Levensbeschouwing: religie, atheïsme en cultuur
Les 1: Religie: nurture or nature?
Religie kan worden bekeken als een combinatie van biologische aanleg en culturele
invulling. Het vak onderzoekt de evolutionaire oorsprong van de moraal.
Darwin en Thomas Huxley stelden dat moraal een evolutionaire basis heeft. Mensen zijn
universeel vatbaar voor normativiteit: we voelen schuld, walging bij bloed of geweld, woede
bij onrechtvaardigheid, sympathie voor naasten, drang tot wederkerigheid en een scherp
gevoel voor freeriders. Deze eigenschappen maakten samenwerking mogelijk en
verhoogden overlevingskansen.
Frans de Waal beschrijft dit als protomoraliteit: empathie, wederkerigheid en
rechtvaardigheid zijn sociale instincten die we met andere dieren delen. Moraal is volgens
hem geen dun laagje rond een immorele natuur maar diep geworteld in onze biologie
(veneer theory).
Biologische en culturele evolutie
Dawkins introduceerde het idee van genen en memen: ideeën die zich verspreiden via
imitatie. Memen kunnen zich even snel ontwikkelen als virussen en soms zelfs ingaan tegen
genetische belangen (bv. celibaat, kinderloosheid). Omdat memen sneller evolueren dan
genen, ontstaan anachronismen en conflicten, zoals irrationele fobieën of culturele
normen zoals monogamie. Dit alles verwijst naar de kloof tussen is en ought (Hume).
Dawkins beschrijft mensen als “overlevingsapparaten” voor zowel genen als memen. Beide
reproduceren zich door het meest succesvolle mechanisme: genen via biologie, memen via
cultuur en imitatie. Ook memen ondergaan survival of the fittest.
Dawkins verzette zich tegen zelfzuchtige genen (bv. celibaat of monogaam zijn owv.
religieuze opvattingen) -> zelfzuchtige genen kunnen ons ook aanzetten tot altruïstisch
gedrag (bv. kinderen maken)
Cognitieve studie van religie (CSR)
CSR zoekt verklaringen voor het feit dat vrijwel alle culturen religieuze overtuigingen
kennen. Religie vervult verschillende functies: ze biedt houvast, vermindert angst, geeft
verklaringen, schenkt troost in lijden en sterfelijkheid, bevordert sociale orde of is in
sommige theorieën een cognitieve illusie of projectie.
CSR maakt onderscheid tussen proximale en ultieme verklaringen:
, • we eten snoep omdat het lekker is (proximaal) → maar evolutionair gezien omdat
onze voorouders calorieën nodig hadden (ultimaal).
• we reageren op onrecht, vrezen spinnen of zingen samen vanuit diepe evolutionaire
oorzaken.
• religie behoort tot hetzelfde domein van gedragingen die een natuurlijk-evolutionaire
oorsprong kunnen hebben.
Religie is daarbij niet louter cultureel. Religieuze overtuigingen zijn het resultaat van
normaal functionerende cognitieve processen, die voortkomen uit domein specifieke
vermogens van het menselijke brein.
Een bekend voorbeeld is de vergelijking tussen geloof in Sinterklaas en geloof in God:
kinderen geloven vanzelf in intentionele wezens, maar verlaten dat geloof in de Sint later
door sociale correctie. Geloof in God blijft bestaan omdat het breder ingebed is in sociale,
culturele en cognitieve structuren.
Teleologisch denken
Mensen hebben een natuurlijke neiging om doeloorzakelijkheid aan de wereld toe te
schrijven. Dingen lijken te gebeuren met een bedoeling. Dit leidt tot design-based
reasoning: het regent om planten water te geven, gebeurtenissen lijken bedoeld: “dat kan
toch geen toeval zijn”.
Aangetoond dat kinderen intuïtieve theïsten zijn: ze gaan uit van doelgerichtheid zelfs
wanneer deze er niet is.
In de 17de eeuw begon de wetenschap teleologische verklaringen te vervangen door
mechanische oorzaken. Moderne wetenschap (en zeker evolutieleer) is daarom contra-
intuïtief. Atheïsme is dat in zekere zin ook.
Religie is “onze eerste poging tot filosofie”, voortkomend uit onze neiging patronen en
verbanden te zoeken — zelfs als ze er niet zijn. Mensen verkiezen een slechte theorie boven
géén theorie. (Hitchens)
CSR en theory of mind
Justin Barrett introduceerde het idee van de HADD: een Hyper-Sensitive Agency Detection
Device. Mensen zien overal intenties en gevoelens: gezichten, stemmen, geesten, intenties
en gevoelens toeschrijven aan natuurlijke of mechanische fenomenen (computer, auto). (Te
scherp afgesteld cf. branddetector)
,Ons brein is geëvolueerd om patronen te herkennen (patternicity) en intenties toe te
schrijven (agenticity). Daardoor zien we verbanden en bedoelingen waar die er niet zijn.
