0. INLEIDING in de microbiologie
micro-organismen = microben
= min of meer levende ‘dingen’ die medische problemen kunnen
veroorzaken: schimmels
parasieten (ééncellige diertjes, wormen, geleedpotigen)
bacteriën
virussen
microben zijn niet altijd slecht!
DOEL: evenwicht in stand houden van het leven met onze omgeveing
zolang er een gezond evenwicht is, treedt er geen ziekte op.
Zonder micro-organismen kan voedsel niet verteerd worden, deze zijn aanwezig en noodzakelijk
vanaf de mond, doorheen de hele gastro-intestinale tractus tot aan de anus.
Vb.: - fermentatie van voedsel (gist laat deeg rijzen, probiotica in yoghurt of Enterol,…)
- maken van bier
- ontwikkelen van schoonmaakmiddelen
- stoelgangstransplantatie
Te kennen TERMEN binnen de microbiologie:
Commensalen = symbiose: micro-organismen leven permanent op onze huid en
slijmvliezen, ze leven op of in het menselijk lichaam zonder nadeel voor de gastheer (=
tafelgenoot)
soort: samenleven van 2 organismen zonder dat we elkaar schaden (vb. darmflora)
Epidemiologie = de wetenschappelijke studie van het voorkomen en de verspreiding van
ziekten binnen en tussen populaties.
Epidemie = een verschijnsel dat meestal in ongunstige zin optreedt in een kleiner of groter
gebied van mens of dier.
Begrip wordt gebruikt wanneer een ziekte in een grotere frequentie dan normaal voorkomt.
Pandemie = “wereldwijd voorkomend”. Het is een epidemie die zich op verschillende
continenten verspreidt. Volgens de WHO moet het virus of de besmettelijke ziekte ook nieuw
zijn en mag er dus nog geen immuniteit tegen zijn opgebouwd in de bevolking.
Immuniteit = afweer. Weerstand tegen lichaamsvreemde stoffen. De onvatbaarheid voor een
bepaalde infectieziekte door vaccinatie of een vroeger doorgemaakte besmetting.
Immunisatie = onvatbaar maken van mens of dier voor een bepaalde ziekte door toediening
van een vaccin. Een behandeling die beoogt een specifieke afweer op te wekken.
Incubatieperiode = de tijd tussen de besmetting en 1ste klinische symptomen van een ziekte.
Profylaxis = maatregelen en medicijnen die genomen kunnen worden ter preventie van een
ziekte.
Pathogenese = het meestal stapsgewijze ontstaan, ontwikkelen en verloop van een
aandoening of ziekte.
Vaccin = een middel dat bij een persoon (of dier) een immuunrespons opwekt zonder hem
ziek te maken. Hierdoor is de gevaccineerde beter bestand tegen de ziekteverwekker. Een
middel dat bij de ontvanger een immuunrespons opwekt zonder hem ziek te maken.
1
, Pathogeniciteit = pathogeen vermogen: vermogen van micro-organismen om ziek te maken.
“patho” = lijden veroorzaken (ziektekiemen)
pathogeen vermogen afhankelijk van bacterie en gezondheid van de gastheer
=> organotropisme: voorkeur van micro-organisme om in bepaal orgaan voor te komen
vb. hepatitis A virus in lever
Virulentie = een maat voor de hoeveelheid schade die een micro-organisme in zijn gastheer
aanricht. Het is een kwantificatie van pathogeniciteit.
hoge virulentie = zeer ziek makend
lage virulentie = beperkt ziekmakend
ID50 = aantal micro-organismen nodig om
in een proefdiermodel de helft van de
dieren ziek te maken = infectiedosis 50
LD50 = aantal micro-organismen nodig om
in een proefdiermodel de helft van de
dieren te doen overlijden = lethale dosis 50
verduidelijking: Pathogeniteit en virulentie zijn het vermogen van een virus om ziek te maken. Pathogeniteit gaat
over het ziekmakend vermogen van het virus; hoe ‘ziekmakend’ is een virus-individu. Virulentie wordt meestal
beschreven als het aantal virus-organismen dat nodig is om de helft van een besmette populatie daadwerkelijk
ziek te laten worden. Hoe minder virus-organismen daarvoor nodig zijn, hoe hoger het ‘ziekmakend vermogen’.
