Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 44 pages
Summary

Volledige samenvatting microbiologie

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 44 pages

Een volledige samenvatting van de microbiologie, geschreven aan Eramus hoge school Brussel voor vroedkunde, voor de les medische wetenschap. Is volledig, geslaagd op examen met 17/20. Afbeeldingen en goede structuur.

Content preview

0. INLEIDING in de microbiologie
micro-organismen = microben
= min of meer levende ‘dingen’ die medische problemen kunnen
veroorzaken: schimmels
parasieten (ééncellige diertjes, wormen, geleedpotigen)
bacteriën
virussen
microben zijn niet altijd slecht!
DOEL: evenwicht in stand houden van het leven met onze omgeveing
zolang er een gezond evenwicht is, treedt er geen ziekte op.
Zonder micro-organismen kan voedsel niet verteerd worden, deze zijn aanwezig en noodzakelijk
vanaf de mond, doorheen de hele gastro-intestinale tractus tot aan de anus.
Vb.: - fermentatie van voedsel (gist laat deeg rijzen, probiotica in yoghurt of Enterol,…)
- maken van bier
- ontwikkelen van schoonmaakmiddelen
- stoelgangstransplantatie


Te kennen TERMEN binnen de microbiologie:
Commensalen = symbiose: micro-organismen leven permanent op onze huid en
slijmvliezen, ze leven op of in het menselijk lichaam zonder nadeel voor de gastheer (=
tafelgenoot)
soort: samenleven van 2 organismen zonder dat we elkaar schaden (vb. darmflora)

Epidemiologie = de wetenschappelijke studie van het voorkomen en de verspreiding van
ziekten binnen en tussen populaties.

Epidemie = een verschijnsel dat meestal in ongunstige zin optreedt in een kleiner of groter
gebied van mens of dier.
Begrip wordt gebruikt wanneer een ziekte in een grotere frequentie dan normaal voorkomt.

Pandemie = “wereldwijd voorkomend”. Het is een epidemie die zich op verschillende
continenten verspreidt. Volgens de WHO moet het virus of de besmettelijke ziekte ook nieuw
zijn en mag er dus nog geen immuniteit tegen zijn opgebouwd in de bevolking.

Immuniteit = afweer. Weerstand tegen lichaamsvreemde stoffen. De onvatbaarheid voor een
bepaalde infectieziekte door vaccinatie of een vroeger doorgemaakte besmetting.

Immunisatie = onvatbaar maken van mens of dier voor een bepaalde ziekte door toediening
van een vaccin. Een behandeling die beoogt een specifieke afweer op te wekken.

Incubatieperiode = de tijd tussen de besmetting en 1ste klinische symptomen van een ziekte.

Profylaxis = maatregelen en medicijnen die genomen kunnen worden ter preventie van een
ziekte.

Pathogenese = het meestal stapsgewijze ontstaan, ontwikkelen en verloop van een
aandoening of ziekte.

Vaccin = een middel dat bij een persoon (of dier) een immuunrespons opwekt zonder hem
ziek te maken. Hierdoor is de gevaccineerde beter bestand tegen de ziekteverwekker. Een
middel dat bij de ontvanger een immuunrespons opwekt zonder hem ziek te maken.
1

, Pathogeniciteit = pathogeen vermogen: vermogen van micro-organismen om ziek te maken.
“patho” = lijden veroorzaken (ziektekiemen)
pathogeen vermogen afhankelijk van bacterie en gezondheid van de gastheer
=> organotropisme: voorkeur van micro-organisme om in bepaal orgaan voor te komen
vb. hepatitis A virus in lever

Virulentie = een maat voor de hoeveelheid schade die een micro-organisme in zijn gastheer
aanricht. Het is een kwantificatie van pathogeniciteit.
hoge virulentie = zeer ziek makend
lage virulentie = beperkt ziekmakend
 ID50 = aantal micro-organismen nodig om
in een proefdiermodel de helft van de
dieren ziek te maken = infectiedosis 50
 LD50 = aantal micro-organismen nodig om
in een proefdiermodel de helft van de
dieren te doen overlijden = lethale dosis 50


verduidelijking: Pathogeniteit en virulentie zijn het vermogen van een virus om ziek te maken. Pathogeniteit gaat
over het ziekmakend vermogen van het virus; hoe ‘ziekmakend’ is een virus-individu. Virulentie wordt meestal
beschreven als het aantal virus-organismen dat nodig is om de helft van een besmette populatie daadwerkelijk
ziek te laten worden. Hoe minder virus-organismen daarvoor nodig zijn, hoe hoger het ‘ziekmakend vermogen’.