Deze eerste indrukken worden versterkt door confirmation bias: we onthouden vooral wat
onze overtuigingen bevestigt.
• Kwaad worden op een object, ookal weten we in kritische context dat dit geen nut
heeft. We handelen alsof alle dingen intenties hebben
Daarnaast houden we van verhalen en verhaallijnen, waardoor religieuze narratieven
aantrekkelijk en makkelijk over te dragen zijn.
Meer cognitieve bouwstenen van religie
Volgens CSR beschikt de mens over:
• intuïtief dualisme: lichaam en geest voelen als twee aparte entiteiten
• essentialistisch denken: dingen hebben een onveranderlijke kern of ziel
• kennishonger, duidingsdrift: behoefte aan zingeving en verklaringen
Intuïtief zijn veel zaken evident, aannemelijk maar door wetenschap wordt dit
verworpen. We zijn vatbaar voor concepten die minimaal contra-intuïtief zijn.
Voor kinderen voelt het vanzelfsprekend dat een dode muis niet meer kan eten maar nog
steeds “verdrietig kan zijn”. Dit maakt ideeën als ziel, engelen, hiernamaals en
bovennatuurlijke wezens intuïtief aantrekkelijk. Volgens Jesse Bering geloven mensen
intuïtief in een hiernamaals omdat we ons niet kunnen voorstellen hoe het is om geen
gedachten of bewustzijn te hebben. Zo’n geloof bevordert bovendien sociaal reputatie
bevorderend gedrag (men gedraagt zich beter als men denkt dat men bekeken wordt).
Religieuze concepten die minimaal contra-intuïtief zijn (een mix van herkenbaar + net
genoeg verrassend) verspreiden zich het gemakkelijkst: antropomorfe goden, geesten
zonder lichaam, onsterfelijke wezens, maagdelijke geboortes, bloedende standbeelden…
Te veel schendingen van intuïtie (zoals een vliegend spaghettimonster) zijn cognitief te
zwaar en daardoor minder succesvol.
Menselijke geest bepaalt mee wat succesvol religieus concept kan zijn en legt een
patroon op
, God en theologische (in)correctheid
Klassieke theïstische concepten (alwetend, algoed, almachtig, onlichamelijk) zijn eigenlijk
contra-intuïtief. De theologie is een latere, intellectueel verfijnde ontwikkeling die probeert
antropomorfe voorstellingen bij te sturen.
Maar in de praktijk blijven gelovigen vaak vasthouden aan intuïtieve voorstellingen van God
— een fenomeen dat Barrett theological incorrectness noemt. Dit is de “tragedie van de
theoloog” (Boyer): wat mensen beweren te geloven (orthodox, rationeel) verschilt van wat ze
feitelijk geloven en doen (intuïtief, antropomorf). Dit zien we in gebed, bedevaart, bijgeloof,
etc.
Interactie met het bovennatuurlijke volgt vaak de logica van normale sociale interacties:
bidden = verzoeken, loven = vleien, offeren = bedanken, biechten = verontschuldigen,
boetedoening = vergoeden, bedevaart = bezoek brengen, vloeken = dreigen, voorspraak via
heiligen = lobbyen.
Is religie natuurlijk?
Religie lijkt een bijproduct van uiteenlopende cognitieve systemen: patroonherkenning,
teleologie, gezichtsherkenning, abstract denken… Maar zodra religie bestaat, wordt ze
steeds doorgegeven in een culturele context. Religie is divers maar “besmettelijk”:
succesvolle memen verspreiden zich gemakkelijk.
De vraag of religie ondermijnend is, wordt verschillend beantwoord.
Met Ockhams scheermes kan je stellen dat religie verklaard kan worden met natuurlijke
oorzaken en dus niet nodig is als verklaring. Maar CSR leidt niet noodzakelijk tot atheïsme:
sommigen (zoals Clark & Barrett of Plantinga) verdedigen theïsme op basis van dezelfde
cognitieve inzichten. Plantinga spreekt zelfs van een sensus divinitatis: een aangeboren
neiging om in God te geloven.
Religie kan worden gezien als:
• adaptief → bevordert groepsvorming en sociale cohesie (Wilson, Norenzayan, Haidt,
Durkheim)
• bijproduct van adaptieve cognitieve systemen (Dennett, Dawkins, Atran, Bloom)
• cultureel gevormd → zoals leren lezen en schrijven
Les 1: Religie: nurture or nature?
