Samenvatting Burgerlijk- en insolventierecht.
Week 1.
(Deel 1 Studiereeks burgerlijk procesrecht, m.u.v. hoofdstuk 4):
Hoofdstuk 1:
Bestuursprocesrecht: klassieke situatie dat de burger het opneemt tegen een bestuursorgaan (dus
tegen de overheid).
Wat er over blijft, valt onder het begrip burgerlijke zagen.
Als je een bestuursrechtelijke zaak bij de verkeerde rechter aanbrengt: artikel 70 Rv, de rechter spreekt
een niet-ontvankelijkverklaring uit en vermeld bij welk orgaan deze persoon dan wel terecht kan met
zijn klacht.
Hoofdstuk 2:
2 hoofdtypes van civiele procedures:
1) dagvaardingsprocedures;
2) verzoekschriftprocedures.
Arbitrage en bindend advies: het geschil wordt niet door een overheidsrechter beslecht, maar door
een particuliere rechter tot wie partijen zich vrijwillig wenden.
Bindend advies is alleen op geschreven recht (rechtspraak) gebaseerd.
Eigenlijke rechtspraak/contentieuze jurisdictie: het beslechten van het met privaatrecht verband
houdende geschillen wordt beschouwd als de meest wezenlijke taak van de rechter.
Oneigenlijke rechtspraak/voluntaire jurisdictie: wanneer het gaat om de vaststelling van wat het
recht is (dus vooral maatregelen van administratieve en huishoudelijke aard) en de wet hier toch naar
de rechter verwijst.
Contentieuze procedures worden ingeleid met een dagvaarding en eindigen met een vonnis.
Oneigenlijke procedures worden ingeleid met een verzoekschrift en eindigen met een beschikking.
Schema verzoekschriftprocedure: verzoekschrift – verweerschrift – mondelinge behandeling –
beschikking.
Verzoekschrift procedures: betreft heel vaak, maar niet altijd, rechtsbetrekkingen of rechtsgevolgen
die niet ter vrije bepaling van partijen staan.
Dagvaardingsprocedures: betreffen doorgaans, maar niet uitsluitend, rechtsbetrekkingen die ter vrije
bepaling van partijen staan.
Herstelbepaling : wanneer een procedure op de verkeerde wijze is ingeleid (art. 69 RV).
Dit is een wisselbepaling: de rechter moet in deze gevallen ambtshalve de zaak alsnog op het goede
spoor zetten.
Procespartijen:
1) materiële procespartij: degene wie de zaak in feite aangaat
2) formele procespartij: degene op wiens naam geprocedeerd worden (minderjarige en zijn ouder of
voogd). In dit geval is de materiële partij niet bevoegd om als formele partij op te treden.
,Hoofdregel: alleen natuurlijke personen of rechtspersonen kunnen procespartijen zijn.
Maar: uitzondering voor een vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap en de
ondernemingsraad.
Collectieve acties: art. 3:305a en 3:305b BW.
Hoofdstuk 3:
De rechtspraak in burgerlijke zaken is opgedragen aan de ‘rechterlijke macht’ (art. 112 GW).
Zittingsplaatsen van de gerechten die burgerlijke zaken behandelen:
- rechtbanken: spreekt recht in eerste aanleg;
- gerechtshoven: zaken waartegen je hoger beroep kan instellen;
- Hoge Raad; zaken waar je cassatie tegen in kunt stellen
Bevoegdheid van de rechter:
- functionele bevoegdheid Wet op de rechterlijke organisatie;
- territoriale bevoegdheid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Rechtsmacht: de macht of bevoegdheid van de rechter van een bepaald land om in dergelijke gevallen
recht te spreken.
De internationale regelingen hebben voorrang boven het Nederlandse. Nederlandse regelingen hebben
dus een aanvullend karakter: pas als de internationale regelingen ergens niet in voorzien, gelden zij.
Twee verdragen:
1) Brussel I
aats heeft in een EU-lidstaat
2) Lugano
Als rechters van meerdere landen tegelijkertijd rechtsmacht hebben, mag de aanlegger kiezen.
