Inhoudsopgave
Hoorcollege 2: Pijn en pijnverwerking..........................................................2
Leerdoelen 2:............................................................................................4
Hoorcollege 3: Bindweefsel, schade en herstel............................................9
Leerdoelen 3:..........................................................................................13
Hoorcollege 4: Methodisch handelen.........................................................16
Leerdoelen 4:..........................................................................................17
Hoorcollege 5: Motorische controle............................................................19
Leerdoelen 5:..........................................................................................23
Hoorcollege 6:............................................................................................26
Leerdoelen 6:..........................................................................................30
Hoorcollege 7: Bot: bouw, groei en mechanobiologie................................32
Leerdoelen 7:..........................................................................................38
Hoorcollege 8: Toegepaste anatomie enkel/voet........................................45
Leerdoelen 8:..........................................................................................48
Hoorcollege 9: Motorisch leren...................................................................50
Leerdoelen 9:..........................................................................................54
Hoorcollege 10: Weerstandstraining de basis............................................56
Leerdoelen 10:........................................................................................60
Hoorcollege 11: Inspiratiecollege Performance..........................................62
Leerdoelen 11:........................................................................................66
Hoorcollege 12: Functionele anatomie van de schouder............................68
Leerdoelen 12:........................................................................................73
Hoorcollege 13: Biopsychosociaal schoudercollege: lichaam en geest als
onafscheidelijk duo....................................................................................75
Leerdoelen 13:........................................................................................79
Hoorcollege 14: Adaptatie in fysiotherapie: mens als complex adaptief
systeem......................................................................................................82
Leerdoelen 14:........................................................................................87
Hoorcollege 15: Overbelasting: biomedische kern, klinische toepassing en
peesklachten..............................................................................................88
, Leerdoelen 15:........................................................................................95
Hoorcollege 2: Pijn en pijnverwerking
1. Wat is pijn?
Pijn is multidimensioneel: het gaat niet alleen om een
lichamelijke prikkel, maar ook om emoties, cognities (gedachten),
gedrag, sociale context en genetische factoren.
Belangrijk: pijn ≠ schade. Je kunt pijn ervaren zonder dat er (nog)
weefselschade is.
2. Indeling van pijn
Op basis van duur
Acute pijn: kortdurend, direct gevolg van weefselschade (bijv.
snijwond).
Chronische pijn: langer dan 3 maanden aanwezig, vaak zonder dat
de oorspronkelijke schade nog actief is.
Op basis van oorzaak
Nociceptieve pijn: pijn door weefselschade (bijv. verbranding,
kneuzing).
Neuropathische pijn: pijn door beschadiging van zenuwweefsel
(bijv. hernia, diabetesneuropathie).
Nociplastische pijn: pijn door veranderingen in het centrale
zenuwstelsel, zonder directe weefselschade. Dit heet ook centrale
sensitisatie (het zenuwstelsel raakt overgevoelig).
3. Het pijnsysteem – De pijnbaan
Perifeer (buiten het centrale zenuwstelsel)
Noxische prikkel: schadelijke prikkel (mechanisch, thermisch of
chemisch).
Aδ-vezels (A-delta): snelle, dunne, gemyeliniseerde zenuwvezels
→ scherpe, goed gelokaliseerde pijn.
C-vezels: langzame, ongemyeliniseerde vezels → doffe, zeurende
pijn, vaak emotioneel beladen.
Myeline = isolatielaag rond zenuwen die zorgt voor snelle geleiding.
Ruggenmerg
Signalen komen binnen via het dorsale ganglion (zenuwknoop).
Spinothalamische tractus: zenuwbaan die pijnsignalen naar de
hersenen vervoert.
Substance P (SP): neurotransmitter die pijnsignalen versterkt.
, Sensitisatie: verhoogde gevoeligheid van zenuwen →
prikkeldrempel daalt.
Hersenen
Thalamus: schakelstation dat signalen doorstuurt.
Somatosensorische cortex: verwerkt de gewaarwording (waar en
hoe sterk).
Limbisch systeem: emotionele verwerking van pijn.
Reticulaire formatie: betrokken bij alertheid en aandacht.
Neuromatrix: netwerk in de hersenen dat pijnervaring bepaalt
(gewaarwording, emotioneel, cognitief).
4. Primaire vs. secundaire pijn
Primaire pijn: direct door noxische prikkel, scherp en kortdurend,
verdwijnt na het stoppen van de prikkel.
Secundaire pijn: ontstaat door ontstekingsreactie, diffuus en
emotioneel, blijft zolang de ontsteking duurt.
Hyperalgesie = verhoogde gevoeligheid voor pijnprikkels. Allodynie =
prikkels die normaal niet pijnlijk zijn (bijv. aanraking) worden toch als pijn
ervaren.
5. Pijndemping – Mechanismen
Poorttheorie (Melzack & Wall)
In het ruggenmerg "concurreren" pijnvezels (C-vezels) en tastvezels
(Aβ-vezels).
Aβ-vezels kunnen pijnsignalen remmen → bijv. wrijven over een
pijnlijke plek, massage, TENS.
TENS = Transcutane Elektrische Neuro Stimulatie, een apparaatje dat
zenuwen prikkelt om pijn te verminderen.
Descenderende pijnremming
Hersenen sturen pijnremmende stoffen naar beneden:
o Endorfinen: lichaamseigen opioïden, werken selectief, zonder
bijwerkingen of verslaving.
o Enkefalinen: neurotransmitters die pijnsignalen in het
ruggenmerg remmen.
DNIC (Diffuse Noxious Inhibitory Control): pijn kan pijn remmen
(bijv. koude douche vermindert andere pijn).
6. Pijnperceptie
Pijn ontstaat in het brein: de hersenen bepalen of een prikkel als pijn
wordt ervaren.
, Factoren die perceptie beïnvloeden:
o Emoties (angst, stress, depressie versterken pijn).
o Cognities (gedachten zoals "dit is gevaarlijk" maken pijn
erger).
o Gedrag (vermijding of juist activiteit beïnvloedt pijnervaring).
o Context (sociale steun, levensfase, omgeving).
7. Take-home message
Pijn is niet gelijk aan schade.
Pijn ontstaat in het brein, maar wordt beïnvloed door het hele
lichaam en de omgeving.
Er zijn verschillende soorten pijn (nociceptief, neuropathisch,
nociplastisch).
Het zenuwstelsel kan gevoeliger worden (sensitisatie).
Pijn kan worden gedempt door lichamelijke, psychologische en
sociale factoren.
Uitleg moeilijke woorden
Noxische prikkel: schadelijke prikkel (mechanisch, thermisch,
chemisch).
Myeline: isolatielaag rond zenuwen die zorgt voor snelle
signaalgeleiding.
Sensitisatie: verhoogde gevoeligheid van zenuwen.
Hyperalgesie: versterkte pijnreactie op een pijnlijke prikkel.
Allodynie: pijn door een prikkel die normaal niet pijnlijk is.
Substance P: stof die pijnsignalen versterkt.
Endorfinen: lichaamseigen pijnstillers, vergelijkbaar met morfine
maar zonder bijwerkingen.
Enkefalinen: neurotransmitters die pijnsignalen remmen.
Poorttheorie: theorie dat tastprikkels pijn kunnen onderdrukken.
DNIC: mechanisme waarbij één pijnprikkel een andere pijnprikkel
kan remmen.
Neuromatrix: netwerk in de hersenen dat de pijnervaring bepaalt.
Leerdoelen 2:
Pijn: typen, kenmerken en onderliggende mechanismen
Indeling van pijn: nociceptief, neuropathisch, nociplastisch
Nociceptieve pijn: