Hoofdstuk 14
Het moderne sociologische positivisme
Franse school:
Eerste antwoord op Italiaanse positivisten
- Geen échte “school”: WEL gemeenschappelijke nadruk op sociale
factoren (cfr. ‘Sociologische’ of ‘milieu-school’)
- Hoofdvertegenwoordigers:
- Alexandre Lacassagne: atavisme als teken van achterstand
van de maatschappij
- Gabriel Tarde: imitatietheorie
- Emile Durkheim (met grote afstand): zie volgende slides
De belangrijkste
Durkheim:
Grondlegger sociologie en sociologische positivistische benadering
binnen de criminologie
Ontwikkelde een Revolutionaire visie op criminaliteit
o Gedraging is crimineel omdat zij harde kern van collectieve
bewustzijn raakt
Collectieve bewustzijn = het geheel van opvattingen en
sentimenten die gemeenschappelijk zijn voor een gemiddelde
burger van dezelfde SL.
• Criminaliteit is dus vooral kwestie van maatschappelijke
definitie
o Straf is emotionele reactie op inbreuk op regels van het
collectieve bewustzijn
o Aard v/d misdaad hangt samen met het type SL
Elke samenleving krijgt criminaliteit die zij verdient
o Criminaliteit is normaal, noodzakelijk, en onvermijdelijk
o Criminaliteit kan ook nuttig zijn, tenminste wanneer het wordt
bestraft
• Crimi kan op 4 manieren nuttig zijn: soc functies
Als reactie worden er bepaalde regels bevestigd
Het bewust worden dat bepaalde regels vernieuwd
moeten worden
Crimi als graadmeter voor de kwaliteit van de
maatschappij
Er kan waardevolle info over de SL verkregen
worden
2 werken van Durkheim:
, 1. De la division du travail social (1893)
- Mechanische solidariteit organische solidariteit
Mechanische solidariteit = wanneer het individuele bewustzijn
samenvloeit met het collectieve bewustzijn.
- Organische solidariteit = een toenemende arbeidsverdeling en
een onderlinge afhankelijkheid van groepen.
Moderne SL
Primitieve samenlevingen vs. complexe samenlevingen
Hij zag de SL complexer worden, we zijn afh. Van
anderen.
Spraken van arbeidsverdeling: niet alleen eco
maar ook moraal en sociaal verschijnsel
Gevolgen voor het rechtssysteem
- Snelle veranderingen kunnen “etat d’anomie” veroorzaken
en solidariteit verstoren
Probleem v/d anomie: de arbeidsverdeling gebeurde zo
snel dat mensen nog niet echt een organische
solidariteit met elkaar konden ontwikkelen.
Hierdoor stijgende criminaliteitscijfers
Anomie = normloosheid
2. Le suicide (1897)
- Zelfs zelfmoord is “sociaal feit” (niet puur individuele
beslissing)
- Zelfmoorden hangen samen met maatschappelijke solidariteit
- Toename van egoïstische en anomische zelfmoorden als
indicator van anomie
Zelfde als SOC:
Egoïstische zelfdoding – ontstaat wanneer iemand te weinig verbonden
is met de samenleving; het individu voelt zich geïsoleerd.
Altruïstische zelfdoding – gebeurt wanneer iemand juist te sterk opgaat
in de groep en zijn eigen leven opoffert voor het collectief.
Anomische zelfdoding – treedt op bij een plotselinge verandering in
sociale normen of economische situatie; mensen verliezen hun richtlijnen
en perspectief.
Fatalistische zelfdoding – ontstaat bij overmatige regulering en
onderdrukking; mensen voelen geen controle over hun leven.
,Evaluatie van zijn werk:
Revolutionaire visie op criminaliteit
Aanzet voor meerdere criminologische theorieën
1. Chicago School: idee van criminaliteit als sociaal feit
2. Anomie- en straintheorieën
3. Labelingtheorieën: criminaliteit als maatschappelijke definitie
4. Hedendaagse theorieën van bestraffing
Tekortkomingen:
Geen empirisch bewijs voor enkele thesen (bv.
collectieve bewustzijn en functionele nut van alle
misdrijven)
Verwaarlozing groepsconflicten en economische
ongelijkheid
Cirkelredenering met betrekking tot invoering van
wetten en bestraffing van criminaliteit
Het moderne sociologische positivisme:
Urbanisatie en de sociaal-ecologische theorieën
Urbanisatie = mensen die naar de stad trekken voor te werken in
fabrieken.