Resistentie = micro-organismen die ongevoelig zijn voor meerdere groepen van antibiotica.
= wereldwijd probleem. Gevolg: er moeten alternatieve AB ingeschakeld worden.
Micro-organismen die resistent zijn tegen eerstekeuzeantibiotica of tegen meerdere groepen
worden Bijzonder Resistente Micro-Organismen (BRMO) genoemd.
Verspreiding van BRMO vormt een bedreiging voor zorginstellingen. Hoe complexer en
intensiever de medische zorg, hoe groter de bedreiging. Patiënten met een BRMO-infectie
=> langere ziekenhuisopname + slechtere prognose + meerkost.
3 belangrijkste mechanismen 1. Productie van een inactiverend enzyme
van bacteriële resistentie: 2. Vermindering van de opname van het antimicrobiële middel
3. Verandering van bacteriële eiwitten
Hoe resistentie verwerven: mutatie of verwerving van nieuw DNA afkomstig van andere bacteriën
Antimicrobiële resistentie
 MRSA = Meticilline-Resistente Staphylococcus Aureus
 CPE = Carbapenemase Producerende Enterobacteriaceae
Enterobacteriaceae: bacteriën die tot de groep van gramnegatieve staven behoren. Deze
vormen de normale darmflora van mens en dier. (vb. E. Coli en Klebsiella pneumonia)
Carbapenemasen: enzymen die carbapenem-antibiotica kunnen hydrolyseren-> die AB
werken dus niet meer
Voorzorgsmaatregel: isolatie, beschermende kledij, handschoenen, handhygiëne,
mondmasker, spatbril, sceening van andere zv’s bij uitbraak
 ESBL: Extended-spectrum Beta-Lactamases
Enzymen in staat om penicillines en andere AB van de 2de en 3de generatie te
hydrolyseren. Gevolg: antibiotica van de 2de en 3de generatie werken niet meer om die
specifieke bacteriën te bestrijden. Voorzorgsmaatregel: standaard voorzorgsmaatregelen

Kans op infectie met BRMO: neemt toe naarmate immuunsysteem meer gecompromitteerd is en/of
MO toegang hebben tot het lichaam via beschadigd epitheelweefsel (operatiewonden).
Verhoogde kans door: opnameduur; AB gebruik; opname op IZ; onderliggende aandoeningen;
wonden; katheters (blaassonde, centrale veneuze katheter, drains,…); transplantatie; …
2

,1. SCHIMMELS of fungi
de meerderheid veroorzaken geen problemen.

KENMERKEN

hebben geen cellen zoals eukaryoten (dierlijke cellen) maar hebben wel:
 een celmembraan zoals een
 een celwand plantencel
zijn geen planten! (omdat ze geen chlorofyl bezitten)
zijn geen gisten (gisten (ééncellig) zijn een klasse van schimmels)
bestaan uit draden van cellen



MEDISCHE PROBLEMEN

mycose = schimmelinfectie
infectie ernstiger en meer voorkomend bij:
 minder goed werkend afweersysteem
 na een antibioticakuur
allergie = allergische reactie op schimmels (reactie afhankelijk van soort):
 jeuk en kriebeligheid
 ademhalingsproblemen
 irritatie huid en slijmvliezen
intoxicatie = vergiftiging (ziek worden) bij opeten van giftige schimmels
mycotoxicose = ziek worden door eten van schimmels die toxische stoffen produceren
vb. claviceps purpurea groeit soms op graan en produceert ergotamine gif



SCHIMMELS DERMATOFYTEN
KENMERKEN kunnen keratine (= belangrijke eiwit in huid, nagels en haar) verteren
WAAR LEVEN  infecteren stratum corneum (hoornlaag) epidermis
 bijna alleen op mens
 in de bodem
 op zoogdieren en vogels
OVERDRACHT  huid-huid contact
 huidschilfers vb. in douche
AANDOENING DERMATOMYCOSE (= dermatofytose):
 tinea corporis = lichaam
tinea = ringvorm  tinea pedis = voet
 tinea unguium = nagel (onychomycosis)
 tinea cruris = lies (schaamstreek)
 tinea capitis = hoofdluis




3

, SCHIMMELS CANDIDA
verschillende soorten, bekendste: candida albicans
KENMERKEN = ééncellige gist (erg verspreid in de natuur)
komt OP en IN (gastro-intestinaal en urogenitaal) ons lichaam voor
ANTIBIOTICA Te veel inname antibiotica: schimmel overgroeit
vb thv mond of genitalia.
GEVOLGEN bij gezonde mens:
 spruw in de mond
 luier-eczeem bij baby
eczeem  intertrigo (= smetplekken) ter hoogte van huidplooien
 wit verlies ter hoogte van vagina

bij mensen met verminderde afweer (AIDS, chemotherapie,…):
 oesophagitis (in slokdarm)
 diepe infecties longen, nieren, hart, hersenen,…


SCHIMMELS ASPERGILLUS
INFO erg verspreide schimmel;
sporen ademen we vaak in;
aspergillus fumigatus = veroorzaakt meeste problemen
GEVOLGEN na inademen van sporen:
 allergische reactie
veel gevallen  astma aanval
in Afrika bij kanker of tuberculose:
 aspergilloom (= bol-vormige groei van
schimmel) bij mensen met verminderde afweer (vb.
mucovicidose):
 grotere kans op infectie (vb. pneumonie)
door productie aflatoxine (op noten, maïs, graan, rijst,…):
 leverschade
 leverkanker




2. PARASIETEN
= dieren die medische problemen geven.

3 SOORTEN

protozoa = ééncellige diertjes
helminthes = wormen
arthropoda = geleedpotigen (luizen, vlooien, vliegen en mijten)



KENMERKEN

parasitose = patiënt MET parasiet en MET klachten
parasitiase = patiënt MET parasiet en ZONDER klachten
ectoparasiet = parasiet leeft OP het lichaam vb. luis
endoparasiet = parasiet leeft IN het lichaam vb. toxoplasmose
(commensaal = micro-organismen die geen klachten veroorzaken en bij/of op ons wonen)
4

Document information

Study
Uploaded on
December 15, 2025
Number of pages
44
Written in
2023/2024
Type
Summary
$11.94

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
7
Last sold
-



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions