PSYCHOLOGIE – GOEDELE EN
LEEN ACADEMIEJAAR 2025-2026
Hoofdstuk 1: Psychologie als wetenschap
Hoofdstuk 2: Psychotherapie
niet te kennen punt 4.2 en 4.3, wel EMDR 4.1
niet te kennen bij 6.5 de invloedrijke figuren (Laing, Szasz en Foucault), wel p 54-57
Hoofdstuk 3: Psychoanalyse
Tot en met punt 3 afweermechanismen
Niet te kennen punt 4-5-6-7
Hoofdstuk 4: Behaviorisme
Hoofdstuk 5: Humanistische psychologie
Hoofdstuk 6: Gestalt
Hoofdstuk integraal niet te kennen
Hoofdstuk 7: Systeemdenken
Niet punt 5 en 6
Maar gezinskaarten en genogrammen: te kennen en te situeren in de juiste scholen
Hoofdstuk 8: lichaamsgerichte therapie
Hoofdstuk integraal niet te kennen
Hoofdstuk 9: Cognitieve Psychologie
Hoofdstuk 10: Gedragstherapie van de derde generatie
10.1. Mindfulness: boek (helemaal te kennen)
10.2. Dialectische gedragstherapie: online lesmodule / artikel ! zie leerpad
bij 2.2 methodieken niet zoet uit zoetzuur maken en extreem vergroten
10.3. Acceptance en Commitment Therapy : online lesmodule / zie leerpad
Hoofdstuk 11: Narratieve psychologie
Hoofstuk 12: Oplossingsgerichte psychologie
Hoofdstuk 13: Positieve psychologie
Hoofdstuk 14: Evolutiepsychologie
Hoofdstuk 15: Neuropsychologie
H1: PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
, Proberen vat te krijgen op menselijke gedrag, alles moet evidenced based zijn,
verschillende stromingen die steeds met een andere bril moet worden
bekeken.
Stromingen ° tov elkaar, ontstaan tegenstromingen (zoals politieke partijen)
1. Domein: iedere stroming kent zijn onderwerp
2. Hypothesen en theorieën: formuleren theoriën gaat niet zomaar, systematisch
gaan bestuderen, hypothese formuleren (zeer beperkte kennis, geen zekerheid
over), daarna gaan toetsen
Verwerpen of aanvaarden
Vb. minder dan 6 uur slaap zorgt voor minder concentratie
3. Reductie: we gaan de wetenschap gaan versimpelen, iets complexs gaan
verkleinen en isoleren van de grote werkelijkheid, water traumatisch,
drinken
4. Intersubjectieve overeenstemming: inter (=tussen), wetenschappelijke regels
om dingen als waar te kunnen beschouwen, samen eens zijn omdat er een set
van criteria, set van regels is gevolgd.
5. Formulering: zeer sterk verdrongen in onze samenleving, vakjargon word zeer
verspreid gebruikt, gediscussieer over bepaalde geruchten
6. Voortgang: wetenschap evolueren, hypothese kan kloppen of kan ook
verwerpbaar zijn, elk onderzoek eindigt met nieuwe onderzoeksvragen
cyclus/proces
- Paradigma’s= manieren van kijken naar bepaalde zaken, wat kan of mag
onderzocht worden vb. vroeger werden beperkten zeer ver uit de
samenleving gehouden (emancipatie)
- Cylischische voortgang:
7. Kritisch: er kunnen revieuws geschreven worden
8. Mensbeeld en filosofisch gedachtengoed: NIET KENNEN
1. Situering tussen de wetenschappen
Het proberen vinden van algemeen geldende wetenschappen, tussen alle
stromingen heen. 2 soorten wetenschappen: nomothetische
wetenschap( algemeen geldende regels, fysica, wetenschappen), ideografische
wetenschap (unieke en specifieke literatuurwetenschappen)!!
2. Methoden
1. Mensenkennis: de voelsprieten, sommige hulpverleners hebben zulke dingen
hetzelfde meegemaakt, goed inlevingsvermogen niet wetenschappelijk, je
hebt geen kapstokken of houvast
2. Niet-psychometrische methoden: zonder echte statistiek, geen cijfers
Verschillende vb:
- Observatie: zij zien jou niet maar zij jou wel, zo observeren, speltherapie,
participerende observatie: je gaat echt invloed spelen
- Introspectie: in je eigen hoofdje kijken, conflict gehad en eens kijken naar
jezelf en beseffen wat er is gebeurd
- Interview: niet zo gestructureerd, juiste vragen stellen
- Anamnese: niet te verwarren gevalstudie, de ontstaansgeschiedenis:
subjectief verhaal van een cliënt (hoe zij het ervaart, haar subjectief
verhaal), het is zo en niemand kan daar een oordeel over hebben, alles in
, beeld gaan brengen ontwikkelingsverhaal, verhaal cliënt naar voor
brengen
Zo kan je perspectieven van mensen leren kennen
- Gevalstudie: in de diepte gaan kijken, alles in kaart brengen (medische
gegevens, anamnese jongeren en ouders)
- projectieve technieken: niet zo wetenschappelijk, mensen een prikkel
geven en hen daarover laten vertellen, eigen verhaal projecteren in wat ze
zien
- examenvraag: afbeelding projectieve test kunnen herkennen en kunnen
zeggen wat van de 3 het is.
