breid je woordenschat uit
H1: Academisch Nederlands, p. 11 – p.17
Woord Uitleg
1. Academisch Eigen aan een universiteit of hogeschool
2. Accuraat Zeer nauwkeurig en precies, correct tot in de details.
3. Ad valvas Op de mededelingenborden
4. Alternatief Een andere mogelijkheid of keuze die afwijkt van de gebruikelijke of
standaardoptie.
5. Analyseren Ontleden, ontrafelen
6. Arbitrair Willekeurig
7. Attitude Houding
8. Aula Auditorium, gehoorzaal
9. Basaal Behorend tot de basis; elementair of fundamenteel.
10. Casus Praktijksituatie
11. Cognitief Verstandelijk
12. Compone Delen
nten
13. Consensu Eensgezindheid
s
14. Consequ Handelen volgens een vaste lijn of logica, zonder tegenstrijdigheden.
ent
15. Consiste Logisch samenhangend, zonder tegenstrijdigheden.
nt
16. Construc Opbouwend
1
, tief
17. Curriculu Leerplan van een school of opleiding.
m
18. Decaan Persoon binnen een school of universiteit die studenten begeleidt bij
studieadvies, vakkeuzes en trajecten.
19. Deductie Een gevolgtrekking maken uit het algemene naar het bijzondere.
20. Differenti Onderscheiden
ëren
21. Doceren Lesgeven
22. Efficiënt Doeltreffend
23. Emeritus Eretitel voor iemand (meestal een professor) die met pensioen is maar
zijn titel mag blijven dragen.
24. Erudiet Iemand met een zeer brede, diepgaande kennis en geleerdheid.
25. Essentie De kern of de belangrijkste punten van iets.
26. Evidentie Iets dat vanzelfsprekend of rechtstreeks aantoonbaar is.
27. Ex Onderwijsvorm waarbij de docent spreekt en de studenten luisteren,
cathedra zonder interactie.
28. Excellere Uitblinken, zich op een opvallende manier onderscheiden door kwaliteit.
n
29. Expliciter Verduidelijken
en
30. Exposé Een uiteenzetting, een betoog
31. Flexibel Gemakkelijk aanpasbaar aan veranderende omstandigheden of
verwachtingen.
32. Hypothes Veronderstelling
e
33. Interacti Wisselwerking
e
2
, 34. Intrinsiek Van binnenuit komend, behorend tot de aard of essentie van iets.
35. Inventari Oplijsten, verzamelen en ordenen.
seren
36. Legio Zeer talrijk, in grote aantallen aanwezig.
37. Naar Net zoals bij, iets die op een vergelijkbare manier verloopt
analogie
met
38. Narratief Verhalend, vertellend – op de manier van een verhaal.
39. Notulere Aantekeningen maken, notities nemen
n
40. Nuancere Verduidelijken door meer details te geven
n
41. Numerus Beperking van het aantal studieplaatsen voor een opleiding
clausus
42. Objectief Onbevooroordeeld , onafhankelijk van persoonlijke meningen, emoties of
interpretaties. Het is gebaseerd op feiten.
43. Parafrase Samenvatten in je eigen woorden
ren
44. Pedagoo Opvoedkundige, bestudeert alles wat met onderwijzen en leren te maken
g heeft.
45. Pejoratie Een woord of uitdrukking met een ongunstig, negatief of kleinerende
f connotatie.
46. Perceptie Waarneming, hoe iemand iets ervaart en beoordeelt.
47. Plausibel Geloofwaardig en aannemelijk op basis van de gegeven informatie.
48. Plausibel Aanvaardbaar, logisch of aannemelijk.
49. Poneren Stellen, beweren, inbrengen
50. Practicu Praktijkles, praktische opdracht om bepaalde leerstof beter te begrijpen
m of vaardigheden te oefenen.
51. Pragmati Gericht op praktische oplossingen en bruikbaarheid in plaats van op
3