Week 1 → Nemo tenetur & Controle vs. opsporing
Nemo tenetur ( art. 6 EVRM ) = je bent niet verplicht om aan je eigen veroordeling
mee te werken.
Het toetsingskader ( Post de legé )
1. Twee voorwaarden waar aan wordt bepaald of het Nemo tenteur beginsel van
toepassing is →
I. een zekere mate van druk is uitgevoerd
II. Die is uitgevoerd in een de volgende 2 situaties:
a. die druk is uitgeoefend binnen een context van een lopende
toekomstige strafzaak
b. die druk is buiten de context van de strafzaak, maar het gaat wel
meegenomen worden in een strafzaak
2. Valt de belastende info door druk/dwang verkregen binnen of buiten bereik van
Nemo Tenetur?
- Binnen het bereik van Nemo Tenetur, geniet van bescherming van Nemo
Tenetur
- Buiten het bereik van Nemo Tenetur, geniet het niet van bescherming van
Nemo Tenetur.
→ er wordt hierbij onderscheid gemaakt onder materiaal ( wilsafhankelijk of
wilsonafhankelijk materiaal )
a. wilsafhankelijke materiaal ( zit in me hoofd, totdat ik besluit dit uit te spreken,
op te schrijven, typen etc → denk aan een verklaring )
b. wilsonafhankelijke materiaal ( bestaat; bloed, urine, sperma, telefoon, etc )
Codes zijn wilsafhankelijk, tenzij je het opschrijft, dan wordt het wilsonafhankelijk.
In beginsel is wilsafhankelijk materiaal valt binnen het bereik van Nemo Tenetur en in
uitzondering ook wilsonafhankelijke materiaal, als er sprake is van:
- art. 3 EVRM of een dreiging ervan dan valt het ook binnen Nemo Tenetur
→ Als er sprake is van art. 3 EVRM kun je zelf stellen dat er geslaagd beroep
is op Nemo Tenetur, gezien als er sprake van een waterboard, of je vinger er
af wordt gehakt niet echt kan spreken van een eerlijk proces
- fishing expedition
→ Je weet niet dat het bestaat, je bluft en dreigen met een sanctie en wacht
totdat iemand toehapt.
,3. is the Very essence of Nemo tenetur geschonden?
→ Overall fairness toets.
1. aard en mate van de druk die is uitgeoefend ( fysiek, verbaal, hoe heftig,
hoe ver ging het )
2. relevante waarborgen in de gegeven situatie ( Zijn er andere procedurele
waarborgen die we kunnen meewegen, als het ware compensatiefactor )
3. hoe wordt de informatie gebruikt in de zaak ( Wat voor rol gaat die
belastende informatie gekregen uit de druk/dwang spelen? )
Medewerkingsplicht
Het niet-verlenen van de geverde medewerking levert doorgaans een strafbaarfeit
op, namelijk het niet voldoen aan een ambtelijk bevel, art. 184 Sr.
Een verdachte kan niet worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het
verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijs middeln → Het nemo tenetur
beginsel, art. 6 EVRM
→ verklaringen na het onstaan van een verdenking = cautieplicht → je bent niet tot
antwoorden verplicht, hiervoor kan je niet bestraft worden
→ verklaringen voor het onstaan van verdenking = art. 29 Sv. komt pas aan de orde
indien je een verdachte bent → Het bestaan van een verplichting om gegevens te
verstrekken is op zichzelf niet problematisch → als hieruit een verdenking ontstaat
ook niet, maar als de verplichte afgelegde verklaring wordt gebruik in een
strafprocedure tegen jou, dat maakt wel een inbreuk op art. 6 EVRM.
Verschil controle vs opsporing → HR dynamische verkeerscontrole
Controle is ter beveiliging van de maatschappij, opsporing is veel meer op het
individu gefocust; er hoeft dan nog geen strafzaak te zijn; je hebt start informatie
gekregen en vanuit daar ga je in onderzoek ( bewijzen verzamelen etc. )
Tussen deze 2 gebieden is er soms een overgang; wat zorgt voor een grijs gebied.