3. Psychometrische methoden: meten, dus adhv van echte reeële gegevens
verwerken, adhv statistiek, we hebben er wel een statistische onderbouw
- Experiment: begrippen slide 43 zeer belangrijk!!! Verschil experiment en
correlationeel onderzoek goed kennen!!!
Populatie: de volledige groep waar wij met ons experiment iets willen over
vertellen bv we onderzoeken de invloed van alcohol bij alle jongeren in
Vlaanderen tussen 16-22 jaar op de reactiesnelheid
steekproef; we gaan met een bepaalde groep uit die populatie ad slag
At random: willekeurig, het lot is bepaald door de computer
Representatieve steekproef: als elke soort jongere (genoeg diversiteit)
zijn vertegenwoordigd in de steekproef
Gestratificeerde steekproef: goed nadenken over hoe we onze
steekproef gaan samenstellen
Controlegroep:
- Correlationeel onderzoek: verband zoeken tussen 2 variabelen zonder
iets te gaan manipuleren, we gaan kijken naar de onderlinge verbanden en
gaan die tov elkaar gaan verklaren bv kinderen uit slechte gezinnen
presteren slechter op school betekent niet dat scheiding er altijd voor
zorgt dat kinderen minder scoren
Positieve correlatie: ene vak goede punten, het andere vak zal ook
goede punten hebben <-> negatieve correlatie: eens een hoge score
en eens een lagere score
- Testen: 4 criteria die bij een test zeer belangrijk zijn de testcriteria
Normgroep, valide, betrouwbaarheid en gestandaardiseerd.
Validiteit: meet je wat je wil weten?? Meet de test wat hij zegt te weten?
Betrouwbaarheid: als ik vandaag een intelligentietest afleg moet het
dezelfde resultaten geven wanneer ik dit zou hertesten
Normering: als wij een test maken, we hebben voor alles een normgroep
nodig die ons iets kan vertellen over hoe wij deze scores moeten
interperteren we gaan deze test in een zeer grote groep afnemen,
gestandaardiseerd en er moet zeer duidelijk beschreven staan hoe je
een onderzoek moet doen
HOOFDSTUK 2 PSYCHOTHERAPIE
1. Dodo bird verdict
, Veel verschillende zaken dat je kan doen, zorgt voor een positief gevolg. Ze
bekijken de effectiviteit van de therapieën. Maakt niet uit wat je doet, zolang het
effect heeft. Ze zijn droog geworden dus ied heeft gewonnen.
Alle therapieën werken, ongeacht de methoden die worden gebruikt, de
verwachting werkt sws al als een effect (placebo-effect)
Taart van Lambert , 1922
Studie die kan verklaren hoe pyschotherapieën kunnen helpen (de effectiviteit)
en welke factoren hij ook vaak ziet die hier een rol in meespelen, hij deelt ze onder
in vier grote groepen (zie ppt)
Factoren buiten de therapie: vrienden weten ervan of je hebt toevallig
net een gezonde keuze gemaakt
Algemene therapiefactoren: ze zijn gemeenschappelijk, zijn in
meerdere studies aanwezig veiligheid, vertrouwen kan al een effect
hebben op het resultaat
Technieken: de methoden die gebruikt worden, gedachten, schrijven?
