CYTOLOGIE = CELLEER EN
WEEFSELLEER
INLEIDING
Examen: 20 MCE met 4 mogelijkheden + openvragen, 2 behorend tot de cursus en 1 moeilijkere waar
je zelf moet redeneren
Cel afmetingen:
• Kunnen heel hard variëren qua grootte: struisvogelei vs microscopische afmetingen zoals
eicel
• Grootte hangt af van 2 factoren:
o Diffusiemogelijkheid: verhouding oppervlakte/volume
o Controle van de kern: metabolisme van de cellen controleren → hoe lager
metabolisme, hoe groter de cel
• Celvolume = onafh. van de grootte van het organisme.
→ Grootte cel = groter aantal cellen
Celvorm:
• Wisselend: vrije cellen (bloedcellen, macrofagen), zijn vervormbaar
• Constant: vaste cellen (spiercellen, epitheelcellen), hebben strikte vorm
3 lagen:
• onderste laag: hypodermisch
• middelste laag: dermisch
• bovenste laag: epidermisch →bestaat uit verschillende cellagen (de onderste is de
basale laag)
vb. immuunsysteem gaat reageren tegen virale infecties, als je ziek bent. De immuuncellen
moeten doorheen de bloedvatenwand gaan om de infectie tegen te gaan. Die wringen zich
door kleine gaatjes en zijn dus heel veranderlijk. Immuuncellen = leucocyten, macrofagen,...
Celbouw:
3 grote delen:
1
,H1: CELMEMBRAAN
STRUCTUUR:
= oplossing van georiënteerde lipiden en globulaire eiwitten
o Lipiden: meer = fosfolipiden
Membraan = dubbele laag fosfolipiden
- polair-hydrofiel gedeelte → waterig milieu
- apolair-hydrofoob gedeelte → midden van membraan (verspreiden zich
in horizontale richting: olie op water)
o Eiwitten: niet enkel aan oppervlak
Verdeeld zoals mozaïek patroon
Onderscheid:
- Integrale eiwitten: helemaal door het membraan
- Perifere eiwitten: enkel binnen of buitenkant van membraan
Hebben ook polair en apolair gedeelte
Functies van eiwitten:
- Structureel (als bouwelement)
- Transportproteïnen (carriers): transport door celmembraan tegen
elektrochemische gradiënt
- Ionenkanalen voor passief transport
- Pompen voor actief transport
- Receptoren lokken intracellulaire processen uit door te binden.
- Enzymen katalyseren omzettingen
o Glycocalyx: langs buitenzijde van celmembraan een dun laagje
Bestaat uit vertakte filamenten aanwezig op eiwitten
2 delen:
- Grootste deel: glycoproteïnen
- Kleiner deel: Glycolipiden
Functie:
- Bescherming (voor fysische interactie): puntkracht op de cel -> duwen op
glycocalyx en door het netwerk aan koolhydraten wordt de puntkracht
verdeeld over een groter oppervlak van de cel. Er is minder schade aan de
cel.
- Bescherming tegen chemische stoffen: stoot chemische stoffen af
- Rol in transmembranaire transport (pino- en facgocytose)
- Celadhesie (vasthechten): soms voedingsstoffen nodig dus die worden
aangetrokken door glycocalyx -> aanhechten van componenten aan de cel
- Contactinhibitie (afstoten): glycocalyx zorgt ervoor dat virussen worden
afgestoten
- Herkenning mechanisme: combinatie van eiwitten en koolhydraten
2. SPECIALE VORMEN VAN DE CELMEMBRAAN:
Extracellulaire ruimte:
o Microvilli: (regelmatige vingervormige uitstulpingen aan celoppervlak) zorgen voor
vergroting contactoppervlak, inhoud = contactoppervlak
o Cilia (trilharen) en flagellen:
Cilia:
o Gespecialiseerde en complexe structuren met gecoördineerde beweeglijkheid.
o Ingeplant op een basaal lichaampje
o Dwarse doorsneden:
- 9 perifere fibrillen doubletten
2
, • Elk perifere fibril = twee microtubuli
o Subfibril A: 13 eenheden, heeft zij-armen die naburig duplet
aanraken
o Subfibril B: 10/11 eenheden waarvan een deel
gemeenschappelijk is met subfibril A
- 2 centralen fibrillen
• Omgeven door speciale gestructureerde mantel, met spaken
verbonden aan subfibril A
• Spaken zijn verteerbaar door trypsine
- Basis Cilium (enkelvoud cilia)
• Kinetosoom = basaal lichaampje
o Bevat 9 tripletten vaan microtubuli = perifere wand
o Distaal is cilinder toe
o Proximaal is cilinder open en heeft hij wortels in het
cytoplasma.
Intercellulaire ruimte:
o Zonula occludens: (tight junction)
- Ligt gordelvormig rond de cel
- Sluit intercellulaire (tussen cellen) spleet af tegen een lumen, soms door
puntvormige contacten tussen de buitenbladen van celmembraan
→ Aaneensluitende richels die aaneengeijkt zijn
- Indrukwekkende plasticiteit van occlude richels
- Tight junction bestaat uit diepreikend netwerk van richels
- Normaal in leaky epithelen: schaarser en minder aaneensluitend
richelnetwerk
- In functie van de omstandigheden kan het van tight (dicht) naar leaky (lekke)
gaan.
- Heeft ook openingen voor extracellulair transport
- Dus: globulaire eiwitten die ervoor zorgen dat 2 celmembranen aan
elkaar gekoppeld zijn. →flexibel
o Zonula adhaerens (complexer)
- Gordel rond cel (iets lager in de cel)
- Gespecialiseerde membraanzone: membranen liggen
parallel met intercellulaire spleet, gevuld met fijn
filamenteus materiaal
- Aan cytoplasmatische zijde: dikke laag ineengevlochten
microfilamenten (actine)
- Functie: overbrengen van spanningen tussen cellen → ze
maken reproduceerbare contracties en relaxaties v/e
samenhangend weefsel
- Dus: zonulae adhaerens spelen een rol in de
intercellulaire transmissie van actieve, intern voortgebrachte
spanningen tussen de cellen van een weefsel. Zij maken dus
reproduceerbare contracties en relaxaties van een samenhangend
weefsel over. Opvangen van tractie en trekkrachten. Tussen de
celmembranen heb je ‘haakeiwitten’ die in elkaar haken. Gekoppeld
aan het cytoskelet in de cel.
3
, o Macula adhaerens (of desmosoom) -> meest complex
- Schijfvormige membraanzone
- Structuur: vrij analoog aan zonula adhaerens
- Tegen cytoplasmatisch blad vindt men een
elektronendense plaat: hierin lopen cytoplasmatische
microfilamenten met een haarspeldbocht doorheen.
• Microfilamenten = niet-contractiele
tonofilamenten (steunfunctie)
- Minder vervormbaar dan zonula
- Zeer hechte structuur -> voor het beschermen van
indringers buitenaf, tenzij huid beschadigd is
- Dus: heeft sterke hechtstructuur. Er zit een
globulair eiwit aan de binnenkant van de cel.
Eiwitten die de verbinding maken met de cellen,
zijn ook nog is verbonden met het cytoskelet.
o Hemidesmosoom
- Halve desmosomen
- Zijn aan basale zijde van epitheelcellen
- Functie:
• Hechting tussen cytoplasma en lamina basalis
• Verdeling van de mechanische kracht wordt verspreid over heel het
weefsel op passieve wijze
ze verspreiden de mechanische kracht over het hele weefsel op een passieve wijze.
• nexus / gap-junction
door de opening kunnen laag moleculaire
verbindingen door bv. ATP, calcium
(belangrijk in het contractieproces vh hart)
Dus: hechting aan elkaar, maar tegelijk ook
doorgang voor bepaalde zaken.
