Geleide waarneming
4 stappen van geleide waarneming
Multisensorieel waarnemen
- Alle zintuigen gebruiken
- Werkelijkheid is nodig! (je kan niet ruiken aan een foto van een tulp)
- Focus op de waarneming
o Vraag naar het waarneembare
o Nieuwe begrippen uitleggen
- Richt de waarneming
o De waarnemer ziet wat hij weet
o Bv. tekening aanvullen, corrigeren, opdrachten gesloten
houden
Benoemen
- Taalontwikkelend lesgeven van DAT naar CAT (echt durven te
gebruiken)
- Voldoende context bieden
Begrijpen
- Begrijpen wat het is, wat je er mee kan doen en wat je er mee mag
doen
- Door verschillende brillen ga je andere dingen vragen en het dus
anders begrijpen
Positieve attitude
- Positieve houdingen tegen over de omgeving en henzelf
1
,1) Introductie:
- woordspin, praatprenten, verhaal, verrassende confrontatie, …
Prikkelen van de nieuwsgierigheid
2) Vrije verkenning
- ervaringen, verwachtingen beluisteren
- voorkennis in kaart brengen
- kan leiden tot onderzoeksvragen
3) Onderzoeksvraag en hypotheses
- concreet houden
- essentieel!!
- aandacht voor leren formuleren
4) Geleide waarneming
- vertrekken van de probleemstelling
- Een of meerdere keren de 4 stappen van de geleide
waarneming
5) Conclusies
- resultaten presenteren, conclusies trekken, antwoorden
vergelijken.
Opbouw van een synthesebord/blad of werkblad
- Hogere begrippen, verbanden, illustraties …
- Talig aspect
6) Verbreding/verdieping
- Geef meer info indien zinvol
2
, - via klasgesprek: Wat heb je geleerd? Wat is de essentie? …
- TRANSFER
Klasseren Toewijzen aan groepen die door iemand anders gemaakt
zijn. classificatiecriteria en groepen gegeven, objecten
onder te brengen
bv. Leg alle veernervige en alle handnervige bladen
samen, leg de
gebodsborden en de verbodsborden samen.
Classificer Zelf ordening aanbrengen en organismen indelen. Eigen
en ordening, alles mogelijk.
bv. vragen stellen in het spel: wie is het?
Rubricere Groepen gegeven, classificatiecriterium te zoeken
n
Mogelijke vragen onderwijs leergesprek:
- waarderingsvragen (bv. vind je het mooi, leuk, lekker ruiken,
hond of poes)
- operationele vragen (bv. waarneming, doe, meet, vergelijk
vragen)
- denkvragen (bv. Welke functie/doel heeft … ?, Wat is het
nadeel van … ?, Wat is het nut van … ?, Wat is het verband
tussen … ?)
- toepassings- en verwerkingsvragen (bv. wat heb je geleerd,
hoe, pas toe)
Tijd
Begrippen
Verleden = dingen die ooit hebben plaats gevonden
Geschiedenis = de studie van het verleden, moeilijk want het verleden is
weg
Geschiedwetenschap = reconstrueren van het verleden
⟶ Verleden (toen, lang geleden, gisteren, vorig jaar )
⟶ Heden (nu, vandaag, op dit moment, …)
⟶ Toekomst (morgen, later, ooit, volgende week, …)
Ontwikkeling van (historisch) tijdbesef
3
, Biologisch tijdbesef = socialisatieproces = dingen aan leren door de
mensen rond jou
Dagelijks tijdsbesef = tijd dat wij dagelijks gebruiken zoals uur, dag,
week, maand, jaar
Historisch tijdsbesef = verleden, heden en toekomst. besef dat tijd
lineair, niet terugkerend is. De activiteiten zijn steeds anders.
Ontluikend historisch besef = de eerste, beginnende fase van
historisch begrip, waarbij kinderen het verschil leren tussen nu en vroeger
en leren gebeurtenissen grofweg op volgorde te zetten
Historisch besef = het vermogen om verleden, heden en toekomst te
onderscheiden en om de eigenheid van een historische periode te
herkennen. (eerst
Historisch bewustzijn = het besef dat er een verleden is (met een
(correct) beeld van hoe dit verleden er uitzag) en hoe het menselijk
handelen uit het verleden het heden en de toekomst beïnvloedt
Historiciteit = Het verwijst naar het feit dat iets echt gebeurd is of dat
een persoon echt heeft bestaan, en wordt gebruikt om de authenticiteit
van historische gebeurtenissen, personen of objecten aan te duiden.
Kinderen kunnen al van jonge leeftijd om gaan met tijd en kunnen
gebeurtenissen op volgorde zetten
Strategieën die leerlingen gebruiken
Om gebeurtenissen chronologisch te zetten jjjjjj
Staat in een volgorde van 3 sterren naar 1 ster. Conclusie van Barton en
Levstik.
- Kennis van materiële werkelijkheid (auto’s, kleren, gebouwen).
- Kennis uit eigen persoonlijke ervaring (‘mijn vader leerde rijden in
zo’n auto’)
- leiden tot grote zekerheid bij het maken van keuzes.
- Vooruitgang en ontwikkeling (met het heden als norm).
- ‘Anchoring and adjustment’: een vast tijdstip kiezen in het heden en
dan
4
4 stappen van geleide waarneming
Multisensorieel waarnemen
- Alle zintuigen gebruiken
- Werkelijkheid is nodig! (je kan niet ruiken aan een foto van een tulp)
- Focus op de waarneming
o Vraag naar het waarneembare
o Nieuwe begrippen uitleggen
- Richt de waarneming
o De waarnemer ziet wat hij weet
o Bv. tekening aanvullen, corrigeren, opdrachten gesloten
houden
Benoemen
- Taalontwikkelend lesgeven van DAT naar CAT (echt durven te
gebruiken)
- Voldoende context bieden
Begrijpen
- Begrijpen wat het is, wat je er mee kan doen en wat je er mee mag
doen
- Door verschillende brillen ga je andere dingen vragen en het dus
anders begrijpen
Positieve attitude
- Positieve houdingen tegen over de omgeving en henzelf
1
,1) Introductie:
- woordspin, praatprenten, verhaal, verrassende confrontatie, …
Prikkelen van de nieuwsgierigheid
2) Vrije verkenning
- ervaringen, verwachtingen beluisteren
- voorkennis in kaart brengen
- kan leiden tot onderzoeksvragen
3) Onderzoeksvraag en hypotheses
- concreet houden
- essentieel!!
- aandacht voor leren formuleren
4) Geleide waarneming
- vertrekken van de probleemstelling
- Een of meerdere keren de 4 stappen van de geleide
waarneming
5) Conclusies
- resultaten presenteren, conclusies trekken, antwoorden
vergelijken.
Opbouw van een synthesebord/blad of werkblad
- Hogere begrippen, verbanden, illustraties …
- Talig aspect
6) Verbreding/verdieping
- Geef meer info indien zinvol
2
, - via klasgesprek: Wat heb je geleerd? Wat is de essentie? …
- TRANSFER
Klasseren Toewijzen aan groepen die door iemand anders gemaakt
zijn. classificatiecriteria en groepen gegeven, objecten
onder te brengen
bv. Leg alle veernervige en alle handnervige bladen
samen, leg de
gebodsborden en de verbodsborden samen.
Classificer Zelf ordening aanbrengen en organismen indelen. Eigen
en ordening, alles mogelijk.
bv. vragen stellen in het spel: wie is het?
Rubricere Groepen gegeven, classificatiecriterium te zoeken
n
Mogelijke vragen onderwijs leergesprek:
- waarderingsvragen (bv. vind je het mooi, leuk, lekker ruiken,
hond of poes)
- operationele vragen (bv. waarneming, doe, meet, vergelijk
vragen)
- denkvragen (bv. Welke functie/doel heeft … ?, Wat is het
nadeel van … ?, Wat is het nut van … ?, Wat is het verband
tussen … ?)
- toepassings- en verwerkingsvragen (bv. wat heb je geleerd,
hoe, pas toe)
Tijd
Begrippen
Verleden = dingen die ooit hebben plaats gevonden
Geschiedenis = de studie van het verleden, moeilijk want het verleden is
weg
Geschiedwetenschap = reconstrueren van het verleden
⟶ Verleden (toen, lang geleden, gisteren, vorig jaar )
⟶ Heden (nu, vandaag, op dit moment, …)
⟶ Toekomst (morgen, later, ooit, volgende week, …)
Ontwikkeling van (historisch) tijdbesef
3
, Biologisch tijdbesef = socialisatieproces = dingen aan leren door de
mensen rond jou
Dagelijks tijdsbesef = tijd dat wij dagelijks gebruiken zoals uur, dag,
week, maand, jaar
Historisch tijdsbesef = verleden, heden en toekomst. besef dat tijd
lineair, niet terugkerend is. De activiteiten zijn steeds anders.
Ontluikend historisch besef = de eerste, beginnende fase van
historisch begrip, waarbij kinderen het verschil leren tussen nu en vroeger
en leren gebeurtenissen grofweg op volgorde te zetten
Historisch besef = het vermogen om verleden, heden en toekomst te
onderscheiden en om de eigenheid van een historische periode te
herkennen. (eerst
Historisch bewustzijn = het besef dat er een verleden is (met een
(correct) beeld van hoe dit verleden er uitzag) en hoe het menselijk
handelen uit het verleden het heden en de toekomst beïnvloedt
Historiciteit = Het verwijst naar het feit dat iets echt gebeurd is of dat
een persoon echt heeft bestaan, en wordt gebruikt om de authenticiteit
van historische gebeurtenissen, personen of objecten aan te duiden.
Kinderen kunnen al van jonge leeftijd om gaan met tijd en kunnen
gebeurtenissen op volgorde zetten
Strategieën die leerlingen gebruiken
Om gebeurtenissen chronologisch te zetten jjjjjj
Staat in een volgorde van 3 sterren naar 1 ster. Conclusie van Barton en
Levstik.
- Kennis van materiële werkelijkheid (auto’s, kleren, gebouwen).
- Kennis uit eigen persoonlijke ervaring (‘mijn vader leerde rijden in
zo’n auto’)
- leiden tot grote zekerheid bij het maken van keuzes.
- Vooruitgang en ontwikkeling (met het heden als norm).
- ‘Anchoring and adjustment’: een vast tijdstip kiezen in het heden en
dan
4