De toepassing van controlebevoegdheden kan op twee manieren leiden tot een
strafrechtelijk vervolg:
● Sfeerovergang: Een controlebevoegdheid leidt tot het ontstaan van een
verdenking.
● Sfeercumulatie: De controlebevoegdheid wordt ingezet terwijl er al een
verdenking bestaat.
,Bij een opsporing heeft de desbetreffende persoon meer rechten en plichten, maar
wanneer is er nou sprake van zo een overgang? Het is pas problematisch als er
misbruik wordt gemaakt van de controlebevoegdheid; controle doelbewust inzetten
met de gedachte dat de desbetreffende persoon iets strafrechtelijk is.
→ Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit staat
niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden. → mits bij de
aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als
zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. ( denk aan zwijgrecht en
art, 6 EVRM ) → zolang er geen misbruik van het recht plaatsvindt doordat een
bevoegdheid uitsluitend wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze
is gegeven )
The Dutch Paradox en discriminatoir overheidshandelen in de
strafrechtspleging
In Nederland bestaat de overtuiging dat wet- en regelgeving sterk gericht zijn op het
tegengaan van discriminatie, met name door de verplichting tot non-discriminatoir
overheidshandelen. Dit idee kan echter een paradoxaal effect hebben: doordat men
ervan uitgaat dat de juridische basis stevig is, kan het daadwerkelijke bestrijden van
discriminatie in de praktijk worden ondermijnd. Dit fenomeen wordt aangeduid als de
Dutch paradox.
Controlebevoegdheden zijn juridische instrumenten waarmee de politie toezicht
houdt op de naleving van de wet. Deze bevoegdheden kenmerken zich door:
1. Verplichte medewerking van burgers: Een burger kan niet zomaar
weigeren aan een controle mee te werken.
2. Geen verdenking vereist: De politie mag controlebevoegdheden inzetten
zonder dat er een concrete verdenking tegen een persoon bestaat.
3. Discretionaire ruimte voor de politie: De wet stelt geen specifieke
selectiecriteria vast voor wie gecontroleerd wordt, waardoor de politie zelf
bepaalt wie onder controle valt.
Deze ruime discretionaire bevoegdheden leiden tot discussies over discriminatoir
politieoptreden, met name als controlebevoegdheden zonder strafrechtelijk vervolg
worden ingezet.
De toepassing van controlebevoegdheden kan op twee manieren leiden tot een
strafrechtelijk vervolg:
● Sfeerovergang: Een controlebevoegdheid leidt tot het ontstaan van een
verdenking.
● Sfeercumulatie: De controlebevoegdheid wordt ingezet terwijl er al een
verdenking bestaat.
, In de rechtspraak wordt dit doorgaans niet als problematisch beschouwd, zolang de
controlebevoegdheid daadwerkelijk wordt ingezet om te controleren en niet om
andere (strafrechtelijke) redenen.
Echter, de inzet van controlebevoegdheden zonder strafrechtelijk vervolg schept
ruimte voor etnisch profileren, omdat:
1. De politie geen verantwoording hoeft af te leggen over waarom iemand
werd gecontroleerd.
2. De strafrechter geen controle kan uitoefenen, omdat er geen strafzaak
volgt waarin de rechtmatigheid van de controle wordt beoordeeld.
Hierdoor ontstaat een risico dat etniciteit of religie de doorslaggevende factor is bij
het selecteren van burgers voor controle. → aanbevelingen:
Wetgeving versterken:
Neem expliciete non-discriminatiebepalingen op in strafvorderlijke wetgeving en
politieoptreden.
Transparantie vergroten:
Voer verplichte registratie in van politiecontroles (bijv. via stopformulieren) en laat
deze controleren door onafhankelijke instanties.
Discretionaire ruimte beperken:
Beperk politiebevoegdheden tot hun wettelijke doel en verbind strafrechtelijke
gevolgen aan etnisch gemotiveerde controles.
Rol van de strafrechter versterken:
Laat rechters actiever toetsen op discriminatie bij politieoptreden en daar duidelijke
consequenties aan verbinden.
