BEGINSELEN VAN DE WEEFSELLEER EN DE
BIOLOGIE
Patholoog -> diagnoses stellen met behulp van cel- of weefselmateriaal (» cytologie en histologie)
Borstkanker onder microscoop
- Uitzoeken welke kenmerken het heeft -> heel veel verschillende soorten per kanker
- Veel parameters om kanker als bepaalde soort te zien
- Metastasen = uitzaaiingen
- Palliatief -> symptomen behandelen om zo patiënt comfortabeler leven te geven
- Targeted therapy -> doelgerichte therapie, therapie die op de patiënt afgesteld is
5 jaars-overleving = 75% -> na vijf jaar zal 1 van de 4 patiënten overleden zijn
- Dna verdubbelen en daarna zal cel delen -> altijd fouten bij gebeuren (eiwitten in ons lichaam die
controleren of er fouten aanwezig zijn)
ð Mutaties = oncogenese of carcinogenese
Belangrijkste man in histologie = Vesalius
- Theatrium anatomicum
- Tafel in midden waarop lijkschouwingen werden verricht (kon je naar gaan kijken)
- Organen of lichaamsdelen op sterk water (bewaren)
Uitvoerder van microscoop = Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723)
Metafibers
- Warm en nat bij sport: vezels inkrimpen, dichter tegen elkaar -> meer ruimte tussen vezels om
vocht te laten verdampen
- Koud en droog: vezels losser, geen ruimte ertussen -> warm houden
Histologie en celbiologie -> basiswetenschappen voor pathologie of ziekteleer (studie ziekten)
ð Histologie = leer van de weefsel
ð Cytologie = leer van de cellen -> morfologische wetenschap die normale structuur van cellen beschrijft
op macroscopisch niveau
ð Cellen zijn verenigd in weefsel door interactie met elkaar, via intercellulaire matrix en vloeistof
- Combinatie van cellen -> weefsels, combinatie weefsels -> organen, groepen organen -> stelsel
- De functie van weefsels en organen terug te leiden tot functies op celniveau
HOOFDSTUK 1 HISTOLOGISCHE TECHNIEKEN
Doel: cellen en weefsels beschikbaar maken
- Fixeren: cellen vasthouden in staat waarin ze op dat moment zijn (metabolisme stopzetten, geen
autolyse, voorkomen vorming artefacten, behoud cytoplasma, dna, eiwitten…) -> met formaline
- Inbedden: met behulp van kaarsvet (paraffine) weefsel vasthouden (3/1000 van mm dik)
- Snijden: in ultradunne plakjes/coupes snijden (met speciaal mes)
ð Op warmwaterbad leggen -> kaarsvet opentrekken -> coupe openrekken -> op glas leggen
- Kleuren: lichaam eigenlijk kleurloos -> krijgt kleur door rode bloedcellen, caroteen
- Analyseren: bekijken onder microscoop
ð Coupe = 3 dimensionaal beeld of orgaan wordt een 2 dimensionaal beeld (zo dun)
1
,1. Macroscopische bewerking en beoordeling
2. Fixatie -> met formaline 4%
3. Opslag -> minstens 1 nacht in formaline (binnendringen met 1mm per uur)
ð Weefsel in stukjes snijden (hou ouder, hoe langer we het laten fixeren)
Buisvormige structuur (vb. darm) -> 2-dimensionaal verschillend afhankelijk van plaats van doorsnede
Lichtmicroscopie
- 3 lenssysteem: condensor – objectief – oculair + lamp onderaan (fixeren licht)
- Maximum 1000x vergroting
- Oplossend of scheidend vermogen = resolutie = vergroting waarbij we 2 punten nog als 2 punten
zien (opgelost als we 2 punten zien als 1 punt) -> ongeveer 250 nm
ð Wit licht: spectrum van golflengtes (kleur)
ð Dunne coupe (0,003 mm)-> licht erdoor laten schijnen
ð Laag contrast in coupes -> kleurstoffen toevoegen (vb. hematoxyline/eosine -> roze-paars beeld)
HE-kleuring = histochemie (zuur-base reacties)
- Hematoxyline = base
ð Reageert met anionische (-) of zure stoffen in de cel -> kern bevat nucleïnezuren
ð Blauw-paarse kleuring (basofiel)
- Eosine = zuur
ð Reageert met kationische (+) of basiche stoffen in de cel -> eiwitten in cytoplasma
ð Roze (acidofiel, eosinofiel)
Enzymhistochemie of -cytochemie -> gebruiken van nog werkend enzym in de cel om zaken aan te tonen
Fibroblasten = bindweefselcellen
Osteoblasten = botcellen
