100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting ethiek examenvragen opgelost 2025 compleet

Rating
-
Sold
24
Pages
32
Uploaded on
10-12-2025
Written in
2025/2026

ethiek examenvragen opgelost 2025 compleet voor alle themacolleges en hoofdstukken obv de lessen en powerpoints + extra lectuur

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
December 10, 2025
Number of pages
32
Written in
2025/2026
Type
Summary

Subjects

Content preview

ZELFSTUDEERVRAGEN ETHIEK 2025 -26:
Zelfstudeervragen ethiek 2025-26: .............................................................................................................................. 1
Hoofdstuk 1. Ethiek en moraliteit ........................................................................................................................... 4
1. Definieer de begrippen moraal en moraliteit. Leg het verschil én de samenhang tussen beide aspecten
van de morele ervaring uit. ........................................................................................................................ 4
2. Wat is de rol van de praktische rede in de morele reflectie? Aan welke principes moet de morele
reflectie volgens de praktische rede beantwoorden?.................................................................................. 5
3. Leg uit: emoties vormen een essentieel onderdeel van de morele reflectie. Illustreer met een concreet
voorbeeld.................................................................................................................................................... 5
4. Geef de definitie van morele norm en morele waarde en leg de samenhang tussen beide uit. .............. 5
5. Leg het verschil uit tussen meta-ethiek, normatieve ethiek en toegepaste ethiek.................................. 6
6. Welke band is er tussen de opbloei van de toegepaste ethiek en de legitimeringscrisis van de ethiek in
de 20ᵉ eeuw?............................................................................................................................................... 6
Hoofdstuk 2. Morele reflectie en moderne cultuur ................................................................................................. 6
1. Leg uit: de legitimeringscrisis van de hedendaagse ethiek weerspiegelt een diepere crisis in de morele
ervaring van de hedendaagse cultuur. ........................................................................................................ 6
2. Wat begrijpt Hume onder de disjunctie feit-waarde? Waarom is dit een symptoom van de
legitimeringscrisis in de ethiek vandaag? .................................................................................................. 7
3. Leg het verschil uit tussen 1ᵉ orde moreel relativisme en 2ᵉ orde moreel relativisme. .......................... 7
4. Definieer ‘moreel subjectivisme’ en geef drie argumenten waarom deze vorm van moreel relativisme
inconsistent is. ............................................................................................................................................ 7
5. Definieer ‘cultuurrelativisme’ en geef drie argumenten waarom deze vorm van moreel relativisme
inconsistent is. ............................................................................................................................................ 8
6. Leg uit: ook het seculier humanisme is een morele traditie. Wat betekent dit voor de omgang met de
religie als bron van morele normen en waarden in de context van de liberaal-pluralistische
maatschappij? ............................................................................................................................................. 8
Hoofdstuk 3. utilisme .............................................................................................................................................. 9
1. Leg uit: ethisch egoïsme en utilisme zijn beide een vorm van doel-ethiek. Waarin bestaat het verschil
tussen beide? .............................................................................................................................................. 9
2. Wat is de grondregel / norm van het utilisme? Illustreer met een voorbeeld. ....................................... 9
3. Waarom is het utilisme een revisionistische ethiek gebaseerd op het sociaal hedonisme? In welke zin
zie je dit revisionisme en sociaal hedonisme aanwezig in Benthams nutsprincipe? ................................. 9
4. Formuleer twee moeilijkheden bij de invulling van het nutsprincipe van Bentham als grondnorm voor
de morele beoordeling.............................................................................................................................. 10
5. In welke zin poogt het regel-utilisme een correctie te bieden op het act-utilisme? ............................. 10
6. Geef de grondregel van het regel-utilisme. .......................................................................................... 10
7. Leg het principe van het grootste geluk van John Stuart Mill uit en formuleer één kritiek op dit
principe..................................................................................................................................................... 10
8. Leg uit: er bestaat een spanning tussen het utilisme van John Stuart Mill en zijn verdediging van de
individuele vrijheid als fundamentele waarde. ........................................................................................ 10
9. Waarom is geluk volgens John Stuart Mill nooit volledig kwantificeerbaar? Illustreer met een
voorbeeld.................................................................................................................................................. 11
10. Hoe verklaar je het succes van het utilisme? ..................................................................................... 11
11. Formuleer drie cruciale kritieken tegen het utilisme. ........................................................................ 11
Hoofdstuk 4. Kant en de plichtsethiek .................................................................................................................. 12
1. Waarom is Kants ethiek een intentie-ethiek? Waarin onderscheidt ze zich fundamenteel van het
consequentialisme (utilisme)? .................................................................................................................. 12