Nemo tenetur ( art. 6 EVRM ) = je bent niet verplicht om aan je eigen veroordeling
mee te werken.
Het toetsingskader ( Post de legé )
1. Twee voorwaarden waar aan wordt bepaald of het Nemo tenteur beginsel van
toepassing is →
I. een zekere mate van druk is uitgevoerd
II. Die is uitgevoerd in een de volgende 2 situaties:
a. die druk is uitgeoefend binnen een context van een lopende
toekomstige strafzaak
b. die druk is buiten de context van de strafzaak, maar het gaat wel
meegenomen worden in een strafzaak
2. Valt de belastende info door druk/dwang verkregen binnen of buiten bereik van
Nemo Tenetur?
- Binnen het bereik van Nemo Tenetur, geniet van bescherming van Nemo
Tenetur
- Buiten het bereik van Nemo Tenetur, geniet het niet van bescherming van
Nemo Tenetur.
→ er wordt hierbij onderscheid gemaakt onder materiaal ( wilsafhankelijk of
wilsonafhankelijk materiaal )
a. wilsafhankelijke materiaal ( zit in me hoofd, totdat ik besluit dit uit te spreken,
op te schrijven, typen etc → denk aan een verklaring )
b. wilsonafhankelijke materiaal ( bestaat; bloed, urine, sperma, telefoon, etc )
Codes zijn wilsafhankelijk, tenzij je het opschrijft, dan wordt het wilsonafhankelijk.
In beginsel is wilsafhankelijk materiaal valt binnen het bereik van Nemo Tenetur en in
uitzondering ook wilsonafhankelijke materiaal, als er sprake is van:
- art. 3 EVRM of een dreiging ervan dan valt het ook binnen Nemo Tenetur
→ Als er sprake is van art. 3 EVRM kun je zelf stellen dat er geslaagd beroep
is op Nemo Tenetur, gezien als er sprake van een waterboard, of je vinger er
af wordt gehakt niet echt kan spreken van een eerlijk proces
- fishing expedition
→ Je weet niet dat het bestaat, je bluft en dreigen met een sanctie en wacht
totdat iemand toehapt.
,3. is the Very essence of Nemo tenetur geschonden?
→ Overall fairness toets.
1. aard en mate van de druk die is uitgeoefend ( fysiek, verbaal, hoe heftig,
hoe ver ging het )
2. relevante waarborgen in de gegeven situatie ( Zijn er andere procedurele
waarborgen die we kunnen meewegen, als het ware compensatiefactor )
3. hoe wordt de informatie gebruikt in de zaak ( Wat voor rol gaat die
belastende informatie gekregen uit de druk/dwang spelen? )
Medewerkingsplicht
Het niet-verlenen van de geverde medewerking levert doorgaans een strafbaarfeit
op, namelijk het niet voldoen aan een ambtelijk bevel, art. 184 Sr.
Een verdachte kan niet worden verplicht tot het verlenen van medewerking aan het
verkrijgen van voor hem mogelijk bezwarend bewijs middeln → Het nemo tenetur
beginsel, art. 6 EVRM
→ verklaringen na het onstaan van een verdenking = cautieplicht → je bent niet tot
antwoorden verplicht, hiervoor kan je niet bestraft worden
→ verklaringen voor het onstaan van verdenking = art. 29 Sv. komt pas aan de orde
indien je een verdachte bent → Het bestaan van een verplichting om gegevens te
verstrekken is op zichzelf niet problematisch → als hieruit een verdenking ontstaat
ook niet, maar als de verplichte afgelegde verklaring wordt gebruik in een
strafprocedure tegen jou, dat maakt wel een inbreuk op art. 6 EVRM.
Verschil controle vs opsporing → HR dynamische verkeerscontrole
Controle is ter beveiliging van de maatschappij, opsporing is veel meer op het
individu gefocust; er hoeft dan nog geen strafzaak te zijn; je hebt start informatie
gekregen en vanuit daar ga je in onderzoek ( bewijzen verzamelen etc. )
Tussen deze 2 gebieden is er soms een overgang; wat zorgt voor een grijs gebied.