Chrondroblasten = kraakbeencellen
Elektronenmicroscopie
- Geen kleur, maar versnellen van elektronen -> golflengte buiten bereik van gevoeligheid ogen
- Hars, plastics -> coupes van 70nm snijden met glazen of diamanten mes
- Oplossend vermogen = 3nm
- Nog 3x kleiner bekijken dan lichtmicroscopie
De cel ( + foto in extra document)
N = kern
CM = celmembraan
MV = microvilli
ð Kernporiën
M = mitochondriën
G = golgi-complex
2
,Andere microscopische technieken
ð SEM = scanning electronen microscopie, confocale microscopie, fase-contrast microscopie, polarisatie
microscopie, interferentie microscopie, superresolutie microscopie
HOOFDSTUK 2 DE CEL
Lichaam -> opgebouwd uit 10.000 miljard cellen (meeste cellen als reservecellen om andere te vervangen)
- Weefsel met grootte van suikerklontje -> 1 miljard cellen
- Elke dag sterven er honderd miljard cellen en ontstaan er evenveel nieuwe (via apoptose)
! Verbranden -> opperlaag beschadigd -> vervellen = zichtbare apoptose
- Kanker kan ontstaan als het misgaat in 1 cel (veel mechanismen die dit proberen te voorkomen)
DE CEL
= kleinste georganiseerde levende eenheid binnen organisme, die dankzij omvangrijk metabolisme min of
meer onafhankelijk kan bestaan in een fysiologische omgeving, die in staat is tot beweging, groei en deling
door mitose en die door specialisatie in een of meer functies kan bijdragen tot de functie van een orgaan
ð Eukaryotische cellen in ons lichaam (meercellig)
- Afstammen uit eencellig organisme
- Structuur in 1 cel, elk cel heeft eigen metabolisme, elke cel kan bewegen en van vorm veranderen
- Cel kan delen (mitose of meiose), groeien, specialiseren in specifieke functie
ð Algemene functies cel -> deling (proliferatie), metabolisme (omzetting energie), beweging en celdood
ð Specifieke functies cel -> secretie, contractie, geleiding
Cytomorfologie
= beschrijving van subcellulaire structuren en hun functies (organellen)
ð Algemen functies: proliferatie (deling), metabolisme (omzetten van energie), beweging, celdood
ð Specifieke functies: contractie, secretie, geleiding
- Membraan
- Kern (K)
- Cytoslasma
- Mitochondriën (M)
- Cytomembraneus susteem (RER, GER, SR, golgi-complex)
- Cytosomen
- Lysosomen (L)
- Cytoskelet (C)
Kern -> verschillende soorten chromatine
- Samengeklonterd chromatine = heterochromatine (niet actief)
- Losmazig of open chromatine = euchromatine -> dna van aflezen (veel open -> heel actief delen)
Rode bloedcellen -> cellen zonder kern
- Reticulocyten = rode bloedcellen in beenmerg (voorloper)
- Kern verliezen -> zit in de weg om zuurstof te vervoeren, makkelijker circuleren door haarvaatjes
- Microscoop -> zien waar kern zat (dunner, minder hemoglobine)
3
, Witte bloedcellen of leukocyten
- Monocyt -> circulerend in bloed, histocyt -> vast in weefsel, opruimcellen, macrofagen,
coupfercellen (lever -> lever filtert het bloed)
- Functie: opruimen, soort vuilniswagens die rondzwerven door het lichaam en die zorgen dat
afbraakstoffen en afvalsotffen afgevoerd worden
- C-vormige kern, vacuolen (lysosomen, peroxisomen) -> afvalzakjes met enzymen voor afbraak,
soort pootjes aan oppervlak om te kunnen bewegen
CELMEMBRAAN OF PLASMAMEMBRAAN
Functies
ð Fysieke barrière: integriteit en flexibiliteit, beschermen van celinhoud, selectieve barrière tussen
interne en externe celmilieu (binnen is binnen, buiten is buiten)
ð Selectieve permeabiliteit: transport, opname en afgifte van ionen, nutriënten en afvalproducten
ð Elektrochemische gradiënt: membraanpotentiaal (ladingsverschil tussen intra en extra door bewegen
van ionen + verschil in zuurtegraad)
! Potentiaal -> spieren bewegen, instructies hersenen doorgeven -> doorgeven via ionenpompen
ð Communicatie: receptoren in cel coat/glycocalyx (glycolipiden, glycoproteïnen) die specifieke