Of exp laten doen
Placebo effecten
Gemeenschappelijke factoren
1.1common factors theory
theorie die stelt dat er gem factoren verantw zijn voor het succes vd therapie,
de gemeenschappelijke factoren zijn belangrijk maar die verklaren maar een
deel vn het succes, er zullen dus nog andere zaken zijn die invloed spelen op
de effectiviteit van het succes
zie taart Lambert
Factoren buiten de therapie: vrienden weten ervan of je hebt toevallig net
een gezonde keuze gemaakt
Algemene therapiefactoren: ze zijn gemeenschappelijk, zijn in meerdere
studies aanwezig veiligheid, vertrouwen kan al een effect hebben op het
resultaat
Technieken: de methoden die gebruikt worden, gedachten, schrijven? Of
exp laten doen
Placebo effecten
Gemeenschappelijke factoren
LEEN ACADEMIEJAAR 2025-2026
Hoofdstuk 1: Psychologie als wetenschap
Hoofdstuk 2: Psychotherapie
niet te kennen punt 4.2 en 4.3, wel EMDR 4.1
niet te kennen bij 6.5 de invloedrijke figuren (Laing, Szasz en Foucault), wel p 54-57
Hoofdstuk 3: Psychoanalyse
Tot en met punt 3 afweermechanismen
Niet te kennen punt 4-5-6-7
Hoofdstuk 4: Behaviorisme
Hoofdstuk 5: Humanistische psychologie
Hoofdstuk 6: Gestalt
Hoofdstuk integraal niet te kennen
Hoofdstuk 7: Systeemdenken
Niet punt 5 en 6
Maar gezinskaarten en genogrammen: te kennen en te situeren in de juiste scholen
Hoofdstuk 8: lichaamsgerichte therapie
Hoofdstuk integraal niet te kennen
Hoofdstuk 9: Cognitieve Psychologie
Hoofdstuk 10: Gedragstherapie van de derde generatie
10.1. Mindfulness: boek (helemaal te kennen)
10.2. Dialectische gedragstherapie: online lesmodule / artikel ! zie leerpad
bij 2.2 methodieken niet zoet uit zoetzuur maken en extreem vergroten
10.3. Acceptance en Commitment Therapy : online lesmodule / zie leerpad
Hoofdstuk 11: Narratieve psychologie
Hoofstuk 12: Oplossingsgerichte psychologie
Hoofdstuk 13: Positieve psychologie
Hoofdstuk 14: Evolutiepsychologie
Hoofdstuk 15: Neuropsychologie
H1: PSYCHOLOGIE ALS WETENSCHAP
, Proberen vat te krijgen op menselijke gedrag, alles moet evidenced based zijn,
verschillende stromingen die steeds met een andere bril moet worden
bekeken.
Stromingen ° tov elkaar, ontstaan tegenstromingen (zoals politieke partijen)
1. Domein: iedere stroming kent zijn onderwerp
2. Hypothesen en theorieën: formuleren theoriën gaat niet zomaar, systematisch
gaan bestuderen, hypothese formuleren (zeer beperkte kennis, geen zekerheid
over), daarna gaan toetsen
Verwerpen of aanvaarden
Vb. minder dan 6 uur slaap zorgt voor minder concentratie
3. Reductie: we gaan de wetenschap gaan versimpelen, iets complexs gaan
verkleinen en isoleren van de grote werkelijkheid, water traumatisch,
drinken
4. Intersubjectieve overeenstemming: inter (=tussen), wetenschappelijke regels
om dingen als waar te kunnen beschouwen, samen eens zijn omdat er een set
van criteria, set van regels is gevolgd.
5. Formulering: zeer sterk verdrongen in onze samenleving, vakjargon word zeer
verspreid gebruikt, gediscussieer over bepaalde geruchten
6. Voortgang: wetenschap evolueren, hypothese kan kloppen of kan ook
verwerpbaar zijn, elk onderzoek eindigt met nieuwe onderzoeksvragen
cyclus/proces
- Paradigma’s= manieren van kijken naar bepaalde zaken, wat kan of mag
onderzocht worden vb. vroeger werden beperkten zeer ver uit de
samenleving gehouden (emancipatie)
- Cylischische voortgang:
7. Kritisch: er kunnen revieuws geschreven worden
8. Mensbeeld en filosofisch gedachtengoed: NIET KENNEN
1. Situering tussen de wetenschappen
Het proberen vinden van algemeen geldende wetenschappen, tussen alle
stromingen heen. 2 soorten wetenschappen: nomothetische
wetenschap( algemeen geldende regels, fysica, wetenschappen), ideografische
wetenschap (unieke en specifieke literatuurwetenschappen)!!
2. Methoden
1. Mensenkennis: de voelsprieten, sommige hulpverleners hebben zulke dingen
hetzelfde meegemaakt, goed inlevingsvermogen niet wetenschappelijk, je
hebt geen kapstokken of houvast
2. Niet-psychometrische methoden: zonder echte statistiek, geen cijfers
Verschillende vb:
- Observatie: zij zien jou niet maar zij jou wel, zo observeren, speltherapie,
participerende observatie: je gaat echt invloed spelen
- Introspectie: in je eigen hoofdje kijken, conflict gehad en eens kijken naar
jezelf en beseffen wat er is gebeurd
- Interview: niet zo gestructureerd, juiste vragen stellen
- Anamnese: niet te verwarren gevalstudie, de ontstaansgeschiedenis:
subjectief verhaal van een cliënt (hoe zij het ervaart, haar subjectief
verhaal), het is zo en niemand kan daar een oordeel over hebben, alles in
, beeld gaan brengen ontwikkelingsverhaal, verhaal cliënt naar voor
brengen
Zo kan je perspectieven van mensen leren kennen
- Gevalstudie: in de diepte gaan kijken, alles in kaart brengen (medische
gegevens, anamnese jongeren en ouders)
- projectieve technieken: niet zo wetenschappelijk, mensen een prikkel
geven en hen daarover laten vertellen, eigen verhaal projecteren in wat ze
zien
- examenvraag: afbeelding projectieve test kunnen herkennen en kunnen
zeggen wat van de 3 het is.