Soc-ecologische theorie:
Verbonden aan Chicago school
Verbinding criminaliteit en sociale processen eigen aan
stadsontwikkeling
o Vb. industrialisatie en immigratie
Sociale desorganisatie: een vermindering van de invloed van bestaande
sociale gedragsregels op individuele leden van de groep. (Thomas)
“Menselijke ecologie”: stad als “organisme” en “functionele entiteit”
Concurrentie van groot belang
- Hierdoor ontstaan buurten en ontstaan er soc groepen (de
armen allemaal samen, de rijken allemaal samen)
Zonale hypothese: stad als concentrische cirkels
Zone in transition: de fabrieken en bedrijven
Zone of workingmen’s homes: Lage loon woningen
Residential zone: werkende mensen die wel geld hebben
Commuters zone: rijke mensen met villa’s
Empirische toetsing en toepassing zonale hypothese op criminaliteit
Na toetsing zien we dat er meer crimi is in de 1e zone (meer
desorganisatie)
- Hoe verder van het midden hoe minder crimi en hoe meer
organisatie.
DUS: criminaliteit is een gevolg van de sociale omstandigheden!
, Evaluatie v/d desorganisatietheorie:
Sociale desorganisatietheorie en studies van Chicago School bijna
vergeten na WWII
Kritieken:
o Zwakten in operationalisering van sociale desorganisatie
o Gebruik van officiële criminaliteitsstatistieken, weinig kritische
houding
o Structureel determinisme: weinig plaats voor de vrije wil v/d
mens.
o Te nauwe band tussen delinquentie en status van lagere klasse
o Toepasbaar ook op impulsieve of emotionele misdrijven?
Maar belangrijke kern van waarheid: invloed van socio-economische
en culturele omgeving op individuele beslissingen en gedragingen
o Inspiratie voor latere theorieën ook omwille van etnografisch
werk van Chicagoans
Na Chicago school Sociaal Ecologische theorieën.
Sociaal-ecologische theorieën kenden heropleving in jaren ’80 en ‘90
Robert Sampson is sindsdien sleutelfiguur
o Concept van ‘collective efficacy’: sociale cohesie/sociaal
vertrouwen + informele sociale controle
• Tegenovergestelde van sociale desorganisatie, maar
bijkomende focus op ‘agency’ (eigen keuze, vrije wil).
Nadruk op gedeelde verwachting van soc controle
Differentiële associatietheorie:
- Sutherland
- Crimineel gedrag = aangeleerd gedrag
- Cultuur en cultuurconflict
- Uitbreiding sociale desorganisatietheorie
- Principles of Criminology (1947): negen abstracte stellingen ter
formalisering theorie
Het moderne sociologische positivisme
Franse school:
Eerste antwoord op Italiaanse positivisten
- Geen échte “school”: WEL gemeenschappelijke nadruk op sociale
factoren (cfr. ‘Sociologische’ of ‘milieu-school’)
- Hoofdvertegenwoordigers:
- Alexandre Lacassagne: atavisme als teken van achterstand
van de maatschappij
- Gabriel Tarde: imitatietheorie
- Emile Durkheim (met grote afstand): zie volgende slides
De belangrijkste
Durkheim:
Grondlegger sociologie en sociologische positivistische benadering
binnen de criminologie
Ontwikkelde een Revolutionaire visie op criminaliteit
o Gedraging is crimineel omdat zij harde kern van collectieve
bewustzijn raakt
Collectieve bewustzijn = het geheel van opvattingen en
sentimenten die gemeenschappelijk zijn voor een gemiddelde
burger van dezelfde SL.
• Criminaliteit is dus vooral kwestie van maatschappelijke
definitie
o Straf is emotionele reactie op inbreuk op regels van het
collectieve bewustzijn
o Aard v/d misdaad hangt samen met het type SL
Elke samenleving krijgt criminaliteit die zij verdient
o Criminaliteit is normaal, noodzakelijk, en onvermijdelijk
o Criminaliteit kan ook nuttig zijn, tenminste wanneer het wordt
bestraft
• Crimi kan op 4 manieren nuttig zijn: soc functies
Als reactie worden er bepaalde regels bevestigd
Het bewust worden dat bepaalde regels vernieuwd
moeten worden
Crimi als graadmeter voor de kwaliteit van de
maatschappij
Er kan waardevolle info over de SL verkregen
worden
2 werken van Durkheim:
, 1. De la division du travail social (1893)
- Mechanische solidariteit organische solidariteit
Mechanische solidariteit = wanneer het individuele bewustzijn
samenvloeit met het collectieve bewustzijn.
- Organische solidariteit = een toenemende arbeidsverdeling en
een onderlinge afhankelijkheid van groepen.
Moderne SL
Primitieve samenlevingen vs. complexe samenlevingen
Hij zag de SL complexer worden, we zijn afh. Van
anderen.