moleculen herkennen (stoffen, andere cellen, virussen)
Opbouw
ð Bestaat uit dubbele laag van fosfolipiden -> hydrofiele
koppen (gericht naar extra en intra) met 2 hydrofobe
staarten (lipdiden, vetzuren naar elkaar richten, apolaire
koolstofwaterketens)
- Hydrofiele koppen klitten tegen elkaar -> bijna niets door raken -> selectieve barrière
ð Membraaneiwitten ertussen vast, ook vrije bewegen -> membraan vloeibaar (fluid mosaic model)
- Functies membraaneiwitten: transporteiwit, enzym, receptor, adhesiemoleculen, antigeen
- Extrinsiek, intrinsiek, gebonden in het membraan of transmembranair
* Extrinsieke membraaneiwitten = eiwitten die niet noodzakelijk zijn voor de cel, kunnen
bijgemaakt worden
* Intrinsieke membraaneiwitten = eiwitten die noodzakelijk zijn voor de cel
ð Cholesterol -> 1 van essentiële bestanddelen van cel
- Associëren met apolaire koolwaterstofketens van fosfolipiden -> vergroten stijfheid van membraan
* Effect op permeabiliteit voor kleine moleculen
* Belangrijk in herstel van gaten (fosfolipiden terug bij elkaar en terug aan elkaar kleven)
- Te veel cholesterol in bloed -> meer in gaten blijven kleven -> opstapelen -> verstoppen bloedvaten
ð Glycoproteïnen en glycolipiden: vasthangen aan membraaneiwitten -> vormen glycocalyx of cell coat
- Receptorfuncite: adhesie en communicatie
Difussie
ð Proces waarbij opgeloste stoffen in een waterig milieu zich verplaatsen van gebied met hoge
concentratie naar gebied met lage concentratie (water, O2, steroïdhormonen)
- Ionenkanalen -> eiwit dat zorgt voor passief transport van ionen (geladen moleculen: Na+, K+, Ca2+)
- Transporteiwitten -> speciaal eiwit, ingebed in het membraan, dat slecht oplosbare stoffen bindt en
ze aan de andere kant van het membraan terug afgeeft (glucose)
ð Membraanpotentiaal: door verdeling van geladen moleculen (ionen) -> niet zomaar diffunderen
- Depolaristatie en polarisatie bij zenuwcellen en spiercellen
4
BIOLOGIE
Patholoog -> diagnoses stellen met behulp van cel- of weefselmateriaal (» cytologie en histologie)
Borstkanker onder microscoop
- Uitzoeken welke kenmerken het heeft -> heel veel verschillende soorten per kanker
- Veel parameters om kanker als bepaalde soort te zien
- Metastasen = uitzaaiingen
- Palliatief -> symptomen behandelen om zo patiënt comfortabeler leven te geven
- Targeted therapy -> doelgerichte therapie, therapie die op de patiënt afgesteld is
5 jaars-overleving = 75% -> na vijf jaar zal 1 van de 4 patiënten overleden zijn
- Dna verdubbelen en daarna zal cel delen -> altijd fouten bij gebeuren (eiwitten in ons lichaam die
controleren of er fouten aanwezig zijn)
ð Mutaties = oncogenese of carcinogenese
Belangrijkste man in histologie = Vesalius
- Theatrium anatomicum
- Tafel in midden waarop lijkschouwingen werden verricht (kon je naar gaan kijken)
- Organen of lichaamsdelen op sterk water (bewaren)
Uitvoerder van microscoop = Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723)
Metafibers
- Warm en nat bij sport: vezels inkrimpen, dichter tegen elkaar -> meer ruimte tussen vezels om
vocht te laten verdampen
- Koud en droog: vezels losser, geen ruimte ertussen -> warm houden
Histologie en celbiologie -> basiswetenschappen voor pathologie of ziekteleer (studie ziekten)
ð Histologie = leer van de weefsel
ð Cytologie = leer van de cellen -> morfologische wetenschap die normale structuur van cellen beschrijft
op macroscopisch niveau
ð Cellen zijn verenigd in weefsel door interactie met elkaar, via intercellulaire matrix en vloeistof
- Combinatie van cellen -> weefsels, combinatie weefsels -> organen, groepen organen -> stelsel
- De functie van weefsels en organen terug te leiden tot functies op celniveau
HOOFDSTUK 1 HISTOLOGISCHE TECHNIEKEN
Doel: cellen en weefsels beschikbaar maken
- Fixeren: cellen vasthouden in staat waarin ze op dat moment zijn (metabolisme stopzetten, geen
autolyse, voorkomen vorming artefacten, behoud cytoplasma, dna, eiwitten…) -> met formaline
- Inbedden: met behulp van kaarsvet (paraffine) weefsel vasthouden (3/1000 van mm dik)
- Snijden: in ultradunne plakjes/coupes snijden (met speciaal mes)
ð Op warmwaterbad leggen -> kaarsvet opentrekken -> coupe openrekken -> op glas leggen
- Kleuren: lichaam eigenlijk kleurloos -> krijgt kleur door rode bloedcellen, caroteen
- Analyseren: bekijken onder microscoop
ð Coupe = 3 dimensionaal beeld of orgaan wordt een 2 dimensionaal beeld (zo dun)
1
,1. Macroscopische bewerking en beoordeling
2. Fixatie -> met formaline 4%
3. Opslag -> minstens 1 nacht in formaline (binnendringen met 1mm per uur)
ð Weefsel in stukjes snijden (hou ouder, hoe langer we het laten fixeren)
Buisvormige structuur (vb. darm) -> 2-dimensionaal verschillend afhankelijk van plaats van doorsnede
Lichtmicroscopie
- 3 lenssysteem: condensor – objectief – oculair + lamp onderaan (fixeren licht)
- Maximum 1000x vergroting
- Oplossend of scheidend vermogen = resolutie = vergroting waarbij we 2 punten nog als 2 punten
zien (opgelost als we 2 punten zien als 1 punt) -> ongeveer 250 nm
ð Wit licht: spectrum van golflengtes (kleur)
ð Dunne coupe (0,003 mm)-> licht erdoor laten schijnen
ð Laag contrast in coupes -> kleurstoffen toevoegen (vb. hematoxyline/eosine -> roze-paars beeld)
HE-kleuring = histochemie (zuur-base reacties)
- Hematoxyline = base
ð Reageert met anionische (-) of zure stoffen in de cel -> kern bevat nucleïnezuren
ð Blauw-paarse kleuring (basofiel)
- Eosine = zuur
ð Reageert met kationische (+) of basiche stoffen in de cel -> eiwitten in cytoplasma
ð Roze (acidofiel, eosinofiel)
Enzymhistochemie of -cytochemie -> gebruiken van nog werkend enzym in de cel om zaken aan te tonen
Fibroblasten = bindweefselcellen
Osteoblasten = botcellen
Chrondroblasten = kraakbeencellen
Elektronenmicroscopie
- Geen kleur, maar versnellen van elektronen -> golflengte buiten bereik van gevoeligheid ogen
- Hars, plastics -> coupes van 70nm snijden met glazen of diamanten mes
- Oplossend vermogen = 3nm
- Nog 3x kleiner bekijken dan lichtmicroscopie
De cel ( + foto in extra document)
N = kern
CM = celmembraan
MV = microvilli
ð Kernporiën
M = mitochondriën
G = golgi-complex
2
,Andere microscopische technieken
ð SEM = scanning electronen microscopie, confocale microscopie, fase-contrast microscopie, polarisatie
microscopie, interferentie microscopie, superresolutie microscopie
HOOFDSTUK 2 DE CEL
Lichaam -> opgebouwd uit 10.000 miljard cellen (meeste cellen als reservecellen om andere te vervangen)
- Weefsel met grootte van suikerklontje -> 1 miljard cellen
- Elke dag sterven er honderd miljard cellen en ontstaan er evenveel nieuwe (via apoptose)
! Verbranden -> opperlaag beschadigd -> vervellen = zichtbare apoptose
- Kanker kan ontstaan als het misgaat in 1 cel (veel mechanismen die dit proberen te voorkomen)
DE CEL
= kleinste georganiseerde levende eenheid binnen organisme, die dankzij omvangrijk metabolisme min of
meer onafhankelijk kan bestaan in een fysiologische omgeving, die in staat is tot beweging, groei en deling
door mitose en die door specialisatie in een of meer functies kan bijdragen tot de functie van een orgaan
ð Eukaryotische cellen in ons lichaam (meercellig)
- Afstammen uit eencellig organisme
- Structuur in 1 cel, elk cel heeft eigen metabolisme, elke cel kan bewegen en van vorm veranderen
- Cel kan delen (mitose of meiose), groeien, specialiseren in specifieke functie
ð Algemene functies cel -> deling (proliferatie), metabolisme (omzetting energie), beweging en celdood
ð Specifieke functies cel -> secretie, contractie, geleiding
Cytomorfologie
= beschrijving van subcellulaire structuren en hun functies (organellen)