De functie van de nexus is een functionele
koppeling van cellen voor intercellulaire
communicatie. Door het kanaaltje van de gap
junction kunnen zeer snel micromoleculen
uitgewisseld worden. Dat verklaart de lage
elektrische weerstand.
o Nexus (gap junction)
- Hydrofiele kanaaltjes
ingebouwd in membraan tussen
2 cellen
- Communicatiebuis:
• Passage van laag-
moleculaire
verbindingen
• Verklaart de lage elektrische weerstand
4
WEEFSELLEER
INLEIDING
Examen: 20 MCE met 4 mogelijkheden + openvragen, 2 behorend tot de cursus en 1 moeilijkere waar
je zelf moet redeneren
Cel afmetingen:
• Kunnen heel hard variëren qua grootte: struisvogelei vs microscopische afmetingen zoals
eicel
• Grootte hangt af van 2 factoren:
o Diffusiemogelijkheid: verhouding oppervlakte/volume
o Controle van de kern: metabolisme van de cellen controleren → hoe lager
metabolisme, hoe groter de cel
• Celvolume = onafh. van de grootte van het organisme.
→ Grootte cel = groter aantal cellen
Celvorm:
• Wisselend: vrije cellen (bloedcellen, macrofagen), zijn vervormbaar
• Constant: vaste cellen (spiercellen, epitheelcellen), hebben strikte vorm
3 lagen:
• onderste laag: hypodermisch
• middelste laag: dermisch
• bovenste laag: epidermisch →bestaat uit verschillende cellagen (de onderste is de
basale laag)
vb. immuunsysteem gaat reageren tegen virale infecties, als je ziek bent. De immuuncellen
moeten doorheen de bloedvatenwand gaan om de infectie tegen te gaan. Die wringen zich
door kleine gaatjes en zijn dus heel veranderlijk. Immuuncellen = leucocyten, macrofagen,...
Celbouw:
3 grote delen:
1
,H1: CELMEMBRAAN
STRUCTUUR:
= oplossing van georiënteerde lipiden en globulaire eiwitten
o Lipiden: meer = fosfolipiden
Membraan = dubbele laag fosfolipiden
- polair-hydrofiel gedeelte → waterig milieu
- apolair-hydrofoob gedeelte → midden van membraan (verspreiden zich
in horizontale richting: olie op water)
o Eiwitten: niet enkel aan oppervlak
Verdeeld zoals mozaïek patroon
Onderscheid:
- Integrale eiwitten: helemaal door het membraan
- Perifere eiwitten: enkel binnen of buitenkant van membraan
Hebben ook polair en apolair gedeelte
Functies van eiwitten:
- Structureel (als bouwelement)
- Transportproteïnen (carriers): transport door celmembraan tegen
elektrochemische gradiënt
- Ionenkanalen voor passief transport
- Pompen voor actief transport
- Receptoren lokken intracellulaire processen uit door te binden.
- Enzymen katalyseren omzettingen
o Glycocalyx: langs buitenzijde van celmembraan een dun laagje
Bestaat uit vertakte filamenten aanwezig op eiwitten
2 delen:
- Grootste deel: glycoproteïnen
- Kleiner deel: Glycolipiden
Functie:
- Bescherming (voor fysische interactie): puntkracht op de cel -> duwen op
glycocalyx en door het netwerk aan koolhydraten wordt de puntkracht
verdeeld over een groter oppervlak van de cel. Er is minder schade aan de
cel.
- Bescherming tegen chemische stoffen: stoot chemische stoffen af
- Rol in transmembranaire transport (pino- en facgocytose)
- Celadhesie (vasthechten): soms voedingsstoffen nodig dus die worden
aangetrokken door glycocalyx -> aanhechten van componenten aan de cel
- Contactinhibitie (afstoten): glycocalyx zorgt ervoor dat virussen worden
afgestoten
- Herkenning mechanisme: combinatie van eiwitten en koolhydraten
2. SPECIALE VORMEN VAN DE CELMEMBRAAN:
Extracellulaire ruimte:
o Microvilli: (regelmatige vingervormige uitstulpingen aan celoppervlak) zorgen voor
vergroting contactoppervlak, inhoud = contactoppervlak
o Cilia (trilharen) en flagellen:
Cilia:
o Gespecialiseerde en complexe structuren met gecoördineerde beweeglijkheid.
o Ingeplant op een basaal lichaampje
o Dwarse doorsneden:
- 9 perifere fibrillen doubletten
2
, • Elk perifere fibril = twee microtubuli
o Subfibril A: 13 eenheden, heeft zij-armen die naburig duplet
aanraken
o Subfibril B: 10/11 eenheden waarvan een deel
gemeenschappelijk is met subfibril A
- 2 centralen fibrillen
• Omgeven door speciale gestructureerde mantel, met spaken
verbonden aan subfibril A
• Spaken zijn verteerbaar door trypsine
- Basis Cilium (enkelvoud cilia)
• Kinetosoom = basaal lichaampje
o Bevat 9 tripletten vaan microtubuli = perifere wand
o Distaal is cilinder toe
o Proximaal is cilinder open en heeft hij wortels in het
cytoplasma.