3. Psychometrische methoden: meten, dus adhv van echte reeële gegevens
verwerken, adhv statistiek, we hebben er wel een statistische onderbouw
- Experiment: begrippen slide 43 zeer belangrijk!!! Verschil experiment en
correlationeel onderzoek goed kennen!!!
Populatie: de volledige groep waar wij met ons experiment iets willen over
vertellen bv we onderzoeken de invloed van alcohol bij alle jongeren in
Vlaanderen tussen 16-22 jaar op de reactiesnelheid
steekproef; we gaan met een bepaalde groep uit die populatie ad slag
At random: willekeurig, het lot is bepaald door de computer
Representatieve steekproef: als elke soort jongere (genoeg diversiteit)
zijn vertegenwoordigd in de steekproef
Gestratificeerde steekproef: goed nadenken over hoe we onze
steekproef gaan samenstellen
Controlegroep:
- Correlationeel onderzoek: verband zoeken tussen 2 variabelen zonder
iets te gaan manipuleren, we gaan kijken naar de onderlinge verbanden en
gaan die tov elkaar gaan verklaren bv kinderen uit slechte gezinnen
presteren slechter op school betekent niet dat scheiding er altijd voor
zorgt dat kinderen minder scoren
Positieve correlatie: ene vak goede punten, het andere vak zal ook
goede punten hebben <-> negatieve correlatie: eens een hoge score
en eens een lagere score
- Testen: 4 criteria die bij een test zeer belangrijk zijn de testcriteria
Normgroep, valide, betrouwbaarheid en gestandaardiseerd.
Validiteit: meet je wat je wil weten?? Meet de test wat hij zegt te weten?
Betrouwbaarheid: als ik vandaag een intelligentietest afleg moet het
dezelfde resultaten geven wanneer ik dit zou hertesten
Normering: als wij een test maken, we hebben voor alles een normgroep
nodig die ons iets kan vertellen over hoe wij deze scores moeten
interperteren we gaan deze test in een zeer grote groep afnemen,
gestandaardiseerd en er moet zeer duidelijk beschreven staan hoe je
een onderzoek moet doen
HOOFDSTUK 2 PSYCHOTHERAPIE
1. Dodo bird verdict
, Veel verschillende zaken dat je kan doen, zorgt voor een positief gevolg. Ze
bekijken de effectiviteit van de therapieën. Maakt niet uit wat je doet, zolang het
effect heeft. Ze zijn droog geworden dus ied heeft gewonnen.
Alle therapieën werken, ongeacht de methoden die worden gebruikt, de
verwachting werkt sws al als een effect (placebo-effect)
Taart van Lambert , 1922
Studie die kan verklaren hoe pyschotherapieën kunnen helpen (de effectiviteit)
en welke factoren hij ook vaak ziet die hier een rol in meespelen, hij deelt ze onder
in vier grote groepen (zie ppt)
Factoren buiten de therapie: vrienden weten ervan of je hebt toevallig
net een gezonde keuze gemaakt
Algemene therapiefactoren: ze zijn gemeenschappelijk, zijn in
meerdere studies aanwezig veiligheid, vertrouwen kan al een effect
hebben op het resultaat
Technieken: de methoden die gebruikt worden, gedachten, schrijven?
Of exp laten doen
Placebo effecten
Gemeenschappelijke factoren
1.1common factors theory
theorie die stelt dat er gem factoren verantw zijn voor het succes vd therapie,
de gemeenschappelijke factoren zijn belangrijk maar die verklaren maar een
deel vn het succes, er zullen dus nog andere zaken zijn die invloed spelen op
de effectiviteit van het succes
zie taart Lambert
Factoren buiten de therapie: vrienden weten ervan of je hebt toevallig net
een gezonde keuze gemaakt
Algemene therapiefactoren: ze zijn gemeenschappelijk, zijn in meerdere
studies aanwezig veiligheid, vertrouwen kan al een effect hebben op het
resultaat
Technieken: de methoden die gebruikt worden, gedachten, schrijven? Of
exp laten doen
Placebo effecten
Gemeenschappelijke factoren