Brussel I heeft voorrang boven het Lugano Verdrag.
Hoofdregel: de rechter van de staat waar degene die men in rechte wil betrekken woonplaats heeft, is
bevoegd = forum rei(art. 2). Nationaliteit speelt geen rol.
Alternatieve rechtsmachtgronden in art. 5 en 6: de aanlegger kan in deze gevallen kiezen tussen de
forum rei en de alternatieve rechtsmacht.
Exclusieve bevoegdheidsgronden: bij een geschil over eigendom, huur en pacht van een onroerende
zaak is alleen bevoegd, de rechter van het land waar die zaak zich bevindt (art. 22).
De rechter moet de bevoegdheid ambtshalve toetsen: art. 25 en 26.
De rechtsmacht van de Nederlandse rechter (art. 1-14) is slechts van belang voor zaken waarop de
rechtsmachtbepalingen van verdragen en EU-verordeningen niet van toepassing zijn (art. 1 RV).
Art. 6 RV: dit zijn extra gronden de aanlegger kan zich op deze gronden baseren als aan de
voorwaarden die art. 2 en 3 stellen niet is voldaan.
, Absolute bevoegdheid: op welk niveau moet uitspraak worden gedaan? = Wet op de RO
° welk soort rechter is bevoegd in welk soort zaken.
Relatieve bevoegdheid: bij welke rechter van dát niveau moet ik zijn? = Wetboek RV
° welke rechter van een bepaald soort is bevoegd in deze concrete zaak.
Hoofdregel absolute bevoegdheid:
- rechtbanken in eerste aanleg nemen kennis van alle burgerlijke zaken, behoudend bij de wet bepaalde
uitzonderingen (art. 42 RO);
- de gerechtshoven oordelen in hoger beroep over de daarvoor vatbare uitspraken in burgerlijke zaken
van de rechtbanken in hun ressort (art. 60 RO);
- Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie (art. 78-80 RO).
Verwijzing: de rechter moet ambtshalve, na zich onbevoegd te hebben verklaard, naar deze andere
rechter verwijzen (art. 72, 73, 74 lid 3, 75).
Kantonzaken:
- art. 93-98 RV;
- kleinere zaken, zaken onder de € 25.000 (art. 93 sub a);
-onbepaalde waarde: sub b ‘duidelijke aanwijzingen’ dat de vordering niet hoger is dan € 25.000;
- zaken ongeacht het beloop of de waarde: art. 93 sub c (arbeidszaken, huurovk, consumentenkoop).
° deze worden altijd door de kantonrechter behandeld.
Ook hier is er een verwijzingsartikel: art. 71 RV maar zij verklaart zich niet onbevoegd (en het moet
op verzoek van de partijen).
Relatieve bevoegdheid in dagvaardingsprocedures:
- hoofdregel: de woonplaats van de gedaagde (art. 99 lid 1);
-geen bekende woonplaats? de rechter bevoegd van zijn werkelijk verblijf;
- alternatieve bevoegdheid: art. 100-107 RV;
- exclusieve bevoegdheid voor huurzaken: de rechter van de plaats van de ligging (art. 103 2e zin).
Vangnet zodat er altijd een relatief bevoegde rechter is: de woonplaats van de eiser (art. 109).
Relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures:
- hoofdregel: de rechter van de woonplaats of bij gebreke hiervan, het werkelijke verblijf van elk van
partijen (262);
- exclusieve relatieve bevoegdheden: art. 263-268;
- artikel 270: er hoeft niet verwezen te worden als alle opgeroepen belanghebbende zijn verschenen en
niemand van hen de bevoegdheid betwist.
Situatie: er zijn feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen
leiden.
Twee procedures (art. 39-41):
- wraking op verzoek van een partij;
- verschoning wanneer een rechter zichzelf wil terugtrekken.
Hoofdstuk 5:
Procesvertegenwoordiging:
- is niet verplicht bij kantonzaken in eerste aanleg (79 lid 1);
Week 1.