Spraken van arbeidsverdeling: niet alleen eco
maar ook moraal en sociaal verschijnsel
Gevolgen voor het rechtssysteem
- Snelle veranderingen kunnen “etat d’anomie” veroorzaken
en solidariteit verstoren
Probleem v/d anomie: de arbeidsverdeling gebeurde zo
snel dat mensen nog niet echt een organische
solidariteit met elkaar konden ontwikkelen.
Hierdoor stijgende criminaliteitscijfers
Anomie = normloosheid
2. Le suicide (1897)
- Zelfs zelfmoord is “sociaal feit” (niet puur individuele
beslissing)
- Zelfmoorden hangen samen met maatschappelijke solidariteit
- Toename van egoïstische en anomische zelfmoorden als
indicator van anomie
Zelfde als SOC:
Egoïstische zelfdoding – ontstaat wanneer iemand te weinig verbonden
is met de samenleving; het individu voelt zich geïsoleerd.
Altruïstische zelfdoding – gebeurt wanneer iemand juist te sterk opgaat
in de groep en zijn eigen leven opoffert voor het collectief.
Anomische zelfdoding – treedt op bij een plotselinge verandering in
sociale normen of economische situatie; mensen verliezen hun richtlijnen
en perspectief.
Fatalistische zelfdoding – ontstaat bij overmatige regulering en
onderdrukking; mensen voelen geen controle over hun leven.
,Evaluatie van zijn werk:
Revolutionaire visie op criminaliteit
Aanzet voor meerdere criminologische theorieën
1. Chicago School: idee van criminaliteit als sociaal feit
2. Anomie- en straintheorieën
3. Labelingtheorieën: criminaliteit als maatschappelijke definitie
4. Hedendaagse theorieën van bestraffing
Tekortkomingen:
Geen empirisch bewijs voor enkele thesen (bv.
collectieve bewustzijn en functionele nut van alle
misdrijven)
Verwaarlozing groepsconflicten en economische
ongelijkheid
Cirkelredenering met betrekking tot invoering van
wetten en bestraffing van criminaliteit
Het moderne sociologische positivisme:
Urbanisatie en de sociaal-ecologische theorieën
Urbanisatie = mensen die naar de stad trekken voor te werken in
fabrieken.
Soc-ecologische theorie:
Verbonden aan Chicago school
Verbinding criminaliteit en sociale processen eigen aan
stadsontwikkeling
o Vb. industrialisatie en immigratie
Sociale desorganisatie: een vermindering van de invloed van bestaande
sociale gedragsregels op individuele leden van de groep. (Thomas)
“Menselijke ecologie”: stad als “organisme” en “functionele entiteit”
Concurrentie van groot belang
- Hierdoor ontstaan buurten en ontstaan er soc groepen (de
armen allemaal samen, de rijken allemaal samen)
Zonale hypothese: stad als concentrische cirkels
Zone in transition: de fabrieken en bedrijven
Zone of workingmen’s homes: Lage loon woningen
Residential zone: werkende mensen die wel geld hebben
Commuters zone: rijke mensen met villa’s
Empirische toetsing en toepassing zonale hypothese op criminaliteit
Na toetsing zien we dat er meer crimi is in de 1e zone (meer
desorganisatie)
- Hoe verder van het midden hoe minder crimi en hoe meer
organisatie.
DUS: criminaliteit is een gevolg van de sociale omstandigheden!
, Evaluatie v/d desorganisatietheorie:
Sociale desorganisatietheorie en studies van Chicago School bijna
vergeten na WWII
Kritieken:
o Zwakten in operationalisering van sociale desorganisatie
o Gebruik van officiële criminaliteitsstatistieken, weinig kritische
houding
o Structureel determinisme: weinig plaats voor de vrije wil v/d
mens.
o Te nauwe band tussen delinquentie en status van lagere klasse
o Toepasbaar ook op impulsieve of emotionele misdrijven?
Maar belangrijke kern van waarheid: invloed van socio-economische
en culturele omgeving op individuele beslissingen en gedragingen
o Inspiratie voor latere theorieën ook omwille van etnografisch
werk van Chicagoans
Na Chicago school Sociaal Ecologische theorieën.
Sociaal-ecologische theorieën kenden heropleving in jaren ’80 en ‘90
Robert Sampson is sindsdien sleutelfiguur
o Concept van ‘collective efficacy’: sociale cohesie/sociaal
vertrouwen + informele sociale controle
• Tegenovergestelde van sociale desorganisatie, maar
bijkomende focus op ‘agency’ (eigen keuze, vrije wil).
Nadruk op gedeelde verwachting van soc controle
Differentiële associatietheorie:
- Sutherland
- Crimineel gedrag = aangeleerd gedrag
- Cultuur en cultuurconflict
- Uitbreiding sociale desorganisatietheorie
- Principles of Criminology (1947): negen abstracte stellingen ter
formalisering theorie