SOCIOLOGIE
DEEL 1
HET VIZIER: DE SOCIOLOGISCHE KIJK
Het is de studie/ wetenschap van mens en maatschappij
Het doel is om te begrijpen hoe we samenleven en hoe een samenleving werkt.
Metafoor: het ‘sociale’ is voor de mens, wat water is voor de vis.
Het is een relatief jonge wetenschap, ontstaan aan het einde van de 19e eeuw. Het komt voor uit de Franse
Revolutie (1789), onder invloed van het verlichtingsdenken.
De ambitie was de wetten van de samenleving blootleggen zoals de natuurwetenschappen. We noemen dat de
positivistische methodes.
De vader van sociologie is Auguste Comte. Hij is de uitvinder van het woord. Hij had invloed op belangrijke figuren
in de sociologie, namelijk Emile Durkheim, Max Weber en Karl Marx.
1. Wat bestudeert sociologie?
Sociologie bestudeert ‘het sociale’. Je kan daarin 2 dimensies vinden. Als eerste de morele kwaliteit, hoe dienen we
ons te gedragen om als sociaal gezien te worden. Daarnaast is er ook het feitelijke, bijvoorbeeld echtscheidingen.
Dat gebeurt tussen individuen, maar we kunnen die ook onderzoeken. Op welk moment zijn er meer of minder
echtscheidingen.
Het sociale als morele kwaliteit
Horizontale dimensie
Relaties tussen mensen = één-op-één-moraal. Als je interageert met anderen dan zien we dat onze gedrag en
gedachten kunnen veranderen en aanpassen.
Bijvoorbeeld: empathie
Verticale dimensie
Wat de ‘één-op-één’-verbondenheid overstijgt -> het sociale systeem. Dan weten we dat we zorg moeten dragen
voor de gemeenschap en dus een beleid zullen moeten ontwikkelen.
Bijvoorbeeld: rechtvaardigheid en solidariteit
Het is noodzakelijk voor sociale beroepen, maar niet het studieobject van sociologie (wel van filosofie). Ze
analyseren wel hoe morele kwaliteit vorm krijgt door socialisatieprocessen. Egoïsme/ altruïsme -> geen
onveranderlijke morele kwaliteiten, wel de interactie, de invloed tussen mensen. Relevant voor sociologie is dat er
niveaus zijn van sociaal als morele kwaliteit.
- Horizontaal: sociale relaties + interactie
Bijvoorbeeld: afspraak nota’s te wisselen met iemand
Morele kwaliteiten: empathie, caritas, humanitas
- Verticaal: grotere gemeenschap + sociaal systeem
Bijvoorbeeld: sociale bijstand en zekerheid
Gemeenschapszorg en harmonie binnen de gemeenschap
Waarden: sociale rechtvaardigheid en solidariteit
Het sociale als feitelijkheid
Sociale feiten dienen gezien te worden als objectief gegeven dingen die ons gedrag bepalen.
Horizontale dimensie
Actoren die met elkaar in contact komen = sociale handelingen
1
,Verticale dimensie
Door ons sociaal handelen ontstaan systemen, dus context en resultaat van het sociaal handelen. Belangrijke
begrippen hierbij zijn structuur en cultuur. Die brengen instituties voort (zie later).
Herhaling:
Horizontale dimensie: interactie = sociaal handelen
Verticale dimensie: gemeenschap = het systeem
hiertussen is er circulaire causaliteit: mensen maken hun sociale context en worden er ook door bepaald.