(Deel 1 Studiereeks burgerlijk procesrecht, m.u.v. hoofdstuk 4):
Hoofdstuk 1:
Bestuursprocesrecht: klassieke situatie dat de burger het opneemt tegen een bestuursorgaan (dus
tegen de overheid).
Wat er over blijft, valt onder het begrip burgerlijke zagen.
Als je een bestuursrechtelijke zaak bij de verkeerde rechter aanbrengt: artikel 70 Rv, de rechter spreekt
een niet-ontvankelijkverklaring uit en vermeld bij welk orgaan deze persoon dan wel terecht kan met
zijn klacht.
Hoofdstuk 2:
2 hoofdtypes van civiele procedures:
1) dagvaardingsprocedures;
2) verzoekschriftprocedures.
Arbitrage en bindend advies: het geschil wordt niet door een overheidsrechter beslecht, maar door
een particuliere rechter tot wie partijen zich vrijwillig wenden.
Bindend advies is alleen op geschreven recht (rechtspraak) gebaseerd.
Eigenlijke rechtspraak/contentieuze jurisdictie: het beslechten van het met privaatrecht verband
houdende geschillen wordt beschouwd als de meest wezenlijke taak van de rechter.
Oneigenlijke rechtspraak/voluntaire jurisdictie: wanneer het gaat om de vaststelling van wat het
recht is (dus vooral maatregelen van administratieve en huishoudelijke aard) en de wet hier toch naar
de rechter verwijst.
Contentieuze procedures worden ingeleid met een dagvaarding en eindigen met een vonnis.
Oneigenlijke procedures worden ingeleid met een verzoekschrift en eindigen met een beschikking.
Schema verzoekschriftprocedure: verzoekschrift – verweerschrift – mondelinge behandeling –
beschikking.
Verzoekschrift procedures: betreft heel vaak, maar niet altijd, rechtsbetrekkingen of rechtsgevolgen
die niet ter vrije bepaling van partijen staan.
Dagvaardingsprocedures: betreffen doorgaans, maar niet uitsluitend, rechtsbetrekkingen die ter vrije
bepaling van partijen staan.
Herstelbepaling : wanneer een procedure op de verkeerde wijze is ingeleid (art. 69 RV).
Dit is een wisselbepaling: de rechter moet in deze gevallen ambtshalve de zaak alsnog op het goede
spoor zetten.
Procespartijen:
1) materiële procespartij: degene wie de zaak in feite aangaat
2) formele procespartij: degene op wiens naam geprocedeerd worden (minderjarige en zijn ouder of
voogd). In dit geval is de materiële partij niet bevoegd om als formele partij op te treden.
,Hoofdregel: alleen natuurlijke personen of rechtspersonen kunnen procespartijen zijn.
Maar: uitzondering voor een vennootschap onder firma, de commanditaire vennootschap en de
ondernemingsraad.
Collectieve acties: art. 3:305a en 3:305b BW.
Hoofdstuk 3:
De rechtspraak in burgerlijke zaken is opgedragen aan de ‘rechterlijke macht’ (art. 112 GW).
Zittingsplaatsen van de gerechten die burgerlijke zaken behandelen:
- rechtbanken: spreekt recht in eerste aanleg;
- gerechtshoven: zaken waartegen je hoger beroep kan instellen;
- Hoge Raad; zaken waar je cassatie tegen in kunt stellen
Bevoegdheid van de rechter:
- functionele bevoegdheid Wet op de rechterlijke organisatie;
- territoriale bevoegdheid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Rechtsmacht: de macht of bevoegdheid van de rechter van een bepaald land om in dergelijke gevallen
recht te spreken.
De internationale regelingen hebben voorrang boven het Nederlandse. Nederlandse regelingen hebben
dus een aanvullend karakter: pas als de internationale regelingen ergens niet in voorzien, gelden zij.
Twee verdragen:
1) Brussel I
aats heeft in een EU-lidstaat
2) Lugano
Als rechters van meerdere landen tegelijkertijd rechtsmacht hebben, mag de aanlegger kiezen.