1

, 2. ‘De goede wil’ herinnert er ons aan, zo meent Kant, dat we niet altijd uit inclinatie handelen, maar
soms ons laten leiden door de praktische rede. Leg uit en illustreer met een voorbeeld. ........................ 12
3. Wie gehoorzaamt aan de morele wet is echt vrij. Waarom is dit volgens Kant geen contradictie? .... 12
4. De maximes van waaruit we handelen kunnen aan twee soorten imperatieven beantwoorden, aldus
Kant. Leg uit. ........................................................................................................................................... 12
5. Wie moreel handelt, respecteert zichzelf en de ander als een moreel en autonoom subject (persoon).
Wat bedoelt Kant hiermee? ...................................................................................................................... 13
6. Geef de eerste formulering van de categorische imperatief. Kant meent dat op basis hiervan kan
worden aangetoond dat zelfdoding moreel verwerpelijk is. Leg uit. Gaat zijn argument volgens jou op?
.................................................................................................................................................................. 13
7. Geef de tweede formulering van Kants categorische imperatief. Hoe drukt deze formulering noties uit
als ‘menselijke waardigheid’ en de unieke waarde van de persoon? Hoe zou Bentham hier tegenover
staan?........................................................................................................................................................ 13
8. Hoe zag Kant de verhouding tussen ethiek (moraal) en religie? ......................................................... 13
HOOFDSTUK 5. DEUGDETHIEK ..................................................................................................................... 14
1. Sinds Anscombe en MacIntyre kent de deugdethiek een ware opleving. Wat brachten beide figuren
onder de aandacht over de 20ᵉ-eeuwse moraalfilosofie/ethiek? .............................................................. 14
2. Welke drie kenmerken vertoont volgens MacIntyre de crisis van de hedendaagse morele cultuur in
het Westen? Evalueer zijn opvatting. ....................................................................................................... 14
3. De deugdethiek is zowel een teleologische als een intentie-ethiek. Leg uit. ....................................... 15
4. Welke aspecten van de morele ervaring brengt de deugdethiek onder de aandacht waarvoor het
utilitarisme en Kants plichtsethiek onvoldoende oog hebben? ................................................................ 15
5. Heeft een deugdethiek gebaseerd op Aristoteles vandaag nog zin als we zijn metafysische biologie
ontberen? Wat leert David Hume in dit verband?.................................................................................... 15
6. Bij Thomas is de deugdethiek vervlochten met een op het geloof gebaseerde Natuurwetgedachte. Leg
uit. Heeft dit ethisch model vandaag nog enige betekenis? ..................................................................... 16
7. Wat zijn deugden volgens Aristoteles? Hoe verhouden ze zich tot het ideaal van eudaimonia? ........ 16
8. Volgens MacIntyre bestaat er een intrinsiek verband tussen goed leven, oordeelsvermogen en deugd.
Leg uit aan de hand van zijn concept van ‘praktijk’ en ‘goederen intrinsiek aan een praktijk’. ............. 16
9. Deugdethiek zou volgens sommigen geen plaats geven aan de notie van plicht (geboden en
verboden). Wat zegt Rosalind Hursthouse hierover?............................................................................... 17
10. ‘Deugdethiek leidt tot moreel relativisme.’ Becommentarieer deze stelling. .................................... 17
Zelfstudievragen - Thema College: ‘Dierenrechten: zin en onzin’ ....................................................................... 17
Gastcollege Johannes Dervoben, 14 november 2026 ....................................................................................... 17
1. Op welke manier kan volgens Peter Singer bepaald worden wat een juiste/foute manier van omgang
met dieren is, en welke filosofische kritieken kunnen hierbij worden geformuleerd? ............................ 17
2. Wat betekent speciësisme, waarom is dit fout volgens Peter Singer, en wat impliceert Singers anti-
speciësisme voor hoe we dieren en mensen moeten behandelen? ........................................................... 18
3. Dieren moeten volgens Tom Regan morele basisrechten hebben. Welke kritiek geeft Roger Scruton
hierop, en welk antwoord kan vanuit Regans dierenrechtenbenadering op deze kritiek worden
geformuleerd? .......................................................................................................................................... 18
4. Welke kritieken zijn er door Arnold Burms, Cora Diamond en Bernard Williams geformuleerd op
anti-speciësisme? ..................................................................................................................................... 18
5. Op welke manier moeten we volgens Rosalind Hursthouse nadenken over onze omgang met dieren?
Wat impliceert dit voor vegetarisme? ...................................................................................................... 19
6. Volgens Roger Scruton is het pijnloos doden van dieren niet fout; volgens Martha Nussbaum is dat
wel het geval. Wat ligt er aan de basis van hun verschillende visies hierop? .......................................... 19
7. Wat verstaat Roger Scruton onder ‘conscientious carnivores’? Hoe kan het dat ook Peter Singer dit
als een ethisch legitieme positie ziet? ...................................................................................................... 19
2