Resistentie = micro-organismen die ongevoelig zijn voor meerdere groepen van antibiotica.
= wereldwijd probleem. Gevolg: er moeten alternatieve AB ingeschakeld worden.
Micro-organismen die resistent zijn tegen eerstekeuzeantibiotica of tegen meerdere groepen
worden Bijzonder Resistente Micro-Organismen (BRMO) genoemd.
Verspreiding van BRMO vormt een bedreiging voor zorginstellingen. Hoe complexer en
intensiever de medische zorg, hoe groter de bedreiging. Patiënten met een BRMO-infectie
=> langere ziekenhuisopname + slechtere prognose + meerkost.
3 belangrijkste mechanismen 1. Productie van een inactiverend enzyme
van bacteriële resistentie: 2. Vermindering van de opname van het antimicrobiële middel
3. Verandering van bacteriële eiwitten
Hoe resistentie verwerven: mutatie of verwerving van nieuw DNA afkomstig van andere bacteriën
Antimicrobiële resistentie
MRSA = Meticilline-Resistente Staphylococcus Aureus
CPE = Carbapenemase Producerende Enterobacteriaceae
Enterobacteriaceae: bacteriën die tot de groep van gramnegatieve staven behoren. Deze
vormen de normale darmflora van mens en dier. (vb. E. Coli en Klebsiella pneumonia)
Carbapenemasen: enzymen die carbapenem-antibiotica kunnen hydrolyseren-> die AB
werken dus niet meer
Voorzorgsmaatregel: isolatie, beschermende kledij, handschoenen, handhygiëne,
mondmasker, spatbril, sceening van andere zv’s bij uitbraak
ESBL: Extended-spectrum Beta-Lactamases
Enzymen in staat om penicillines en andere AB van de 2de en 3de generatie te
hydrolyseren. Gevolg: antibiotica van de 2de en 3de generatie werken niet meer om die
specifieke bacteriën te bestrijden. Voorzorgsmaatregel: standaard voorzorgsmaatregelen
Kans op infectie met BRMO: neemt toe naarmate immuunsysteem meer gecompromitteerd is en/of
MO toegang hebben tot het lichaam via beschadigd epitheelweefsel (operatiewonden).
Verhoogde kans door: opnameduur; AB gebruik; opname op IZ; onderliggende aandoeningen;
wonden; katheters (blaassonde, centrale veneuze katheter, drains,…); transplantatie; …
2
,1. SCHIMMELS of fungi
de meerderheid veroorzaken geen problemen.
KENMERKEN
hebben geen cellen zoals eukaryoten (dierlijke cellen) maar hebben wel:
een celmembraan zoals een
een celwand plantencel
zijn geen planten! (omdat ze geen chlorofyl bezitten)
zijn geen gisten (gisten (ééncellig) zijn een klasse van schimmels)
bestaan uit draden van cellen
MEDISCHE PROBLEMEN
mycose = schimmelinfectie
infectie ernstiger en meer voorkomend bij:
minder goed werkend afweersysteem
na een antibioticakuur
allergie = allergische reactie op schimmels (reactie afhankelijk van soort):
jeuk en kriebeligheid
ademhalingsproblemen
irritatie huid en slijmvliezen
intoxicatie = vergiftiging (ziek worden) bij opeten van giftige schimmels
mycotoxicose = ziek worden door eten van schimmels die toxische stoffen produceren
vb. claviceps purpurea groeit soms op graan en produceert ergotamine gif
SCHIMMELS DERMATOFYTEN
KENMERKEN kunnen keratine (= belangrijke eiwit in huid, nagels en haar) verteren
WAAR LEVEN infecteren stratum corneum (hoornlaag) epidermis
bijna alleen op mens
in de bodem
op zoogdieren en vogels
OVERDRACHT huid-huid contact
huidschilfers vb. in douche
AANDOENING DERMATOMYCOSE (= dermatofytose):
tinea corporis = lichaam
tinea = ringvorm tinea pedis = voet
tinea unguium = nagel (onychomycosis)
tinea cruris = lies (schaamstreek)
tinea capitis = hoofdluis
3
, SCHIMMELS CANDIDA
verschillende soorten, bekendste: candida albicans
KENMERKEN = ééncellige gist (erg verspreid in de natuur)
komt OP en IN (gastro-intestinaal en urogenitaal) ons lichaam voor
ANTIBIOTICA Te veel inname antibiotica: schimmel overgroeit
vb thv mond of genitalia.