De toepassing van controlebevoegdheden kan op twee manieren leiden tot een
strafrechtelijk vervolg:
● Sfeerovergang: Een controlebevoegdheid leidt tot het ontstaan van een
verdenking.
● Sfeercumulatie: De controlebevoegdheid wordt ingezet terwijl er al een
verdenking bestaat.
,Bij een opsporing heeft de desbetreffende persoon meer rechten en plichten, maar
wanneer is er nou sprake van zo een overgang? Het is pas problematisch als er
misbruik wordt gemaakt van de controlebevoegdheid; controle doelbewust inzetten
met de gedachte dat de desbetreffende persoon iets strafrechtelijk is.
→ Het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit staat
niet in de weg aan het uitoefenen van controlebevoegdheden. → mits bij de
aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als
zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. ( denk aan zwijgrecht en
art, 6 EVRM ) → zolang er geen misbruik van het recht plaatsvindt doordat een
bevoegdheid uitsluitend wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze
is gegeven )
The Dutch Paradox en discriminatoir overheidshandelen in de
strafrechtspleging
In Nederland bestaat de overtuiging dat wet- en regelgeving sterk gericht zijn op het
tegengaan van discriminatie, met name door de verplichting tot non-discriminatoir
overheidshandelen. Dit idee kan echter een paradoxaal effect hebben: doordat men
ervan uitgaat dat de juridische basis stevig is, kan het daadwerkelijke bestrijden van
discriminatie in de praktijk worden ondermijnd. Dit fenomeen wordt aangeduid als de
Dutch paradox.
Controlebevoegdheden zijn juridische instrumenten waarmee de politie toezicht
houdt op de naleving van de wet. Deze bevoegdheden kenmerken zich door:
1. Verplichte medewerking van burgers: Een burger kan niet zomaar
weigeren aan een controle mee te werken.
2. Geen verdenking vereist: De politie mag controlebevoegdheden inzetten
zonder dat er een concrete verdenking tegen een persoon bestaat.
3. Discretionaire ruimte voor de politie: De wet stelt geen specifieke
selectiecriteria vast voor wie gecontroleerd wordt, waardoor de politie zelf
bepaalt wie onder controle valt.
Deze ruime discretionaire bevoegdheden leiden tot discussies over discriminatoir
politieoptreden, met name als controlebevoegdheden zonder strafrechtelijk vervolg
worden ingezet.
De toepassing van controlebevoegdheden kan op twee manieren leiden tot een
strafrechtelijk vervolg:
● Sfeerovergang: Een controlebevoegdheid leidt tot het ontstaan van een
verdenking.
● Sfeercumulatie: De controlebevoegdheid wordt ingezet terwijl er al een
verdenking bestaat.
, In de rechtspraak wordt dit doorgaans niet als problematisch beschouwd, zolang de
controlebevoegdheid daadwerkelijk wordt ingezet om te controleren en niet om
andere (strafrechtelijke) redenen.
Echter, de inzet van controlebevoegdheden zonder strafrechtelijk vervolg schept
ruimte voor etnisch profileren, omdat:
1. De politie geen verantwoording hoeft af te leggen over waarom iemand
werd gecontroleerd.
2. De strafrechter geen controle kan uitoefenen, omdat er geen strafzaak
volgt waarin de rechtmatigheid van de controle wordt beoordeeld.
Hierdoor ontstaat een risico dat etniciteit of religie de doorslaggevende factor is bij
het selecteren van burgers voor controle. → aanbevelingen:
Wetgeving versterken:
Neem expliciete non-discriminatiebepalingen op in strafvorderlijke wetgeving en
politieoptreden.
Transparantie vergroten:
Voer verplichte registratie in van politiecontroles (bijv. via stopformulieren) en laat
deze controleren door onafhankelijke instanties.
Discretionaire ruimte beperken:
Beperk politiebevoegdheden tot hun wettelijke doel en verbind strafrechtelijke
gevolgen aan etnisch gemotiveerde controles.
Rol van de strafrechter versterken:
Laat rechters actiever toetsen op discriminatie bij politieoptreden en daar duidelijke
consequenties aan verbinden.