Staats- en bestuursrecht
samenvattingen Tentamen 10
dec 2025
Boeken en hoorcolleges
Inhoudsopgave
Staatsrecht.................................................................................................................................................................1
Week 1 (H1 en H2) – staatsrecht: object en rechtsbronnen................................................................................2
Week 2 (H1 en H2) – constitutionele uitgangspunten..........................................................................................3
Week 3 en 4 (H3 en H4) – de regering.................................................................................................................5
Week 5 (H5) – de Staten-Generaal......................................................................................................................6
Week 6 (H6) – verhouding regering en Staten-Generaal....................................................................................8
Week 7 (H7) – wetgeving...................................................................................................................................10
Week 8 (H8) – bestuur........................................................................................................................................13
Week 9 (H9 en H10) – rechterlijke organisatie en rechtsbescherming.............................................................14
Week 10 (H11) – grondrechten..........................................................................................................................15
Week 11 (H14) – staatsvorm van het koninkrijk................................................................................................18
Week 12 (H13) – decentralisatie........................................................................................................................20
Bestuursrecht..........................................................................................................................................................22
Thema 1 – introductie bestuursrecht..................................................................................................................22
Thema 2 – de algemene wet bestuursrecht........................................................................................................25
Thema 3 – de Nederlandse bestuursorganisatie................................................................................................26
Thema 4 – grondslagen uitoefening bestuursbevoegdheid................................................................................28
Thema 5 – I.........................................................................................................................................................30
Thema 5 – II - Het verrichten van bestuurshandelingen beleidsregel, algemeen verbindend voorschrift (avv)
............................................................................................................................................................................32
Thema 7 (I) – rechtsbescherming tegen de overheid.........................................................................................34
Thema 7 (II) – rechtsbescherming tegen de overheid........................................................................................38
Thema 8 – Handhaving......................................................................................................................................41
Thema 10 – gebruik van privaatrecht door de overheid....................................................................................42
Staatsrecht
(Boek: inleiding constitutioneel recht)
1
,Week 1 (H1 en H2) – staatsrecht: object en
rechtsbronnen
De student weet welke deelgebieden het staatsrecht heeft
Staat is een staat wanneer er sprake is van
- Een groep personen (bevolking)
- Grondgebied
- Regering door een overheid die effectief en daadwerkelijk
onafhankelijk gezag uitoefent oer die personen (alleen de
overheid heeft geweldsmonopolie)
- Erkenning door andere staten
Staatsbegrip (in het staatsrecht): complex van
overheidsorganisaties, een zogeheten ‘ambtenorganisatie’ die
gezag of macht uitoefent over een gemeenschap van mensen op
het grondgebied van de staat
Functies van het staatsrecht:
- Constituerende functie: staatsrecht stelt
ambten/overheidsorganisaties in
- Attribuerende functie: toekenning van bevoegdheden aan
deze ambten
- Regulerende functie: regulering van de uitoefening van de
bevoegdheden van deze ambten, machtsbeperking
- Legitimerende functie: gaat om de vraag hoe een
overheidsorganisatie door de burger feitelijk aanvaard wordt,
hoe zij instemming en rechtvaardiging verkrijgt
De student kent de rechtsbronnen van het staatsrecht
Formele constitutie: alle belangrijkste regels van het staatsrecht
De grondwet (geeft basis regels), hoogste nationale wet van
Nederland en vormt de basis van het staatsrecht.
Tezamen vormen deze wetten een regeling van het (materiele)
constitutionele recht
Andere bronnen zijn:
- Europees recht
- Internationaal recht
- Statuut voor koninkrijk (statuut voor koninkrijk, grondwet voor
koninkrijk, regelt de verhoudingen tussen het KONINKRIJK
Nederland)
- Organieke wetten en regelingen (wetten en regelingen die uit de
grondwet voortvloeien)
- Jurisprudentie
- Ongeschreven recht (vertrouwensregel bijv.)
2
,De student kent de positie en het rechtskarakter van de Grondwet
De grondwet:
- Bevat grondslag van de staatsinrichting (regering, parlement,
rechterlijke macht, decentralisatie);
- Legt vast de basisrechten en vrijheden van burgers
- Staat boven gewone wetten, maar onder het EU-recht en
internationale verdragen
- Rechter mag er niet aan toetsen (120 Gw)
- de Grondwet bepaalt hoe macht wordt verdeeld en gecontroleerd,
dus is essentieel voor democratische rechtsstaat
Week 2 (H1 en H2) – constitutionele
uitgangspunten
De student weet vanuit welke constitutionele uitgangspunten het
Nederlandse staatsrecht is opgezet
Machtenscheiding
Beginsel van democratische rechtsstaat
De student kan deze uitgangspunten uitleggen
Machtenscheiding:
- Ontwikkeld door Montesquieu (filosoof, 18e eeuw)
- Doel van de machtenscheiding: waarborgen vrijheid burger, door
overheidsmacht te verdelen over meerdere staatsorganen en
daardoor machtsconcentratie tegen te gaan
- Gaat om de trias politica: scheiding der machten
1. Wetgevende macht: stelling van algemene regels (parlement)
2. Uitvoerende macht: handhaven en uitvoeren van wetgeving
(bestuur: regering)
3. Rechterlijke macht: berechting van geschillen en strafbare
feiten (gerechten van de rechterlijke macht)
- Machtenscheiding mag niet absoluut worden checks and
balances: checks and balances is een systeem van controle en
evenwicht waarbij verschillende machten binnen een organisatie,
zoals een overheid, elkaar controleren en bevoegdheden
beperken om te voorkomen dat één partij te veel macht krijgt
De democratische rechtsstaat
- Het rechtsstaatprincipe ziet, evenals het beginsel van
machtenscheiding, op de bescherming van de vrijheid van de
burgers in de staat door in de voetsporen van de
machtenscheiding concentratie van overheidsmacht tegen te
gaan, grenzen te stellen aan overheidsoptreden en een
staatsvrije privésfeer voor burgers te scheppen
- Rechtsstaatprincipe: de staat – de overheid – in al zijn handelen
jegens burger is gebonden aan de wet en het recht
- 4 elementen
3
, 1) Legaliteitsbeginsel: overheidsoptreden dient te berusten op
het recht/de wet
2) Machtenscheiding
3) Onafhankelijke rechtspraak: onafhankelijke rechterlijke
macht toetst het optreden van de beide andere staatsmachten
op rechtmatigheid
4) Grondrechten: in de constitutie zijn grondrechten of
vrijheidsrechten van de burger verankerd
Democratieprincipe:
1) Besluitvorming bij meerderheid: manier van beslissen waarbij
het voorstel wordt aangenomen als meer dan de helft van de
stemmen voor is
2) Actief en passief kiesrecht: recht om te stemmen en het recht
om jezelf verkiesbaar te stellen
3) Participatie van burgers in de politieke besluitvorming:
stemmen, demonsteren, lid worden van partijen etc.
4) Grondrechten: meningsuiting, vereniging, vergadering,
betoging
De student weet op welke wijze deze uitgangspunten, in het
bijzonder de machtenscheiding, in het staatsrecht zijn vastgelegd
Grondwet:
- 1814/1815: Nederland gesticht, grondwet ingedeeld
- 1840/1848: macht koning beperkt, contraseign heeft de
koning nodig om te handelen, grondwet Thorbecke
- 1917: algemeen kiesrecht ingevoerd
- 1983: grondwet gemoderniseerd
4
samenvattingen Tentamen 10
dec 2025
Boeken en hoorcolleges
Inhoudsopgave
Staatsrecht.................................................................................................................................................................1
Week 1 (H1 en H2) – staatsrecht: object en rechtsbronnen................................................................................2
Week 2 (H1 en H2) – constitutionele uitgangspunten..........................................................................................3
Week 3 en 4 (H3 en H4) – de regering.................................................................................................................5
Week 5 (H5) – de Staten-Generaal......................................................................................................................6
Week 6 (H6) – verhouding regering en Staten-Generaal....................................................................................8
Week 7 (H7) – wetgeving...................................................................................................................................10
Week 8 (H8) – bestuur........................................................................................................................................13
Week 9 (H9 en H10) – rechterlijke organisatie en rechtsbescherming.............................................................14
Week 10 (H11) – grondrechten..........................................................................................................................15
Week 11 (H14) – staatsvorm van het koninkrijk................................................................................................18
Week 12 (H13) – decentralisatie........................................................................................................................20