Intercellulaire ruimte:
o Zonula occludens: (tight junction)
- Ligt gordelvormig rond de cel
- Sluit intercellulaire (tussen cellen) spleet af tegen een lumen, soms door
puntvormige contacten tussen de buitenbladen van celmembraan
→ Aaneensluitende richels die aaneengeijkt zijn
- Indrukwekkende plasticiteit van occlude richels
- Tight junction bestaat uit diepreikend netwerk van richels
- Normaal in leaky epithelen: schaarser en minder aaneensluitend
richelnetwerk
- In functie van de omstandigheden kan het van tight (dicht) naar leaky (lekke)
gaan.
- Heeft ook openingen voor extracellulair transport
- Dus: globulaire eiwitten die ervoor zorgen dat 2 celmembranen aan
elkaar gekoppeld zijn. →flexibel
o Zonula adhaerens (complexer)
- Gordel rond cel (iets lager in de cel)
- Gespecialiseerde membraanzone: membranen liggen
parallel met intercellulaire spleet, gevuld met fijn
filamenteus materiaal
- Aan cytoplasmatische zijde: dikke laag ineengevlochten
microfilamenten (actine)
- Functie: overbrengen van spanningen tussen cellen → ze
maken reproduceerbare contracties en relaxaties v/e
samenhangend weefsel
- Dus: zonulae adhaerens spelen een rol in de
intercellulaire transmissie van actieve, intern voortgebrachte
spanningen tussen de cellen van een weefsel. Zij maken dus
reproduceerbare contracties en relaxaties van een samenhangend
weefsel over. Opvangen van tractie en trekkrachten. Tussen de
celmembranen heb je ‘haakeiwitten’ die in elkaar haken. Gekoppeld
aan het cytoskelet in de cel.
3
, o Macula adhaerens (of desmosoom) -> meest complex
- Schijfvormige membraanzone
- Structuur: vrij analoog aan zonula adhaerens
- Tegen cytoplasmatisch blad vindt men een
elektronendense plaat: hierin lopen cytoplasmatische
microfilamenten met een haarspeldbocht doorheen.
• Microfilamenten = niet-contractiele
tonofilamenten (steunfunctie)
- Minder vervormbaar dan zonula
- Zeer hechte structuur -> voor het beschermen van
indringers buitenaf, tenzij huid beschadigd is
- Dus: heeft sterke hechtstructuur. Er zit een
globulair eiwit aan de binnenkant van de cel.
Eiwitten die de verbinding maken met de cellen,
zijn ook nog is verbonden met het cytoskelet.
o Hemidesmosoom
- Halve desmosomen
- Zijn aan basale zijde van epitheelcellen
- Functie:
• Hechting tussen cytoplasma en lamina basalis
• Verdeling van de mechanische kracht wordt verspreid over heel het
weefsel op passieve wijze
ze verspreiden de mechanische kracht over het hele weefsel op een passieve wijze.
• nexus / gap-junction
door de opening kunnen laag moleculaire
verbindingen door bv. ATP, calcium
(belangrijk in het contractieproces vh hart)
Dus: hechting aan elkaar, maar tegelijk ook
doorgang voor bepaalde zaken.
De functie van de nexus is een functionele
koppeling van cellen voor intercellulaire
communicatie. Door het kanaaltje van de gap
junction kunnen zeer snel micromoleculen
uitgewisseld worden. Dat verklaart de lage
elektrische weerstand.
o Nexus (gap junction)
- Hydrofiele kanaaltjes
ingebouwd in membraan tussen
2 cellen
- Communicatiebuis:
• Passage van laag-
moleculaire
verbindingen
• Verklaart de lage elektrische weerstand
4