Drie dimensies
1. sociaal handelen 2. het systeem 3. de tussenruimte = circulaire causaliteit
→ kan bekeken worden op drie analyseniveaus: micro, meso, macro
Twee studies binnen de sociologie
Agency (sociaal handelen) → analyse begint bij sociaal handelen
Structure (sociaal systeem) → analyse begint bij het systeem
Grondleggers
Max Weber: handelen van actoren → leidt tot grotere sociale verbanden
Émile Durkheim: kenmerken van grotere samenlevingsverbanden → bepalen individueel gedrag
Sociale werkelijkheid: we maken ons sociale milieu en we worden bepaald door deze sociale omgeving
Foutief startpunt = mens los zien van circulaire causaliteit
Mens = product van sociaal leven → dus geen neutraal startpunt
- Begrip mens ≠ stabiele grond v/h sociale maar creatieve en veranderlijke verworvenheid ervan
- Mens ≠ ondeelbaar wezen maar deel van maatschappelijke deelsystemen
- Visie dat mens autonoom en geïndividualiseerd is
Foutief herleiden van structurele problemen naar individueel probleem
Maatschappij zonder het circulaire te zien
- Begrip maatschappij = containerbegrip (w niet onderbouwd door empirische data)
- SI is ook een constructie die meestal refereert nr geregionaliseerd verband
Natiestaat
Sociale systemen zijn daartoe niet te herleiden want we hebben 1 wereldmaatschappij
Afgrenzingen
Kan op verschillende lijnen gebeuren + geven vorm aan verschillende systemen
Bijvoorbeeld: economische lijnen (producent en consument), culturele lijnen (niet- en wel ingeburgerden)
2
,Vanuit sociale constructie (actorperspectief) geven we samen vorm aan de context en het resultaat van ons
sociaal handelen en veruitwendigt zich in structuur en cultuur. Tegelijkertijd zijn we altijd deel van een
systeem. Dat systeem bepaald ons ook voor een stuk. Het systeem dat bestaat zal invloed hebben op onze
sociale handelingen.
Belangrijk: circulaire causaliteit. Via continue interactie maken we onze context, tegelijkertijd worden we door
context bepaald.
Sociologie onderzoekt:
- Sociale feiten die vooruitspruiten uit de circulaire causaliteit
- Dat kan vanuit de bril van het actorperspectief of vanuit systeemperspectief
Zo krijg je 2 soorten theorieën
- Agency (actor)-theorieën = onderzoeken de sociale constructie van de sociale werkelijkheid
Max Weber
- Systeemperspectief = onderzoeken de sociale bepaaldheid door na te gaan hoe een bepaald systeem
het sociaal handelen beïnvloedt
Emile Durkheim
De sociale constructie – het actorperspectief
Het sociaal handelen (Weber) = “het zinvol betrokken zijn op anderen”
Handelen is sociaal wanneer de actor, o.b.v. de subjectieve betekenis die hij aan het handelen toekent,
rekening houdt met het gedrag van anderen en daardoor wordt beïnvloed.
Sociaal handelen verschilt van gedrag
Bijvoorbeeld: als je ergens iemand tegenkomt en je botst per ongeluk en je doet verder niets, dan is dat geen
sociaal handelen. Als je je excuseert dan doe je aan sociaal handelen, want je houdt rekening met het effect
van je gedrag op de andere en je anticipeert daarop.
Dat sociaal handelen kan gericht zijn op verleden, heden en toekomst. Als we zaken herdenken (bijvoorbeeld:
last post) dat is sociaal handelen gericht op het verleden. In het heden is dat bijvoorbeeld rijden met de auto en
voorrang geven van recht. In de toekomst kan dat je op voorhand al rekening houdt met wat er kan gebeuren
in de toekomst. Bijvoorbeeld een moeilijk gesprek voorbereiden en hoe je zal omgaan met mogelijks negatieve
reacties.
3
, Weber ontwikkelde een typologie van het sociaal handelen:
4 ideaaltypes:
- Affectief sociaal handelen = steunt op emotie, is onbewust en niet-rationeel ‘pure uiting van emotie’
Bijvoorbeeld: student die geslaagd is en iemand knuffelen die dan bij jou is
- Traditioneel sociaal handelen = steunt op gewoonte of traditie, grotendeels onbewust. We doen het
omdat het zo hoort, omdat het zo geleerd is
Bijvoorbeeld: huwen voor de kerk, etiquette
- Doelrationeel handelen = handelen met het oog op het bereiken van een doel
Bijvoorbeeld: student maakt studieplan en studeert een aantal uren per dag om hoge cijfers te halen
- Waarderationeel handelen = handelen gebaseerd op een ethische, religieuze of sociale waarde
Bijvoorbeeld: arts die gratis medische zorg verleend aan kansarmen (ethisch)
Voorbeelden van sociologische theorieën/ concepten die gebaseerd zijn op het actorperspectief
Thomas-theorema
Op het moment dat we aannemen dat een bepaalde situatie waar is, dan wordt die ook waar in de gevolgen.
Ook al is de situatie niet helemaal waar, we gaan er toch naar handelen.
