BIOLOGISCHE ASPECTEN VAN DE VOORTPLANTING
Evaluatie (zie meer info laatste pagina)
o Schriftelijk examen
o Biologische termen verklaren, open vragen en meerkeuze vragen met giscorrectie
o Latijnse benamingen zijn niet te kennen
DEEL I. Seks en de alternatieven
Hoofdstuk 1: Seksuele voortplanting
o Gameten van verschillend geslacht versmelten tot een zygote
o Isogamie = gameten die uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden zijn, maar biochemisch wel
verschillend zijn
o Bij de meeste dieren is de isogamie verdwenen à macrogameet en microgameet
• Macrogameet heeft beweeglijkheid verloren, microgameet is beweeglijk gebleven
o Anisogamie = de twee gameten zijn verschillend, we kunnen de grote en kleine gameet
onderscheiden
o Oögamie = uitgesproken grote eicellen die onbeweeglijk zijn en kleine, beweeglijke zaadcellen
(mens)
1.1 De meiose: het schudden van de genetische kaarten
Erfelijk materiaal is aanwezig in de celkern in de vorm van chromosomen
o Chromosomen bestaan uit chromatine = een complex van DNA en eiwitten
o Variëren in grootte, centromeerlocatie, lengte van de armen, …
o Karyotypen = specifiek patroon van chromosomen van 1 individu
o Bij mens: 23 paar chromosomen (46 chromosomen), elk bestaande uit een
vaderlijk en een moederlijk chromosoom à = 23 paar homologe
chromosomen
o Op chromosomen liggen de genen
o Allelen = varianten van de gen op homologe chromosomen à bepalen
eigenschappen
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 1
,Meiose = deling van gameten in gonaden
o Eerst: chromosoom duplicatie à zusterchromatiden
o Twee delingen: meiose I en meiose II
o = opeenvolging celdelingen zonder replicatie van
genetisch materiaal tussen
o Resultaat: reductie van chromosoomaantal van 2n
naar n
o Gameten (eicellen en zaadcellen) bevatten de helft
van het aantal chromosomen in een adulte cel =
haploïd of n
o Adulte lichaamcellen (somatische cellen) zijn diploïd of 2n
ð Homologe chromosomen: maternale en paternale copijen
van eenzelfde chromosoom
ð Gerepliceerde chromosomen zijn verbonden door
kinetochoren en cohesine eiwittten
ð Zusterchromatiden: 2 copijen van het gerepliceerde
chromosoom
Tijdens meiose I:
o Tijdens profase I: homologe chromosomen komen tegen elkaar te liggen in een synaptonemaal
complex à maakt uitwisseling van DNA mogelijk
• Genetische variatie door crossing-over
• Genetische recombinatie tussen niet-zusterchromatiden
• Uitwisseling van homologe stukken DNA
• à Ontstaan van nieuwe allelencombinaties
o Tijdens metafase I: genetische variatie door independent assortment
• = Willekeurige verdeling van chromosomen
• Mogelijke combinaties: 2n , waarbij: n = aantal haploïde chromosomen
• Mens: 2 tot de 23ste à bijna 8 miljoen combinaties bij elke meiotische deling
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 2
, 1.1.1 Spermatogenese en oögenese
ð Op de afbeelding zien we de stadia van permatogenese en oögenese
• Spermatogenese = het biologische proces waarbij in de testes (zaadballen) zaadcellen
(spermatozoa) worden gevormd uit stamcellen (vanaf pubertijd)
•Oögenese = het proces waarbij in de eierstokken eicellen worden gevormd (vanaf
embryonale ontwikkeling)
ð Vanaf de menstruatie gaat de primaire oöcyt een meiose ondergaan tot eicel
ð Bij dieren is er pas meiose II vanaf de bevruchting
ð Als er bij de meiotische deling iets mis gaat, kan dat leiden tot defecten/afwijkingen (vb. syndroom
van down)
1.2 De bevruchting: een genetische blind date
1.2.1 Uitwendige bevruchting
o Vaak bij diersoorten die sesiel (vastzittend) of sedentair (weinig beweeglijk) zijn
o Vissen en amfibieën
o (Bv. doopvontschelp) groot aantal gameten lozen in zeewater
• Hoge kans op bevruchting
• Predatorverzadiging = een anti-predator strategie die voorkomt bij planten en dieren à
heel veel nakomelingen tegelijk produceren zodat predatoren ze niet allemaal kunnen
opeten
o Gebeurt via synchronisatie = gameten worden uitgesloten op juiste moment van getijdencyclus
• Hoge kans op bevruchting
• Predatorverzadiging
• Kans op zelfbevruchting wordt kleiner
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 3
, 1.2.2 Inwendige bevruchting
Onrechtstreekse sperma-overdracht
= Mannelijk dier gaat vrouwtje voor zich winnen, gaat zaadcellen in pakketje wikkelen (=maakt