Brussel I heeft voorrang boven het Lugano Verdrag.
Hoofdregel: de rechter van de staat waar degene die men in rechte wil betrekken woonplaats heeft, is
bevoegd = forum rei(art. 2). Nationaliteit speelt geen rol.
Alternatieve rechtsmachtgronden in art. 5 en 6: de aanlegger kan in deze gevallen kiezen tussen de
forum rei en de alternatieve rechtsmacht.
Exclusieve bevoegdheidsgronden: bij een geschil over eigendom, huur en pacht van een onroerende
zaak is alleen bevoegd, de rechter van het land waar die zaak zich bevindt (art. 22).
De rechter moet de bevoegdheid ambtshalve toetsen: art. 25 en 26.
De rechtsmacht van de Nederlandse rechter (art. 1-14) is slechts van belang voor zaken waarop de
rechtsmachtbepalingen van verdragen en EU-verordeningen niet van toepassing zijn (art. 1 RV).
Art. 6 RV: dit zijn extra gronden de aanlegger kan zich op deze gronden baseren als aan de
voorwaarden die art. 2 en 3 stellen niet is voldaan.
, Absolute bevoegdheid: op welk niveau moet uitspraak worden gedaan? = Wet op de RO
° welk soort rechter is bevoegd in welk soort zaken.
Relatieve bevoegdheid: bij welke rechter van dát niveau moet ik zijn? = Wetboek RV
° welke rechter van een bepaald soort is bevoegd in deze concrete zaak.
Hoofdregel absolute bevoegdheid:
- rechtbanken in eerste aanleg nemen kennis van alle burgerlijke zaken, behoudend bij de wet bepaalde
uitzonderingen (art. 42 RO);
- de gerechtshoven oordelen in hoger beroep over de daarvoor vatbare uitspraken in burgerlijke zaken
van de rechtbanken in hun ressort (art. 60 RO);
- Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie (art. 78-80 RO).
Verwijzing: de rechter moet ambtshalve, na zich onbevoegd te hebben verklaard, naar deze andere
rechter verwijzen (art. 72, 73, 74 lid 3, 75).
Kantonzaken:
- art. 93-98 RV;
- kleinere zaken, zaken onder de € 25.000 (art. 93 sub a);
-onbepaalde waarde: sub b ‘duidelijke aanwijzingen’ dat de vordering niet hoger is dan € 25.000;
- zaken ongeacht het beloop of de waarde: art. 93 sub c (arbeidszaken, huurovk, consumentenkoop).
° deze worden altijd door de kantonrechter behandeld.
Ook hier is er een verwijzingsartikel: art. 71 RV maar zij verklaart zich niet onbevoegd (en het moet
op verzoek van de partijen).
Relatieve bevoegdheid in dagvaardingsprocedures:
- hoofdregel: de woonplaats van de gedaagde (art. 99 lid 1);
-geen bekende woonplaats? de rechter bevoegd van zijn werkelijk verblijf;
- alternatieve bevoegdheid: art. 100-107 RV;
- exclusieve bevoegdheid voor huurzaken: de rechter van de plaats van de ligging (art. 103 2e zin).
Vangnet zodat er altijd een relatief bevoegde rechter is: de woonplaats van de eiser (art. 109).
Relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures:
- hoofdregel: de rechter van de woonplaats of bij gebreke hiervan, het werkelijke verblijf van elk van
partijen (262);
- exclusieve relatieve bevoegdheden: art. 263-268;
- artikel 270: er hoeft niet verwezen te worden als alle opgeroepen belanghebbende zijn verschenen en
niemand van hen de bevoegdheid betwist.
Situatie: er zijn feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen
leiden.
Twee procedures (art. 39-41):
- wraking op verzoek van een partij;
- verschoning wanneer een rechter zichzelf wil terugtrekken.
Hoofdstuk 5:
Procesvertegenwoordiging:
- is niet verplicht bij kantonzaken in eerste aanleg (79 lid 1);