, 8. Hoe moeten we volgens Raimond Gaita nadenken over onze omgang met dieren? Hoe verschilt dit
van de utilitaristische en dierenrechtenbenadering? ................................................................................ 20
9. Waarom vindt Raimond Gaita het gerechtvaardigd dat we huisdieren anders behandelen dan
productiedieren, ook wanneer zij over vergelijkbare vermogens beschikken? ....................................... 20
10. Welke rol spelen de gelijkenissen en verschillen tussen mens en dier in de dierenethiek van Peter
Singer, Tom Regan, Martha Nussbaum, Rosalind Hursthouse, Roger Scruton en Raimond Gaita? ...... 20
Zelfstudievragen Themaccolllege 3 ...................................................................................................................... 21
1. Wat zijn de twee fundamentele ethische principes waarop de instemming met euthanasie wordt
gebaseerd? ................................................................................................................................................ 21
2. Stelt euthanasie omwille van ‘louter psychisch lijden’ een specifieke uitdaging aan de arts en de
bredere samenleving? Schets de houding van artsen die voor euthanasie in de psychiatrie zijn, en die
van artsen die hier bezwaar tegen hebben................................................................................................ 21
3. Is empathie met de patiënt in de psychiatrische zorg verzoenbaar met het taboe op actieve
levensbeëindiging zoals voorgestaan in de Hippocratische eed?............................................................. 22
4. Leg het verschil uit tussen affectieve, cognitieve en narratieve empathie. .......................................... 22
5. Leg uit: empathie maakt deel uit van de therapie in de psychiatrie. Wat vond Freud hiervan? .......... 22
6. Becommentarieer de stelling: “De echt empathische arts kan een volgehouden vraag tot euthanasie
van een wilsbekwame patiënt niet weigeren. Betekent de weigering dat de arts te weinig empathie
vertoont?” ................................................................................................................................................. 22
7. Leg uit: de mogelijkheid van euthanasie in de psychiatrie brengt een radicaal nieuw narratief binnen
in de therapeutische verhouding. ............................................................................................................. 23
Zelfstudievragen bij thema-college ‘Oorlog & ethiek’ ......................................................................................... 23
1. Waarom lijkt oorlog wel een onvermijdelijk aspect van de menselijke conditie? ............................... 23
2. Leg uit: de staat heeft in principe het monopolie op gerechtvaardigd geweld. ................................... 23
3. Hoe definieer je terrorisme? Kan een staat terroristische daden stellen? ............................................ 24
4. Welke rol spelen de mensenrechten in de bepaling van het oorlogsrecht? .......................................... 24
5. Geef de principes van het ius ad bellum en leg uit. ............................................................................. 24
6. Geef de principes van het ius in bello en leg uit. ................................................................................. 25
7. Kan het terrorisme vanuit het leerstuk van de gerechtvaardigde oorlog (of de rechtvaardige oorlog)
worden gelegitimeerd? ............................................................................................................................. 25
8. Leg uit: het leerstuk van de rechtvaardige oorlog legt grenzen op aan de wijze waarop strijd kan
worden gevoerd tegen het terrorisme. ...................................................................................................... 25
9. Op welke wijze kan er een spanning ontstaan tussen de mensenrechten en het recht op wettige
zelfverdediging van een staat? ................................................................................................................. 26
10. Is folteren in oorlogssituaties volgens u toegestaan? Beargumenteer uw standpunt. ........................ 26
11. Wat is de motivering van het Internationaal Strafhof in Den Haag om Israël en de leiders van Hamas
aan te klagen voor oorlogsmisdaden? ...................................................................................................... 26
Zelfstudievragen: Kant, Naar de eeuwige vrede ................................................................................................. 27
Themaccolllege: Oorlog, terreur, mensenrechten - december 2025 ..................................................................... 27
1. Kan men volgens Kant rekenen op de menselijke natuur om een eeuwige vrede te realiseren? ......... 27
2. Vergelijk de preliminaire artikelen met de theorie van de rechtvaardige oorlog. Welke gelijkenissen
en verschillen?.......................................................................................................................................... 27
3. Leg uit: de rechts-idee van een eeuwige vrede berust op een quasi-contract. ..................................... 27
4. Waarom kan eeuwige vrede enkel gerealiseerd worden tussen republikeinse staten? ........................ 27
5. Wat verstaat Kant onder wereldburgerrecht en hoe onderscheidt zich dit van volkenrecht en
staatsburgerrecht?..................................................................................................................................... 27
6. Waarom vergt de idee van een eeuwige vrede de oprichting van een volkenbond? ........................... 28
3