Religie kan worden bekeken als een combinatie van biologische aanleg en culturele
invulling. Het vak onderzoekt de evolutionaire oorsprong van de moraal.
Darwin en Thomas Huxley stelden dat moraal een evolutionaire basis heeft. Mensen zijn
universeel vatbaar voor normativiteit: we voelen schuld, walging bij bloed of geweld, woede
bij onrechtvaardigheid, sympathie voor naasten, drang tot wederkerigheid en een scherp
gevoel voor freeriders. Deze eigenschappen maakten samenwerking mogelijk en
verhoogden overlevingskansen.
Frans de Waal beschrijft dit als protomoraliteit: empathie, wederkerigheid en
rechtvaardigheid zijn sociale instincten die we met andere dieren delen. Moraal is volgens
hem geen dun laagje rond een immorele natuur maar diep geworteld in onze biologie
(veneer theory).
Biologische en culturele evolutie
Dawkins introduceerde het idee van genen en memen: ideeën die zich verspreiden via
imitatie. Memen kunnen zich even snel ontwikkelen als virussen en soms zelfs ingaan tegen
genetische belangen (bv. celibaat, kinderloosheid). Omdat memen sneller evolueren dan
genen, ontstaan anachronismen en conflicten, zoals irrationele fobieën of culturele
normen zoals monogamie. Dit alles verwijst naar de kloof tussen is en ought (Hume).
Dawkins beschrijft mensen als “overlevingsapparaten” voor zowel genen als memen. Beide
reproduceren zich door het meest succesvolle mechanisme: genen via biologie, memen via
cultuur en imitatie. Ook memen ondergaan survival of the fittest.
Dawkins verzette zich tegen zelfzuchtige genen (bv. celibaat of monogaam zijn owv.
religieuze opvattingen) -> zelfzuchtige genen kunnen ons ook aanzetten tot altruïstisch
gedrag (bv. kinderen maken)
Cognitieve studie van religie (CSR)
CSR zoekt verklaringen voor het feit dat vrijwel alle culturen religieuze overtuigingen
kennen. Religie vervult verschillende functies: ze biedt houvast, vermindert angst, geeft
verklaringen, schenkt troost in lijden en sterfelijkheid, bevordert sociale orde of is in
sommige theorieën een cognitieve illusie of projectie.
CSR maakt onderscheid tussen proximale en ultieme verklaringen:
, • we eten snoep omdat het lekker is (proximaal) → maar evolutionair gezien omdat
onze voorouders calorieën nodig hadden (ultimaal).
• we reageren op onrecht, vrezen spinnen of zingen samen vanuit diepe evolutionaire
oorzaken.
• religie behoort tot hetzelfde domein van gedragingen die een natuurlijk-evolutionaire
oorsprong kunnen hebben.
Religie is daarbij niet louter cultureel. Religieuze overtuigingen zijn het resultaat van
normaal functionerende cognitieve processen, die voortkomen uit domein specifieke
vermogens van het menselijke brein.
Een bekend voorbeeld is de vergelijking tussen geloof in Sinterklaas en geloof in God:
kinderen geloven vanzelf in intentionele wezens, maar verlaten dat geloof in de Sint later
door sociale correctie. Geloof in God blijft bestaan omdat het breder ingebed is in sociale,
culturele en cognitieve structuren.
Teleologisch denken
Mensen hebben een natuurlijke neiging om doeloorzakelijkheid aan de wereld toe te
schrijven. Dingen lijken te gebeuren met een bedoeling. Dit leidt tot design-based
reasoning: het regent om planten water te geven, gebeurtenissen lijken bedoeld: “dat kan
toch geen toeval zijn”.
Aangetoond dat kinderen intuïtieve theïsten zijn: ze gaan uit van doelgerichtheid zelfs
wanneer deze er niet is.
In de 17de eeuw begon de wetenschap teleologische verklaringen te vervangen door
mechanische oorzaken. Moderne wetenschap (en zeker evolutieleer) is daarom contra-
intuïtief. Atheïsme is dat in zekere zin ook.
Religie is “onze eerste poging tot filosofie”, voortkomend uit onze neiging patronen en
verbanden te zoeken — zelfs als ze er niet zijn. Mensen verkiezen een slechte theorie boven
géén theorie. (Hitchens)
CSR en theory of mind
Justin Barrett introduceerde het idee van de HADD: een Hyper-Sensitive Agency Detection
Device. Mensen zien overal intenties en gevoelens: gezichten, stemmen, geesten, intenties
en gevoelens toeschrijven aan natuurlijke of mechanische fenomenen (computer, auto). (Te
scherp afgesteld cf. branddetector)
,Ons brein is geëvolueerd om patronen te herkennen (patternicity) en intenties toe te
schrijven (agenticity). Daardoor zien we verbanden en bedoelingen waar die er niet zijn.