Bijvoorbeeld: Trump die zegt dat migranten katten opeten, dat is niet waar, maar mensen nemen aan dat dat
gebeurt, ze nemen het aan en op basis daarvan haat uitstralen
Self-fulfilling prophecy
Zelfvervullende voorspelling = je voorspelt iets dat op zich niet waar hoeft te zijn, maar doordat je het
voorspelt, wordt het waar
Bijvoorbeeld: ouderen die fysiek kwetsbaar zijn. Op het moment dat we die uitspraak doen, dan gaan ze
nadenken in de zin van “ahja ik word inderdaad wel fysiek kwetsbaarder”, ze denken “oei, ik moet opletten
met fysieke activiteiten”, het gedrag is dat ze fysieke activiteiten zullen vermijden. Je bevestigt dan je
aanvankelijke voorspelling.
Je hebt ook self-denying prophecy. Je doet een voorspelling, maar daardoor komt die helemaal niet uit.
Bijvoorbeeld: op de radio zeggen ze dat er veel file wordt verwacht donderdag. Mensen passen hun gedrag
daaraan aan, dus mensen zullen minder de auto nemen. De file zal dus minder zijn.
Het zelfbeeld
We ontwikkelen ons zelfbeeld op basis van de reacties van anderen. We vragen ons voortdurend af hoe we
eruitzien in de ogen van een ander. (social media)
Perverse effecten
Zie je heel vaak in onze samenleving. Individueel handelen leidt tot collectieve gevolgen. Die gevolgen kunnen
soms onbedoeld en ongewenst zijn.
Bijvoorbeeld: onderwijsdemocratisering = kinderen zoveel mogelijk stimuleren om onderwijs te volgen.
Daardoor wordt er nu veel meer naar school gegaan dan vroeger. Dat is op zich een goed effect. Er zijn ook wel
onbedoelde neveneffecten. Door het feit dat er meer mensen een hoger diploma halen, zien we dat zij mensen
zonder diploma uit de arbeidsmarkt duwen.
Het mattheuseffect (voorbeeld van perverse effecten)
= de sociologische vakterm voor het rijker worden van de rijken en het armer worden van de armen. Hierbij
halen hogere-inkomensgroepen relatief gezien meer voordeel uit sociale voorzieningen dan lagere
inkomensgroepen.
Bijvoorbeeld: sociale ongelijkheid, schuldindustrie, gentrificatie
4
DEEL 1
HET VIZIER: DE SOCIOLOGISCHE KIJK
Het is de studie/ wetenschap van mens en maatschappij
Het doel is om te begrijpen hoe we samenleven en hoe een samenleving werkt.
Metafoor: het ‘sociale’ is voor de mens, wat water is voor de vis.
Het is een relatief jonge wetenschap, ontstaan aan het einde van de 19e eeuw. Het komt voor uit de Franse
Revolutie (1789), onder invloed van het verlichtingsdenken.
De ambitie was de wetten van de samenleving blootleggen zoals de natuurwetenschappen. We noemen dat de
positivistische methodes.
De vader van sociologie is Auguste Comte. Hij is de uitvinder van het woord. Hij had invloed op belangrijke figuren
in de sociologie, namelijk Emile Durkheim, Max Weber en Karl Marx.
1. Wat bestudeert sociologie?
Sociologie bestudeert ‘het sociale’. Je kan daarin 2 dimensies vinden. Als eerste de morele kwaliteit, hoe dienen we
ons te gedragen om als sociaal gezien te worden. Daarnaast is er ook het feitelijke, bijvoorbeeld echtscheidingen.
Dat gebeurt tussen individuen, maar we kunnen die ook onderzoeken. Op welk moment zijn er meer of minder
echtscheidingen.
Het sociale als morele kwaliteit
Horizontale dimensie
Relaties tussen mensen = één-op-één-moraal. Als je interageert met anderen dan zien we dat onze gedrag en
gedachten kunnen veranderen en aanpassen.
Bijvoorbeeld: empathie
Verticale dimensie
Wat de ‘één-op-één’-verbondenheid overstijgt -> het sociale systeem. Dan weten we dat we zorg moeten dragen
voor de gemeenschap en dus een beleid zullen moeten ontwikkelen.
Bijvoorbeeld: rechtvaardigheid en solidariteit
Het is noodzakelijk voor sociale beroepen, maar niet het studieobject van sociologie (wel van filosofie). Ze
analyseren wel hoe morele kwaliteit vorm krijgt door socialisatieprocessen. Egoïsme/ altruïsme -> geen
onveranderlijke morele kwaliteiten, wel de interactie, de invloed tussen mensen. Relevant voor sociologie is dat er
niveaus zijn van sociaal als morele kwaliteit.
