Leerplandoelstellingen
Aan het einde van H8 kun je:
Beschrijven welke lichamelijke veranderingen kinderen in de peuter- en kleuterjaren doormaken.
Samenvatten hoe de hersenen van kinderen in de peuter- en kleuterjaren veranderen.
Uitleggen hoe groei van de hersenen van invloed is op cognitieve en zintuiglijke ontwikkeling.
Uitleggen hoe de grove en fijne motoriek zich in de peuter- en kleuterjaren ontwikkelen.
Factoren noemen die bepalen of een kind aan zindelijkheidstraining toe is.
Illustreren hoe links- of rechtshandigheid en tekenvaardigheden zich in de peuter- en kleuterjaren
ontwikkelen.
Aan het einde van H9 kun je:
Piagets theorie over cognitieve ontwikkeling tijdens de peuter- en kleuterjaren schetsen.
De informatieverwerkingsbenaderingen van cognitieve ontwikkeling tijdens de peuter- en kleuterjaren
samenvatten.
Beschrijven hoe het taalvermogen zich tijdens de peuter- en kleuterjaren ontwikkelt.
Het belang van het voorlezen van peuters en kleuters beargumenteren.
Effecten van tv en digitale media op peuters en kleuters en enkele daaruit voortvloeiende tips voor
mediaopvang benoemen.
Aan het einde van H10 kun je:
Uitleggen hoe peuters en kleuters een zelfbeeld ontwikkelen.
Toelichten hoe genderverschillen zich manifesteren tijdens spel.
Beschrijven hoe genderverwachtingen ontstaan en hoe deze zich uiten.
Uitleggen hoe geboortevolgorde invloed kan hebben op persoonlijkheidsontwikkeling.
De sociale relaties en spelletjes waaraan peuters en kleuters deelnemen beschrijven.
Toelichten hoe peuters en kleuters een theory of mind ontwikkelen.
Beschrijven welke opvoedingsstijlen ouders hanteren en wat de effecten daarvan op hun kinderen kunnen
zijn.
Verschillende benaderingen van de morele ontwikkeling bij kinderen vergelijken.
Uitleggen hoe externaliserend gedrag zich bij peuters en kleuters ontwikkelt.
H8) De fysieke ontwikkeling in de peuter- en
kleutertijd (p243-269)
2
,8.1) Fysieke groei
8.1.1) Het groeiende lichaam
HT
GEWIC
Individuele verschillen in lengte en gewicht
Achter gemiddelden schuilen grote verschillen: sommige 6- jarigen zijn langer / korter
dan gem.
De verschillen tussen jongens en meisjes nemen toe rond 6 jaar zijn jongens gem langer en
zwaarder.
Kinderen in ontwikkelde landen groeien sterker dan kinderen in ontwikkelingslanden.
Binnen landen spelen economische omstandigheden mee: kinderen uit armere gezinnen zijn vaak
kleiner.
Veranderingen in lichaamsvorm en -verhoudingen
Tussen 2 en 6 jaar verliezen kinderen hun mollige vormen en worden ze slanker.
TE
LENG
Armen en benen worden langer en de lichaamsverhoudingen gaan lijken op die v
volwassenen.
Inwendig sterker doordat spieren, botten en zintuigen zich verder ontwikkelen.
Peuter mollige, ronde vormen
Kleuter slanker, meer spieren, stevigere botten
8.1.2) De groeiende hersenen
De hersenen groeien het snelst v alle lichaamsdelen. Op 2-jarige leeftijd hebben ze al 3/4 vd grootte v
volwassen hersenen op 5-jarige leeftijd ongeveer 90 procent.
Snelle groei komt door meer verbindingen tussen cellen, toename v myeline (= beschermende isolatielaag
rond onderdelen v neuronen, waardoor overdracht v zenuwsignalen door hersencellen versnelt + gewicht hersenen toeneemt)
en de ontw v complexe cognitieve en motorische vaardigheden.
Eind kleutertijd bepaalde hersendelen sterk gegroeid, bv corpus callosum (bundel zenuwvezels die 2
hersenhelften verbindt) dat dikker wordt en vezels ontw die de samenwerking tussen de hersenhelften
verbeteren.
Lateralisatie (proces waarbij bepaalde functies hun plek in een bepaalde hersenhelft vinden)
Tijdens de kleuterjaren worden de hersenhelften steeds gespecialiseerder.
De linkerhersenhelft richt zich vooral op verbale taken, rechterhersenhelft op non-verbale taken.
De linkerhersenhelft verwerkt informatie sequentieel (1 stukje info tegelijk) , de rechterhersenhelft
globaler (als 1 geheel).
Beide hersenhelften werken samen + kunnen elkaars functies deels overnemen.
De hersenen zijn in de peuter- en kleutertijd zeer plastisch: bij schade kan de andere hersenhelft
functies overnemen en (deels) herstellen.
Individuele verschillen: bij veel linkshandige / 2handige mensen is taal bv in de rechterhersenhelft
gevestigd of is er geen duidelijk taalcentrum.
8.1.3) Het verband tussen groei van de hersenen en cognitieve ontwikkeling
2
, In de kindertijd treden perioden op waarin de hersenen
ongebruikelijke groeispurts doormaken, gekoppeld aan
cognitieve vooruitgang. 18 - 24 maanden spurts in
een fase waarin taalvaardigheid snel toeneemt.
De toename v myeline hangt mogelijk samen met
groeiende cognitieve vaardigheden:
o Myelinetoename in hersengebieden voor
aandacht en concentratie is rond 5 jaar
voltooid kan langere concentratieboog van
kleuters verklaren.
o Meer myeline in hersengebieden voor
herinnering kan bijdragen aan verbeterd
geheugen in de kleuterjaren.
Het blijft onduidelijk of hersenontw cognitieve
vooruitgang veroorzaakt, of dat verbeterde cognitieve
vaardigheden verdere hersenontw stimuleren.
8.1.4) De ontwikkeling van de zintuigen
Door de hersenontw rijpen de zintuigen verder.
Het gezichtsvermogen verbetert: rond 6 jaar kunnen ze beter scherpstellen, maar nog niet
zoals volwassenen.
Kleuters zien samengestelde figuren vooral als losse onderdelen. Pas rond 7 à 8 jaar herkennen ze
zowel het geheel als de delen = perceptuele schematisering (geheel en delen onderscheiden)
Gehoor wordt scherper kleuters hebben nog moeite om geluiden te onderscheiden v achtergrond-
geluiden, waardoor ze snel afgeleid kunnen zijn.
8.2) Motorische ontwikkeling
8.2.1) De grove motoriek
Activiteitsniveau
Peuter: vlot leren stappen en lopen, stabiliteit onder de knie krijgen, automatische bewegingen
Vooruitgang in grove motoriek hangt samen met hersenontw en myelinevorming in gebieden voor
evenwichtsbeheersing en coördinatie. Kinderen oefenen veel motorische vaardigheden verbeteren
snel. + spiercontrole (kleuter)
Activiteitniveau ligt zeer hoog: 3-jarigen zijn actiever dan in elke andere fase vh leven. (peuter)
Individuele verschillen, deels door aangeboren temperament. Genen spelen een belangrijke rol.
Ook omgevingsfactoren, zoals opvoeding en culturele opvattingen, beïnvloeden hoe actief een
kind wordt.
Ondanks verschillen peuter- en kleutertijd voor de meeste kinderen actiefste periode vh leven.
2