GEVOLGEN bij gezonde mens:
spruw in de mond
luier-eczeem bij baby
eczeem intertrigo (= smetplekken) ter hoogte van huidplooien
wit verlies ter hoogte van vagina
bij mensen met verminderde afweer (AIDS, chemotherapie,…):
oesophagitis (in slokdarm)
diepe infecties longen, nieren, hart, hersenen,…
SCHIMMELS ASPERGILLUS
INFO erg verspreide schimmel;
sporen ademen we vaak in;
aspergillus fumigatus = veroorzaakt meeste problemen
GEVOLGEN na inademen van sporen:
allergische reactie
veel gevallen astma aanval
in Afrika bij kanker of tuberculose:
aspergilloom (= bol-vormige groei van
schimmel) bij mensen met verminderde afweer (vb.
mucovicidose):
grotere kans op infectie (vb. pneumonie)
door productie aflatoxine (op noten, maïs, graan, rijst,…):
leverschade
leverkanker
2. PARASIETEN
= dieren die medische problemen geven.
3 SOORTEN
protozoa = ééncellige diertjes
helminthes = wormen
arthropoda = geleedpotigen (luizen, vlooien, vliegen en mijten)
KENMERKEN
parasitose = patiënt MET parasiet en MET klachten
parasitiase = patiënt MET parasiet en ZONDER klachten
ectoparasiet = parasiet leeft OP het lichaam vb. luis
endoparasiet = parasiet leeft IN het lichaam vb. toxoplasmose
(commensaal = micro-organismen die geen klachten veroorzaken en bij/of op ons wonen)
4
micro-organismen = microben
= min of meer levende ‘dingen’ die medische problemen kunnen
veroorzaken: schimmels
parasieten (ééncellige diertjes, wormen, geleedpotigen)
bacteriën
virussen
microben zijn niet altijd slecht!
DOEL: evenwicht in stand houden van het leven met onze omgeveing
zolang er een gezond evenwicht is, treedt er geen ziekte op.
Zonder micro-organismen kan voedsel niet verteerd worden, deze zijn aanwezig en noodzakelijk
vanaf de mond, doorheen de hele gastro-intestinale tractus tot aan de anus.
Vb.: - fermentatie van voedsel (gist laat deeg rijzen, probiotica in yoghurt of Enterol,…)
- maken van bier
- ontwikkelen van schoonmaakmiddelen
- stoelgangstransplantatie
Te kennen TERMEN binnen de microbiologie:
Commensalen = symbiose: micro-organismen leven permanent op onze huid en
slijmvliezen, ze leven op of in het menselijk lichaam zonder nadeel voor de gastheer (=
tafelgenoot)
soort: samenleven van 2 organismen zonder dat we elkaar schaden (vb. darmflora)
Epidemiologie = de wetenschappelijke studie van het voorkomen en de verspreiding van
ziekten binnen en tussen populaties.
Epidemie = een verschijnsel dat meestal in ongunstige zin optreedt in een kleiner of groter
gebied van mens of dier.
Begrip wordt gebruikt wanneer een ziekte in een grotere frequentie dan normaal voorkomt.
Pandemie = “wereldwijd voorkomend”. Het is een epidemie die zich op verschillende
continenten verspreidt. Volgens de WHO moet het virus of de besmettelijke ziekte ook nieuw
zijn en mag er dus nog geen immuniteit tegen zijn opgebouwd in de bevolking.
Immuniteit = afweer. Weerstand tegen lichaamsvreemde stoffen. De onvatbaarheid voor een
bepaalde infectieziekte door vaccinatie of een vroeger doorgemaakte besmetting.