spermatofoor aan) en zorgt dat vrouwtje daarover kruipt zodat zij dit kan opnemen in haar cloaca à zakje
barst open en de spermacellen komen vrij
o Pedipalpen bij mannelijke spinnen omgevormd tot bokshandschoentjes
• = bolvormig reservoir waarin penisachtig uitsteeksel steekt
• Mannelijke spin maakt spermaweb en gaat vanuit zijn geslachtsopening een druppel
sperma op het web leggen
• Penisachtig uitsteeksel neemt dit op en wordt naar reservoir gebracht à gaat proberen
pedipalp in het vrouwtje haar geslachtsopening te steken en spuit zaadcellen in cloaca van
vrouwtje
o Inktvissen: sperma-overdracht via hectocotylus arm = 1 van de armen wordt gebruikt om sperma
over te brengen in het vrouwelijk dier
Rechtstreekse sperma-overdracht via copulatieorgaan (penis of phallus)
o Via de penis worden de zaadcellen direct in het voortplantingskanaal van het vrouwelijk dier
gebracht
o Grootste penis in dierenrijk: zeepokken (tot 8 keer lichaamslengte)
o Haaien à pterygopoden
o Reptielen:
• Penisachtige uitstulping van cloaca
• Groeve op oppervlak van penis voor overdracht sperma
• Bevruchting van ongeschaalde eieren
o Slangen à 2 uitstulpingen van cloaca (“dubbele penis”) = hemipenissen, slecht 1 wordt gebruikt bij
copulatie
o Vogels à cloacale appositie of cloacale kus = mannetjes duwt cloaca tegen die van vrouwtje
(vogels hebben dus geen penis)
o Zoogdieren:
• Penis bestaande uit wortel – schacht – eikel
• Zwellichaampjes in schacht vergroten onder invloed van vasculatuur à erectie
• Penis van fibromusculair type (bijvoorbeeld bij olifanten en stieren)
- Geen uitwendig scrotum
- Bij deze dieren is de penis fibro-elastisch: hij wordt niet veel groter of dikker bij
erectie, maar wordt vooral rechtgetrokken doordat de sigmoïde flexuur zich uitstrekt
- Penis in s-vormige bocht
• Sommige hebben een beenachtige structuur in de penis (os penis of penisbeentje)
- Bv. bij de hond, niet aanwezig bij de mens
- Geeft penis extra stevigheid en vergemakkelijkt penetratie
- De lengte van het penisbeen bij primaten is gecorreleerd met intromissietijd = hoe
lang het mannelijk geslachtsorgaan in het vrouwtje aanwezig is tijdens de paring à
belangrijk bij mannelijke competitie
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 4
Evaluatie (zie meer info laatste pagina)
o Schriftelijk examen
o Biologische termen verklaren, open vragen en meerkeuze vragen met giscorrectie
o Latijnse benamingen zijn niet te kennen
DEEL I. Seks en de alternatieven
Hoofdstuk 1: Seksuele voortplanting
o Gameten van verschillend geslacht versmelten tot een zygote
o Isogamie = gameten die uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden zijn, maar biochemisch wel
verschillend zijn
o Bij de meeste dieren is de isogamie verdwenen à macrogameet en microgameet
• Macrogameet heeft beweeglijkheid verloren, microgameet is beweeglijk gebleven
o Anisogamie = de twee gameten zijn verschillend, we kunnen de grote en kleine gameet
onderscheiden
o Oögamie = uitgesproken grote eicellen die onbeweeglijk zijn en kleine, beweeglijke zaadcellen
(mens)
1.1 De meiose: het schudden van de genetische kaarten
Erfelijk materiaal is aanwezig in de celkern in de vorm van chromosomen
o Chromosomen bestaan uit chromatine = een complex van DNA en eiwitten
o Variëren in grootte, centromeerlocatie, lengte van de armen, …
o Karyotypen = specifiek patroon van chromosomen van 1 individu
o Bij mens: 23 paar chromosomen (46 chromosomen), elk bestaande uit een
vaderlijk en een moederlijk chromosoom à = 23 paar homologe
chromosomen
o Op chromosomen liggen de genen
o Allelen = varianten van de gen op homologe chromosomen à bepalen
eigenschappen
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 1
,Meiose = deling van gameten in gonaden
o Eerst: chromosoom duplicatie à zusterchromatiden
o Twee delingen: meiose I en meiose II
o = opeenvolging celdelingen zonder replicatie van
genetisch materiaal tussen
o Resultaat: reductie van chromosoomaantal van 2n
naar n
o Gameten (eicellen en zaadcellen) bevatten de helft
van het aantal chromosomen in een adulte cel =
haploïd of n
o Adulte lichaamcellen (somatische cellen) zijn diploïd of 2n
ð Homologe chromosomen: maternale en paternale copijen
van eenzelfde chromosoom
ð Gerepliceerde chromosomen zijn verbonden door
kinetochoren en cohesine eiwittten
ð Zusterchromatiden: 2 copijen van het gerepliceerde
chromosoom