- Horizontaal: sociale relaties + interactie
Bijvoorbeeld: afspraak nota’s te wisselen met iemand
Morele kwaliteiten: empathie, caritas, humanitas
- Verticaal: grotere gemeenschap + sociaal systeem
Bijvoorbeeld: sociale bijstand en zekerheid
Gemeenschapszorg en harmonie binnen de gemeenschap
Waarden: sociale rechtvaardigheid en solidariteit
Het sociale als feitelijkheid
Sociale feiten dienen gezien te worden als objectief gegeven dingen die ons gedrag bepalen.
Horizontale dimensie
Actoren die met elkaar in contact komen = sociale handelingen
1
,Verticale dimensie
Door ons sociaal handelen ontstaan systemen, dus context en resultaat van het sociaal handelen. Belangrijke
begrippen hierbij zijn structuur en cultuur. Die brengen instituties voort (zie later).
Herhaling:
Horizontale dimensie: interactie = sociaal handelen
Verticale dimensie: gemeenschap = het systeem
hiertussen is er circulaire causaliteit: mensen maken hun sociale context en worden er ook door bepaald.
Drie dimensies
1. sociaal handelen 2. het systeem 3. de tussenruimte = circulaire causaliteit
→ kan bekeken worden op drie analyseniveaus: micro, meso, macro
Twee studies binnen de sociologie
Agency (sociaal handelen) → analyse begint bij sociaal handelen
Structure (sociaal systeem) → analyse begint bij het systeem
Grondleggers
Max Weber: handelen van actoren → leidt tot grotere sociale verbanden
Émile Durkheim: kenmerken van grotere samenlevingsverbanden → bepalen individueel gedrag
Sociale werkelijkheid: we maken ons sociale milieu en we worden bepaald door deze sociale omgeving
Foutief startpunt = mens los zien van circulaire causaliteit
Mens = product van sociaal leven → dus geen neutraal startpunt
- Begrip mens ≠ stabiele grond v/h sociale maar creatieve en veranderlijke verworvenheid ervan
- Mens ≠ ondeelbaar wezen maar deel van maatschappelijke deelsystemen
- Visie dat mens autonoom en geïndividualiseerd is
Foutief herleiden van structurele problemen naar individueel probleem
Maatschappij zonder het circulaire te zien
- Begrip maatschappij = containerbegrip (w niet onderbouwd door empirische data)
- SI is ook een constructie die meestal refereert nr geregionaliseerd verband
Natiestaat
Sociale systemen zijn daartoe niet te herleiden want we hebben 1 wereldmaatschappij
Afgrenzingen
Kan op verschillende lijnen gebeuren + geven vorm aan verschillende systemen
Bijvoorbeeld: economische lijnen (producent en consument), culturele lijnen (niet- en wel ingeburgerden)
2
,Vanuit sociale constructie (actorperspectief) geven we samen vorm aan de context en het resultaat van ons
sociaal handelen en veruitwendigt zich in structuur en cultuur. Tegelijkertijd zijn we altijd deel van een
systeem. Dat systeem bepaald ons ook voor een stuk. Het systeem dat bestaat zal invloed hebben op onze
sociale handelingen.
Belangrijk: circulaire causaliteit. Via continue interactie maken we onze context, tegelijkertijd worden we door
context bepaald.
Sociologie onderzoekt:
- Sociale feiten die vooruitspruiten uit de circulaire causaliteit
- Dat kan vanuit de bril van het actorperspectief of vanuit systeemperspectief
Zo krijg je 2 soorten theorieën
- Agency (actor)-theorieën = onderzoeken de sociale constructie van de sociale werkelijkheid
Max Weber
- Systeemperspectief = onderzoeken de sociale bepaaldheid door na te gaan hoe een bepaald systeem
het sociaal handelen beïnvloedt
Emile Durkheim
De sociale constructie – het actorperspectief
Het sociaal handelen (Weber) = “het zinvol betrokken zijn op anderen”
Handelen is sociaal wanneer de actor, o.b.v. de subjectieve betekenis die hij aan het handelen toekent,
rekening houdt met het gedrag van anderen en daardoor wordt beïnvloed.