Deze eerste indrukken worden versterkt door confirmation bias: we onthouden vooral wat
onze overtuigingen bevestigt.
• Kwaad worden op een object, ookal weten we in kritische context dat dit geen nut
heeft. We handelen alsof alle dingen intenties hebben
Daarnaast houden we van verhalen en verhaallijnen, waardoor religieuze narratieven
aantrekkelijk en makkelijk over te dragen zijn.
Meer cognitieve bouwstenen van religie
Volgens CSR beschikt de mens over:
• intuïtief dualisme: lichaam en geest voelen als twee aparte entiteiten
• essentialistisch denken: dingen hebben een onveranderlijke kern of ziel
• kennishonger, duidingsdrift: behoefte aan zingeving en verklaringen
Intuïtief zijn veel zaken evident, aannemelijk maar door wetenschap wordt dit
verworpen. We zijn vatbaar voor concepten die minimaal contra-intuïtief zijn.
Voor kinderen voelt het vanzelfsprekend dat een dode muis niet meer kan eten maar nog
steeds “verdrietig kan zijn”. Dit maakt ideeën als ziel, engelen, hiernamaals en
bovennatuurlijke wezens intuïtief aantrekkelijk. Volgens Jesse Bering geloven mensen
intuïtief in een hiernamaals omdat we ons niet kunnen voorstellen hoe het is om geen
gedachten of bewustzijn te hebben. Zo’n geloof bevordert bovendien sociaal reputatie
bevorderend gedrag (men gedraagt zich beter als men denkt dat men bekeken wordt).
Religieuze concepten die minimaal contra-intuïtief zijn (een mix van herkenbaar + net
genoeg verrassend) verspreiden zich het gemakkelijkst: antropomorfe goden, geesten
zonder lichaam, onsterfelijke wezens, maagdelijke geboortes, bloedende standbeelden…
Te veel schendingen van intuïtie (zoals een vliegend spaghettimonster) zijn cognitief te
zwaar en daardoor minder succesvol.
Menselijke geest bepaalt mee wat succesvol religieus concept kan zijn en legt een
patroon op
, God en theologische (in)correctheid
Klassieke theïstische concepten (alwetend, algoed, almachtig, onlichamelijk) zijn eigenlijk
contra-intuïtief. De theologie is een latere, intellectueel verfijnde ontwikkeling die probeert
antropomorfe voorstellingen bij te sturen.
Maar in de praktijk blijven gelovigen vaak vasthouden aan intuïtieve voorstellingen van God
— een fenomeen dat Barrett theological incorrectness noemt. Dit is de “tragedie van de
theoloog” (Boyer): wat mensen beweren te geloven (orthodox, rationeel) verschilt van wat ze
feitelijk geloven en doen (intuïtief, antropomorf). Dit zien we in gebed, bedevaart, bijgeloof,
etc.
Interactie met het bovennatuurlijke volgt vaak de logica van normale sociale interacties:
bidden = verzoeken, loven = vleien, offeren = bedanken, biechten = verontschuldigen,
boetedoening = vergoeden, bedevaart = bezoek brengen, vloeken = dreigen, voorspraak via
heiligen = lobbyen.
Is religie natuurlijk?
Religie lijkt een bijproduct van uiteenlopende cognitieve systemen: patroonherkenning,
teleologie, gezichtsherkenning, abstract denken… Maar zodra religie bestaat, wordt ze
steeds doorgegeven in een culturele context. Religie is divers maar “besmettelijk”:
succesvolle memen verspreiden zich gemakkelijk.
De vraag of religie ondermijnend is, wordt verschillend beantwoord.
Met Ockhams scheermes kan je stellen dat religie verklaard kan worden met natuurlijke
oorzaken en dus niet nodig is als verklaring. Maar CSR leidt niet noodzakelijk tot atheïsme:
sommigen (zoals Clark & Barrett of Plantinga) verdedigen theïsme op basis van dezelfde
cognitieve inzichten. Plantinga spreekt zelfs van een sensus divinitatis: een aangeboren
neiging om in God te geloven.
Religie kan worden gezien als:
• adaptief → bevordert groepsvorming en sociale cohesie (Wilson, Norenzayan, Haidt,
Durkheim)
• bijproduct van adaptieve cognitieve systemen (Dennett, Dawkins, Atran, Bloom)
• cultureel gevormd → zoals leren lezen en schrijven