Tijdens meiose I:
o Tijdens profase I: homologe chromosomen komen tegen elkaar te liggen in een synaptonemaal
complex à maakt uitwisseling van DNA mogelijk
• Genetische variatie door crossing-over
• Genetische recombinatie tussen niet-zusterchromatiden
• Uitwisseling van homologe stukken DNA
• à Ontstaan van nieuwe allelencombinaties
o Tijdens metafase I: genetische variatie door independent assortment
• = Willekeurige verdeling van chromosomen
• Mogelijke combinaties: 2n , waarbij: n = aantal haploïde chromosomen
• Mens: 2 tot de 23ste à bijna 8 miljoen combinaties bij elke meiotische deling
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 2
, 1.1.1 Spermatogenese en oögenese
ð Op de afbeelding zien we de stadia van permatogenese en oögenese
• Spermatogenese = het biologische proces waarbij in de testes (zaadballen) zaadcellen
(spermatozoa) worden gevormd uit stamcellen (vanaf pubertijd)
•Oögenese = het proces waarbij in de eierstokken eicellen worden gevormd (vanaf
embryonale ontwikkeling)
ð Vanaf de menstruatie gaat de primaire oöcyt een meiose ondergaan tot eicel
ð Bij dieren is er pas meiose II vanaf de bevruchting
ð Als er bij de meiotische deling iets mis gaat, kan dat leiden tot defecten/afwijkingen (vb. syndroom
van down)
1.2 De bevruchting: een genetische blind date
1.2.1 Uitwendige bevruchting
o Vaak bij diersoorten die sesiel (vastzittend) of sedentair (weinig beweeglijk) zijn
o Vissen en amfibieën
o (Bv. doopvontschelp) groot aantal gameten lozen in zeewater
• Hoge kans op bevruchting
• Predatorverzadiging = een anti-predator strategie die voorkomt bij planten en dieren à
heel veel nakomelingen tegelijk produceren zodat predatoren ze niet allemaal kunnen
opeten
o Gebeurt via synchronisatie = gameten worden uitgesloten op juiste moment van getijdencyclus
• Hoge kans op bevruchting
• Predatorverzadiging
• Kans op zelfbevruchting wordt kleiner
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 3
, 1.2.2 Inwendige bevruchting
Onrechtstreekse sperma-overdracht
= Mannelijk dier gaat vrouwtje voor zich winnen, gaat zaadcellen in pakketje wikkelen (=maakt
spermatofoor aan) en zorgt dat vrouwtje daarover kruipt zodat zij dit kan opnemen in haar cloaca à zakje
barst open en de spermacellen komen vrij
o Pedipalpen bij mannelijke spinnen omgevormd tot bokshandschoentjes
• = bolvormig reservoir waarin penisachtig uitsteeksel steekt
• Mannelijke spin maakt spermaweb en gaat vanuit zijn geslachtsopening een druppel
sperma op het web leggen
• Penisachtig uitsteeksel neemt dit op en wordt naar reservoir gebracht à gaat proberen
pedipalp in het vrouwtje haar geslachtsopening te steken en spuit zaadcellen in cloaca van
vrouwtje
o Inktvissen: sperma-overdracht via hectocotylus arm = 1 van de armen wordt gebruikt om sperma
over te brengen in het vrouwelijk dier
Rechtstreekse sperma-overdracht via copulatieorgaan (penis of phallus)
o Via de penis worden de zaadcellen direct in het voortplantingskanaal van het vrouwelijk dier
gebracht
o Grootste penis in dierenrijk: zeepokken (tot 8 keer lichaamslengte)
o Haaien à pterygopoden
o Reptielen:
• Penisachtige uitstulping van cloaca
• Groeve op oppervlak van penis voor overdracht sperma
• Bevruchting van ongeschaalde eieren
o Slangen à 2 uitstulpingen van cloaca (“dubbele penis”) = hemipenissen, slecht 1 wordt gebruikt bij
copulatie
o Vogels à cloacale appositie of cloacale kus = mannetjes duwt cloaca tegen die van vrouwtje
(vogels hebben dus geen penis)
o Zoogdieren:
• Penis bestaande uit wortel – schacht – eikel
• Zwellichaampjes in schacht vergroten onder invloed van vasculatuur à erectie
• Penis van fibromusculair type (bijvoorbeeld bij olifanten en stieren)
- Geen uitwendig scrotum
- Bij deze dieren is de penis fibro-elastisch: hij wordt niet veel groter of dikker bij
erectie, maar wordt vooral rechtgetrokken doordat de sigmoïde flexuur zich uitstrekt
- Penis in s-vormige bocht
• Sommige hebben een beenachtige structuur in de penis (os penis of penisbeentje)
- Bv. bij de hond, niet aanwezig bij de mens
- Geeft penis extra stevigheid en vergemakkelijkt penetratie
- De lengte van het penisbeen bij primaten is gecorreleerd met intromissietijd = hoe
lang het mannelijk geslachtsorgaan in het vrouwtje aanwezig is tijdens de paring à
belangrijk bij mannelijke competitie
AJ ’25-‘26 Nina Hoevenaars 4