Sociaal handelen verschilt van gedrag
Bijvoorbeeld: als je ergens iemand tegenkomt en je botst per ongeluk en je doet verder niets, dan is dat geen
sociaal handelen. Als je je excuseert dan doe je aan sociaal handelen, want je houdt rekening met het effect
van je gedrag op de andere en je anticipeert daarop.
Dat sociaal handelen kan gericht zijn op verleden, heden en toekomst. Als we zaken herdenken (bijvoorbeeld:
last post) dat is sociaal handelen gericht op het verleden. In het heden is dat bijvoorbeeld rijden met de auto en
voorrang geven van recht. In de toekomst kan dat je op voorhand al rekening houdt met wat er kan gebeuren
in de toekomst. Bijvoorbeeld een moeilijk gesprek voorbereiden en hoe je zal omgaan met mogelijks negatieve
reacties.
3
, Weber ontwikkelde een typologie van het sociaal handelen:
4 ideaaltypes:
- Affectief sociaal handelen = steunt op emotie, is onbewust en niet-rationeel ‘pure uiting van emotie’
Bijvoorbeeld: student die geslaagd is en iemand knuffelen die dan bij jou is
- Traditioneel sociaal handelen = steunt op gewoonte of traditie, grotendeels onbewust. We doen het
omdat het zo hoort, omdat het zo geleerd is
Bijvoorbeeld: huwen voor de kerk, etiquette
- Doelrationeel handelen = handelen met het oog op het bereiken van een doel
Bijvoorbeeld: student maakt studieplan en studeert een aantal uren per dag om hoge cijfers te halen
- Waarderationeel handelen = handelen gebaseerd op een ethische, religieuze of sociale waarde
Bijvoorbeeld: arts die gratis medische zorg verleend aan kansarmen (ethisch)
Voorbeelden van sociologische theorieën/ concepten die gebaseerd zijn op het actorperspectief
Thomas-theorema
Op het moment dat we aannemen dat een bepaalde situatie waar is, dan wordt die ook waar in de gevolgen.
Ook al is de situatie niet helemaal waar, we gaan er toch naar handelen.
Bijvoorbeeld: Trump die zegt dat migranten katten opeten, dat is niet waar, maar mensen nemen aan dat dat
gebeurt, ze nemen het aan en op basis daarvan haat uitstralen
Self-fulfilling prophecy
Zelfvervullende voorspelling = je voorspelt iets dat op zich niet waar hoeft te zijn, maar doordat je het
voorspelt, wordt het waar
Bijvoorbeeld: ouderen die fysiek kwetsbaar zijn. Op het moment dat we die uitspraak doen, dan gaan ze
nadenken in de zin van “ahja ik word inderdaad wel fysiek kwetsbaarder”, ze denken “oei, ik moet opletten
met fysieke activiteiten”, het gedrag is dat ze fysieke activiteiten zullen vermijden. Je bevestigt dan je
aanvankelijke voorspelling.
Je hebt ook self-denying prophecy. Je doet een voorspelling, maar daardoor komt die helemaal niet uit.
Bijvoorbeeld: op de radio zeggen ze dat er veel file wordt verwacht donderdag. Mensen passen hun gedrag
daaraan aan, dus mensen zullen minder de auto nemen. De file zal dus minder zijn.
Het zelfbeeld
We ontwikkelen ons zelfbeeld op basis van de reacties van anderen. We vragen ons voortdurend af hoe we
eruitzien in de ogen van een ander. (social media)
Perverse effecten
Zie je heel vaak in onze samenleving. Individueel handelen leidt tot collectieve gevolgen. Die gevolgen kunnen
soms onbedoeld en ongewenst zijn.
Bijvoorbeeld: onderwijsdemocratisering = kinderen zoveel mogelijk stimuleren om onderwijs te volgen.
Daardoor wordt er nu veel meer naar school gegaan dan vroeger. Dat is op zich een goed effect. Er zijn ook wel
onbedoelde neveneffecten. Door het feit dat er meer mensen een hoger diploma halen, zien we dat zij mensen
zonder diploma uit de arbeidsmarkt duwen.
Het mattheuseffect (voorbeeld van perverse effecten)
= de sociologische vakterm voor het rijker worden van de rijken en het armer worden van de armen. Hierbij
halen hogere-inkomensgroepen relatief gezien meer voordeel uit sociale voorzieningen dan lagere
inkomensgroepen.
Bijvoorbeeld: sociale ongelijkheid, schuldindustrie, gentrificatie
4