Immunisatie = onvatbaar maken van mens of dier voor een bepaalde ziekte door toediening
van een vaccin. Een behandeling die beoogt een specifieke afweer op te wekken.
Incubatieperiode = de tijd tussen de besmetting en 1ste klinische symptomen van een ziekte.
Profylaxis = maatregelen en medicijnen die genomen kunnen worden ter preventie van een
ziekte.
Pathogenese = het meestal stapsgewijze ontstaan, ontwikkelen en verloop van een
aandoening of ziekte.
Vaccin = een middel dat bij een persoon (of dier) een immuunrespons opwekt zonder hem
ziek te maken. Hierdoor is de gevaccineerde beter bestand tegen de ziekteverwekker. Een
middel dat bij de ontvanger een immuunrespons opwekt zonder hem ziek te maken.
1
, Pathogeniciteit = pathogeen vermogen: vermogen van micro-organismen om ziek te maken.
“patho” = lijden veroorzaken (ziektekiemen)
pathogeen vermogen afhankelijk van bacterie en gezondheid van de gastheer
=> organotropisme: voorkeur van micro-organisme om in bepaal orgaan voor te komen
vb. hepatitis A virus in lever
Virulentie = een maat voor de hoeveelheid schade die een micro-organisme in zijn gastheer
aanricht. Het is een kwantificatie van pathogeniciteit.
hoge virulentie = zeer ziek makend
lage virulentie = beperkt ziekmakend
ID50 = aantal micro-organismen nodig om
in een proefdiermodel de helft van de
dieren ziek te maken = infectiedosis 50
LD50 = aantal micro-organismen nodig om
in een proefdiermodel de helft van de
dieren te doen overlijden = lethale dosis 50
verduidelijking: Pathogeniteit en virulentie zijn het vermogen van een virus om ziek te maken. Pathogeniteit gaat
over het ziekmakend vermogen van het virus; hoe ‘ziekmakend’ is een virus-individu. Virulentie wordt meestal
beschreven als het aantal virus-organismen dat nodig is om de helft van een besmette populatie daadwerkelijk
ziek te laten worden. Hoe minder virus-organismen daarvoor nodig zijn, hoe hoger het ‘ziekmakend vermogen’.
Resistentie = micro-organismen die ongevoelig zijn voor meerdere groepen van antibiotica.
= wereldwijd probleem. Gevolg: er moeten alternatieve AB ingeschakeld worden.
Micro-organismen die resistent zijn tegen eerstekeuzeantibiotica of tegen meerdere groepen
worden Bijzonder Resistente Micro-Organismen (BRMO) genoemd.
Verspreiding van BRMO vormt een bedreiging voor zorginstellingen. Hoe complexer en
intensiever de medische zorg, hoe groter de bedreiging. Patiënten met een BRMO-infectie
=> langere ziekenhuisopname + slechtere prognose + meerkost.
3 belangrijkste mechanismen 1. Productie van een inactiverend enzyme
van bacteriële resistentie: 2. Vermindering van de opname van het antimicrobiële middel
3. Verandering van bacteriële eiwitten
Hoe resistentie verwerven: mutatie of verwerving van nieuw DNA afkomstig van andere bacteriën
Antimicrobiële resistentie
MRSA = Meticilline-Resistente Staphylococcus Aureus
CPE = Carbapenemase Producerende Enterobacteriaceae
Enterobacteriaceae: bacteriën die tot de groep van gramnegatieve staven behoren. Deze
vormen de normale darmflora van mens en dier. (vb. E. Coli en Klebsiella pneumonia)
Carbapenemasen: enzymen die carbapenem-antibiotica kunnen hydrolyseren-> die AB
werken dus niet meer
Voorzorgsmaatregel: isolatie, beschermende kledij, handschoenen, handhygiëne,
mondmasker, spatbril, sceening van andere zv’s bij uitbraak
ESBL: Extended-spectrum Beta-Lactamases
Enzymen in staat om penicillines en andere AB van de 2de en 3de generatie te
hydrolyseren. Gevolg: antibiotica van de 2de en 3de generatie werken niet meer om die
specifieke bacteriën te bestrijden. Voorzorgsmaatregel: standaard voorzorgsmaatregelen
Kans op infectie met BRMO: neemt toe naarmate immuunsysteem meer gecompromitteerd is en/of
MO toegang hebben tot het lichaam via beschadigd epitheelweefsel (operatiewonden).