, 7. Welke drie positieve artikelen liggen aan de eeuwige vrede ten grondslag?....................................... 28
8. Waarom wijst Kant zowel een wereldrepubliek als een universele monarchie af? ............................. 28
9. Wat betekent de idee van algemene gastvrijheid? Is dit een pleidooi voor open grenzen? ................. 28
10. Wat houdt de anti-imperialistische clausule van het wereldburgerrecht in?...................................... 29
11. Wat bedoelt Kant met doelgerichtheid in de menselijke geschiedenis zonder beroep op christelijke
eschatologie? ............................................................................................................................................ 29
12. Waarom verdedigt Kant het belang van handel voor wereldvrede? .................................................. 29
13. Welke taak hebben filosofen volgens het ‘geheime artikel’ in de bevordering van wereldvrede?.... 29
Themaccolllege 5 — Zelfstudievragen: Belastingen en ethiek............................................................................. 29
1. Welke band bestaat er tussen belastingbeleid en vertrouwen in de liberale democratie?.................... 29
2. In welke zin dragen belastingen bij tot het bonum commune?........................................................... 29
3. ‘Belastingen zijn diefstal’. Geef commentaar vanuit een libertair en een marxistisch perspectief. .... 30
4. Waarom is de ‘rule of law’ onontbeerlijk in het organiseren van belastingen? ................................... 30
5. Fuller onderscheidt ‘plichtsmoraal’ en ‘aspiratiemoraal’. Licht toe en pas toe op belastingwetgeving.
.................................................................................................................................................................. 30
6. Waarom is vertrouwen een vorm van deugd, en waarom is het essentieel voor de institutionele nood
aan belastingen? ....................................................................................................................................... 30
7. Hoe onderscheid je institutioneel vertrouwen van interpersoonlijk vertrouwen?................................ 31
8. Waarom pleit Thomas Piketty voor een mondiaal, geopolitiek herzien van de belastingpraktijk? ..... 31
9. Waarom is volgens Deirdre McCloskey het kapitalisme ook een moreel project, en wat betekent dit
voor de crisis in het belastingbeleid? ....................................................................................................... 31
10. Hoe kan de organisatie van belastingen door de overheid bijdragen aan het vertrouwen van burgers?
.................................................................................................................................................................. 32
11. Ziet u een band tussen Kants pleidooi voor Eeuwige Vrede en rechtvaardige belastingen? ............. 32



HOOFDSTUK 1. ETHIEK EN MORALITEIT

1. DEFINIEER DE BEGRIPPEN MORAAL EN MORALITEIT. LEG HET VERSCHIL ÉN DE
SAMENHANG TUSSEN BEIDE ASPECTEN VAN DE MORELE ERVARING UIT.

Moraal verwijst naar het geheel van normen, waarden en gedragsverwachtingen die binnen een gemeenschap als
bindend worden beschouwd. Het gaat om een sociaal gedeelde structuur die aangeeft wat als goed of kwaad,
geoorloofd of verboden wordt ervaren. Moraal wordt doorgaans impliciet beleefd: men groeit erin op, neemt ze
vanzelfsprekend over en ervaart haar dwingend karakter zonder noodzakelijk expliciet na te denken over haar
grondslagen.

Moraliteit daarentegen verwijst naar de innerlijke, persoonlijke verhouding van een individu tot deze normen en
waarden. Ze omvat de subjectieve ervaring van plicht, schuld, verantwoordelijkheid en overtuiging, en is verbonden
met het geweten. Moraliteit is bewuster en reflexiever: iemand kan zich moreel identificeren met de heersende
moraal, maar even goed vanuit een innerlijk moreel besef afstand nemen van of in verzet komen tegen die
maatschappelijke normen.

Het onderscheid tussen moraal en moraliteit is dus dat de eerste extern, collectief en gedragsregulerend is, terwijl de
tweede intern, persoonlijk en gewetensmatig is. Toch zijn beide onlosmakelijk verbonden: moraliteit kan slechts
ontstaan binnen een morele cultuur, maar tegelijk kan een individu vanuit zijn moraliteit de bestaande moraal kritisch
bevragen of zelfs doorbreken. De tragedie ANTIGONE toont dit scherp: de innerlijke plichtsbeleving kan botsen
met de heersende sociale orde, maar het conflict bevestigt net dat beide dimensies wezenlijk zijn voor de menselijke
morele ervaring.


4

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
uarechtenstudent24 Universiteit Antwerpen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
134
Member since
3 year
Number of followers
49
Documents
17
Last sold
2 days ago
uarechtenstudent

3.7

9 reviews

5
3
4
2
3
2
2
2
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions