie, suïcide en suïcidepreventie bij
kinderen en jongeren (deel 2)
• LES 15: Sociale relaties tussen kinderen en pesten
• LES 16: Faalangst
• LES 17: Lezen, spelling en dyslexie
• LES 18: Rekenen en dyscalculie
• LES 19: DCD + taalstoornissen
• LES 20: kader leerlingenbegeleiding
Extra’s:
• Voorbeeld examenvragen uit de ppt’s
• Proefexamen
• Verbetersleutel proefexamen
2
,LES 1: kinderen en jongeren met gedrag & emotionele problemen
Wat zijn gedrags- en emotionele problemen?
2.1. Terminologie:
• Gedrags- en emotionele problemen = alle kinderen die zich zichtbaar ongewoon
of abnormaal gedragen of die zichtbaar ongewone of abnormale reacties
vertonen, en dat afgezien van de ernst, de oorzaak of de context van het gedrag of
de emotie
Deze cursus: eerder ernstige problemen =>
Problemen worden ernstig wanneer ze langdurig of blijvend worden, in combinatie
voorkomen met andere problemen en/of een ernstig lijden tot gevolg hebben bij het
kind en/of de directe omgeving
2.2. Aandachtspunten bij het definiëren van gedrags- en emotionele problemen:
• Ontwikkelingsperspectief => Weten wanneer gedrag of emoties wel/niet
aangepast zijn aan de leeftijd (Vb. woedebuien en druk gedrag bij een kleuter)
• Continuümgedachte => Geen kwalitatief verschil in gedrag, maar wel verschil in
ernst, intensiteit en chroniciteit. Kinderen met gedrags- en emotionele
problemen vertonen deze gedragingen frequenter, intenser, langduriger en in
verschillende situaties.
• Context = Bekijken van gedrag en emoties van kinderen in de situatie waarin ze
zich voordoen. De setting, activiteiten en de pedagogische aanpak hebben een
grote impact op het gedrag van een kind
• Informant = Wie beoordeelt het gedrag van het kind? Afhankelijk van wie het
verhaal brengt kan je een ander beeld krijgen van het kind.
=>Kinderen dus niet teveel in hokjes steken! Kijk naar hun context!
=> Rekening houden met andere soorten aanpak, wij hebben een heel westerse aanpak
(volgens DSM5), kan in andere culturen dus anders zijn.
Classificatie van emotionele- en gedragsproblemen:
Doel= gemeenschappelijke taal (Vb. verwijzen we naar dezelfde gedragskenmerken
wanneer we spreken van aandachtsproblemen?)
=> voor dit deel van de cursus gebruik van DSM5, alleen gedeelte over neurobiologische
ontwikkeling, stoornissen beschreven aan de hand van criteria.
3
, Twee soorten classificatiesystemen:
3.1. Klinisch-psychiatrische classificatiesystemen
3.2. Empirisch-statische classificatiesystemen (niet kennen in reader)
Neurodiversiteit: iedereen heeft een andere manier van denken en van
hersenactiviteiten, mensen met ADHD hebben dus ook gewoon een andere manier van
denken.
=> probleem is dus = Vanaf dat de maatschappij onvoldoende aangepast is om
met een kind of jongeren om te gaan.
-> Met dit inzicht leg je het probleem bij de maatscha^^ij en niet bij het kind of de
jongere in kwestie.
3.1. Klinisch-psychiatrische classificatiesystemen:
• Deze cursus: DSM-5 = Diagnostic and statistical manual of Mental
Disorders of the Amercian Psychiatric Association
• Overzicht van alle in de westerse wereld erkende klinische geestelijke
gezondheidsstoornissen en andere aandoeningen die een reden voor zorg
kunnen zijn
• Stoornissen worden geoperationaliseerd door middel van criteria
Nadelen:
➢ Soms te veel los gezien van omgeving en context van het kind
➢ Valide voor andere culturen?
Alternatieve visie = neurodiversiteit.
• Neurodiversiteitgedachtengoed zet zich af tegen het traditionele begrip van onder
meer autisme, ADHD, Tourette en dyslexie als stoornissen.
• Neurodiversiteit = grote verscheidenheid onder mensen wat betreft cognitieve,
zintuiglijke, gedragsmatige, emotionele en communicatieve manieren om de
wereld te ervaren en om met de wereld te interageren.
• Iedereen is dus neurodivers, want geen enkele mens is hetzelfde.
• Neurodivergentie = wanneer die variatie tot een zorgbehoefte leidt binnen een
nadelige maatschappelijke context
=> neurodiversiteit = dus, iedereen heeft een andere manier van hersenactiviteiten
mensen met ADHD hebben dus ook gewoon een andere manier van denken.
-> probleem is dus: vanaf dat de maatschappij onvoldoende aangepast is om met het
kind of de jongere om te gaan.
Zo leeg je het probleem bij de maatschappij en dus niet bij het kind.
Vragen rond gepast taalgebruik?
4