Verhoogde kans door: opnameduur; AB gebruik; opname op IZ; onderliggende aandoeningen;
wonden; katheters (blaassonde, centrale veneuze katheter, drains,…); transplantatie; …
2
,1. SCHIMMELS of fungi
de meerderheid veroorzaken geen problemen.
KENMERKEN
hebben geen cellen zoals eukaryoten (dierlijke cellen) maar hebben wel:
een celmembraan zoals een
een celwand plantencel
zijn geen planten! (omdat ze geen chlorofyl bezitten)
zijn geen gisten (gisten (ééncellig) zijn een klasse van schimmels)
bestaan uit draden van cellen
MEDISCHE PROBLEMEN
mycose = schimmelinfectie
infectie ernstiger en meer voorkomend bij:
minder goed werkend afweersysteem
na een antibioticakuur
allergie = allergische reactie op schimmels (reactie afhankelijk van soort):
jeuk en kriebeligheid
ademhalingsproblemen
irritatie huid en slijmvliezen
intoxicatie = vergiftiging (ziek worden) bij opeten van giftige schimmels
mycotoxicose = ziek worden door eten van schimmels die toxische stoffen produceren
vb. claviceps purpurea groeit soms op graan en produceert ergotamine gif
SCHIMMELS DERMATOFYTEN
KENMERKEN kunnen keratine (= belangrijke eiwit in huid, nagels en haar) verteren
WAAR LEVEN infecteren stratum corneum (hoornlaag) epidermis
bijna alleen op mens
in de bodem
op zoogdieren en vogels
OVERDRACHT huid-huid contact
huidschilfers vb. in douche
AANDOENING DERMATOMYCOSE (= dermatofytose):
tinea corporis = lichaam
tinea = ringvorm tinea pedis = voet
tinea unguium = nagel (onychomycosis)
tinea cruris = lies (schaamstreek)
tinea capitis = hoofdluis
3
, SCHIMMELS CANDIDA
verschillende soorten, bekendste: candida albicans
KENMERKEN = ééncellige gist (erg verspreid in de natuur)
komt OP en IN (gastro-intestinaal en urogenitaal) ons lichaam voor
ANTIBIOTICA Te veel inname antibiotica: schimmel overgroeit
vb thv mond of genitalia.
GEVOLGEN bij gezonde mens:
spruw in de mond
luier-eczeem bij baby
eczeem intertrigo (= smetplekken) ter hoogte van huidplooien
wit verlies ter hoogte van vagina
bij mensen met verminderde afweer (AIDS, chemotherapie,…):
oesophagitis (in slokdarm)
diepe infecties longen, nieren, hart, hersenen,…
SCHIMMELS ASPERGILLUS
INFO erg verspreide schimmel;
sporen ademen we vaak in;
aspergillus fumigatus = veroorzaakt meeste problemen
GEVOLGEN na inademen van sporen:
allergische reactie
veel gevallen astma aanval
in Afrika bij kanker of tuberculose:
aspergilloom (= bol-vormige groei van
schimmel) bij mensen met verminderde afweer (vb.
mucovicidose):
grotere kans op infectie (vb. pneumonie)
door productie aflatoxine (op noten, maïs, graan, rijst,…):
leverschade
leverkanker
2. PARASIETEN
= dieren die medische problemen geven.
3 SOORTEN
protozoa = ééncellige diertjes
helminthes = wormen
arthropoda = geleedpotigen (luizen, vlooien, vliegen en mijten)
KENMERKEN
parasitose = patiënt MET parasiet en MET klachten
parasitiase = patiënt MET parasiet en ZONDER klachten
ectoparasiet = parasiet leeft OP het lichaam vb. luis
endoparasiet = parasiet leeft IN het lichaam vb. toxoplasmose
(commensaal = micro-organismen die geen klachten veroorzaken en bij/of op ons wonen)
4