ð Algemen functies: proliferatie (deling), metabolisme (omzetten van energie), beweging, celdood
ð Specifieke functies: contractie, secretie, geleiding
- Membraan
- Kern (K)
- Cytoslasma
- Mitochondriën (M)
- Cytomembraneus susteem (RER, GER, SR, golgi-complex)
- Cytosomen
- Lysosomen (L)
- Cytoskelet (C)
Kern -> verschillende soorten chromatine
- Samengeklonterd chromatine = heterochromatine (niet actief)
- Losmazig of open chromatine = euchromatine -> dna van aflezen (veel open -> heel actief delen)
Rode bloedcellen -> cellen zonder kern
- Reticulocyten = rode bloedcellen in beenmerg (voorloper)
- Kern verliezen -> zit in de weg om zuurstof te vervoeren, makkelijker circuleren door haarvaatjes
- Microscoop -> zien waar kern zat (dunner, minder hemoglobine)
3
, Witte bloedcellen of leukocyten
- Monocyt -> circulerend in bloed, histocyt -> vast in weefsel, opruimcellen, macrofagen,
coupfercellen (lever -> lever filtert het bloed)
- Functie: opruimen, soort vuilniswagens die rondzwerven door het lichaam en die zorgen dat
afbraakstoffen en afvalsotffen afgevoerd worden
- C-vormige kern, vacuolen (lysosomen, peroxisomen) -> afvalzakjes met enzymen voor afbraak,
soort pootjes aan oppervlak om te kunnen bewegen
CELMEMBRAAN OF PLASMAMEMBRAAN
Functies
ð Fysieke barrière: integriteit en flexibiliteit, beschermen van celinhoud, selectieve barrière tussen
interne en externe celmilieu (binnen is binnen, buiten is buiten)
ð Selectieve permeabiliteit: transport, opname en afgifte van ionen, nutriënten en afvalproducten
ð Elektrochemische gradiënt: membraanpotentiaal (ladingsverschil tussen intra en extra door bewegen
van ionen + verschil in zuurtegraad)
! Potentiaal -> spieren bewegen, instructies hersenen doorgeven -> doorgeven via ionenpompen
ð Communicatie: receptoren in cel coat/glycocalyx (glycolipiden, glycoproteïnen) die specifieke
moleculen herkennen (stoffen, andere cellen, virussen)
Opbouw
ð Bestaat uit dubbele laag van fosfolipiden -> hydrofiele
koppen (gericht naar extra en intra) met 2 hydrofobe
staarten (lipdiden, vetzuren naar elkaar richten, apolaire
koolstofwaterketens)
- Hydrofiele koppen klitten tegen elkaar -> bijna niets door raken -> selectieve barrière
ð Membraaneiwitten ertussen vast, ook vrije bewegen -> membraan vloeibaar (fluid mosaic model)
- Functies membraaneiwitten: transporteiwit, enzym, receptor, adhesiemoleculen, antigeen
- Extrinsiek, intrinsiek, gebonden in het membraan of transmembranair
* Extrinsieke membraaneiwitten = eiwitten die niet noodzakelijk zijn voor de cel, kunnen
bijgemaakt worden
* Intrinsieke membraaneiwitten = eiwitten die noodzakelijk zijn voor de cel
ð Cholesterol -> 1 van essentiële bestanddelen van cel
- Associëren met apolaire koolwaterstofketens van fosfolipiden -> vergroten stijfheid van membraan
* Effect op permeabiliteit voor kleine moleculen
* Belangrijk in herstel van gaten (fosfolipiden terug bij elkaar en terug aan elkaar kleven)
- Te veel cholesterol in bloed -> meer in gaten blijven kleven -> opstapelen -> verstoppen bloedvaten
ð Glycoproteïnen en glycolipiden: vasthangen aan membraaneiwitten -> vormen glycocalyx of cell coat
- Receptorfuncite: adhesie en communicatie
Difussie
ð Proces waarbij opgeloste stoffen in een waterig milieu zich verplaatsen van gebied met hoge
concentratie naar gebied met lage concentratie (water, O2, steroïdhormonen)
- Ionenkanalen -> eiwit dat zorgt voor passief transport van ionen (geladen moleculen: Na+, K+, Ca2+)
- Transporteiwitten -> speciaal eiwit, ingebed in het membraan, dat slecht oplosbare stoffen bindt en
ze aan de andere kant van het membraan terug afgeeft (glucose)
ð Membraanpotentiaal: door verdeling van geladen moleculen (ionen) -> niet zomaar diffunderen
- Depolaristatie en polarisatie bij zenuwcellen en spiercellen
4