1 – het ontstaan van de industriële samenleving
Gaat om een langdurig proces dat in Europa begon en ook ging om de landbouw en dienstensector.
Industriële samenleving = waarin de meeste goederen in fabrieken worden gemaakt en waarin de
meeste mensen in steden wonen.
Industrialisatie = als een agrarische samenleving door het toenemen van het aantal industrieën
verandert in een industriële samenleving.
2 ~ Veranderingen in het gebruik van arbeid
e
Vanaf laat in de 18 eeuw gingen machines steeds meer arbeid overnemen. Er kwam steeds meer
arbeidsverdeling. (massaproductie)
3 ~ Veranderingen in het gebruik van de natuur
Stoom, verbranding van olie en gassen, elektriciteit werden een energiebron in de 18 e eeuw. Siemens
– dynamo, edison – gloeilamp, Philips – massafabricage van gloeilampen.
Olie kon gebruikt worden als brandstof voor motoren of als grondstof waaruit andere producten
werden gemaakt rond 1900.
4 ~ Veranderingen in het gebruik van de techniek
Vanaf 19e eeuw communicatie door de telegraaf, de telefoon en de draadloze telegrafie.
Bell en Edison en Cros – grammofoon
Marconi – draadloze telegrafie
Het vervoer ging sneller en omvangrijker door de uitvinding van spoorwegen, stoomboten, auto’s en
later vliegtuigen. Stoomboten konden vervoer van zware en omvangrijke goederen over grote
afstanden mogelijk maken en meer contact tussen de werelddelen realiseren.
Eind 19e eeuw werd de benzinemotor ontwikkeld.
5 ~ verandering in het kapitalisme: van handelskapitalisme naar industrieel kapitalisme
1. Fabrieken en mijnen worden de belangrijkste bedrijven.
De huisnijverheid verdween en fabrieken kwamen er voor terug. Fabrieken hadden
grondstoffen nodig stijging belang van mijnbouw.
2. De productie komt in handen van fabrikanten en grootindustriëlen.
Grootindustriëlen = ondernemers kwamen onder het hoofd van een groot aantal fabrieken.
De grote ondernemers kregen zo enorme economische en politieke invloed.
3. Vanaf 1870 worden de meeste grote ondernemingen nv’s
Vennootschappen ontstonden toen fabrikanten meer geld wilden hebben om hun fabriek uit
te breiden of nieuwe fabrieken te bouwen.
Uitgangspunt kapitalisme begin 19e eeuw = overheid moet zich niet bemoeien met
economische aangelegenheden. overheid moet bepaalde taken op zich nemen in een
kapitalistische samenleving.
6 ~ veranderingen in gelaagdheid van de bevolking
Middenlaag groeide doordat de fabrieken steeds groter werden. Fabrikanten gingen mensen in
dienst nemen voor administratieve taken en voor toezicht op de arbeiders. De fabrieksarbeiders
waren rond 1900 de grootste bevolkingsgroep.
Dienstensector = produceren geen voorwerpen, maar verrichten diensten voor anderen tegen
betaling.
Tijdens de IR werd het gemakkelijker om van de ene laag naar de andere over te stappen = meer
mobiliteit.
, 7 ~ Bevolking groeit snel, vooral in de steden
Verbetering in de landbouw door mechanisering, kunstmest en nieuwe gewassen bevolking nam
toe. Ondervoeding en hongersnood konden overwonnen worden = agrarische revolutie.
Ook door geneeskunde verbeteringen door het ontdekken van ziekteverwekkers en de wijze waarop
die konden worden bestreden. Ook de hygiëne werd benadrukt.
Het leven van de fabrieksarbeiders was heel zwaar. Geen goede huizen, riolen en de onveiligheid was
groot. Vanaf de 2e helft van de 19e eeuw ging het betre.
8 ~ Sociale kwestie leidt tot sociale wetgeving
Sociale kwestie = de vraag hoe een einde moest worden gemaakt aan de armoede van een groot deel
van de bevolking.
Wegens de slechte werkomstandigheden vonden de radicale liberalen dat de overheid een actievere
rol moet spelen. (Eind 19e eeuw)
Ontstaan van socialistische vakverenigingen en politieke partijen. Eerst een verbod voor
verenigingen, later geaccepteerd. Politieke partijen omdat ze zich wilden inzetten voor een nieuwe
en rechtvaardiger samenleving.
9 ~ Het modern imperialisme (1870 – 1914)
Modern imperialisme = het proces van versnelde uitbreiding van westerse macht in gebieden die tot
op dat moment niet of slechts op papier door een westers land werden bestuurd.
Was mogelijk door:
1. Voorsprong in de wapentechnologie
2. De stoomboot en de stoomtrein. En met spoorwegen was het makkelijker om een kolonie
onder controle te kunnen houden.
3. Een nieuwe verbinding, het Suez kanaal.
Politieke motieven: koloniën waren een kenmerk van macht grotere rol van wereldpolitiek
Economische motieven: grondstoffen waren nodig + meer productie westerse fabrieken
Beschavingsopdracht motief: Veel zagen het als taak om in de rest van de wereld te zorgen voor
beschaving en vooruitgang. ‘the white man’s burden’
10 ~ Democratisering in fasen
Democratie = regeringsvorm waarbij mensen het recht hebben hun eigen regering te kiezen en hun
staat naar eigen inzichten in te richten, mits de burger hun grondrechten behouden.
Parlementaire democratie :
Wie de macht uitoefenen ontlenen hun macht aan het volk en zijn daarom verantwoording
schuldig aan dat volk.
De macht van de regering wordt beperkt doordat zij zich moet houden aan bepaalde
grondrechten die zijn vastgelegd in een grondwet.
Iedere burger heeft recht om mee te beslissen, te stemmen en verkozen te worden.
Klassieke grondrechten
Vrijheid van meningsuiting
Gelijkheid van iedereen voor de wet.
Recht op bescherming, privéleven en bezit
Vrije verkiezing in een twee- of meerpartijenstelsel
Recht op een menswaardig bestaan
Sociale grondrechten: gezondheidszorg, huisvesting, onderwijs
De bevolking moet de overtuiging hebben dat zij door de politici niet wordt misleidt of als dat wel het
geval is door de vrije pers goed wordt geïnformeerd en dat onrecht ongedaan kan worden gemaakt.
Vormen van democratie
Directe democratie = de beslissingen worden door alle burgers gezamenlijk genomen.