Bestuursrecht..........................................................................................................................................................22
Thema 1 – introductie bestuursrecht..................................................................................................................22
Thema 2 – de algemene wet bestuursrecht........................................................................................................25
Thema 3 – de Nederlandse bestuursorganisatie................................................................................................26
Thema 4 – grondslagen uitoefening bestuursbevoegdheid................................................................................28
Thema 5 – I.........................................................................................................................................................30
Thema 5 – II - Het verrichten van bestuurshandelingen beleidsregel, algemeen verbindend voorschrift (avv)
............................................................................................................................................................................32
Thema 7 (I) – rechtsbescherming tegen de overheid.........................................................................................34
Thema 7 (II) – rechtsbescherming tegen de overheid........................................................................................38
Thema 8 – Handhaving......................................................................................................................................41
Thema 10 – gebruik van privaatrecht door de overheid....................................................................................42
Staatsrecht
(Boek: inleiding constitutioneel recht)
1
,Week 1 (H1 en H2) – staatsrecht: object en
rechtsbronnen
De student weet welke deelgebieden het staatsrecht heeft
Staat is een staat wanneer er sprake is van
- Een groep personen (bevolking)
- Grondgebied
- Regering door een overheid die effectief en daadwerkelijk
onafhankelijk gezag uitoefent oer die personen (alleen de
overheid heeft geweldsmonopolie)
- Erkenning door andere staten
Staatsbegrip (in het staatsrecht): complex van
overheidsorganisaties, een zogeheten ‘ambtenorganisatie’ die
gezag of macht uitoefent over een gemeenschap van mensen op
het grondgebied van de staat
Functies van het staatsrecht:
- Constituerende functie: staatsrecht stelt
ambten/overheidsorganisaties in
- Attribuerende functie: toekenning van bevoegdheden aan
deze ambten
- Regulerende functie: regulering van de uitoefening van de
bevoegdheden van deze ambten, machtsbeperking
- Legitimerende functie: gaat om de vraag hoe een
overheidsorganisatie door de burger feitelijk aanvaard wordt,
hoe zij instemming en rechtvaardiging verkrijgt
De student kent de rechtsbronnen van het staatsrecht
Formele constitutie: alle belangrijkste regels van het staatsrecht
De grondwet (geeft basis regels), hoogste nationale wet van
Nederland en vormt de basis van het staatsrecht.
Tezamen vormen deze wetten een regeling van het (materiele)
constitutionele recht
Andere bronnen zijn:
- Europees recht
- Internationaal recht
- Statuut voor koninkrijk (statuut voor koninkrijk, grondwet voor
koninkrijk, regelt de verhoudingen tussen het KONINKRIJK
Nederland)
- Organieke wetten en regelingen (wetten en regelingen die uit de
grondwet voortvloeien)
- Jurisprudentie
- Ongeschreven recht (vertrouwensregel bijv.)
2
,De student kent de positie en het rechtskarakter van de Grondwet
De grondwet:
- Bevat grondslag van de staatsinrichting (regering, parlement,
rechterlijke macht, decentralisatie);
- Legt vast de basisrechten en vrijheden van burgers
- Staat boven gewone wetten, maar onder het EU-recht en
internationale verdragen
- Rechter mag er niet aan toetsen (120 Gw)
- de Grondwet bepaalt hoe macht wordt verdeeld en gecontroleerd,
dus is essentieel voor democratische rechtsstaat
Week 2 (H1 en H2) – constitutionele
uitgangspunten
De student weet vanuit welke constitutionele uitgangspunten het
Nederlandse staatsrecht is opgezet
Machtenscheiding
Beginsel van democratische rechtsstaat
De student kan deze uitgangspunten uitleggen
Machtenscheiding:
- Ontwikkeld door Montesquieu (filosoof, 18e eeuw)
- Doel van de machtenscheiding: waarborgen vrijheid burger, door
overheidsmacht te verdelen over meerdere staatsorganen en
daardoor machtsconcentratie tegen te gaan
- Gaat om de trias politica: scheiding der machten
1. Wetgevende macht: stelling van algemene regels (parlement)
2. Uitvoerende macht: handhaven en uitvoeren van wetgeving
(bestuur: regering)
3. Rechterlijke macht: berechting van geschillen en strafbare
feiten (gerechten van de rechterlijke macht)
- Machtenscheiding mag niet absoluut worden checks and
balances: checks and balances is een systeem van controle en
evenwicht waarbij verschillende machten binnen een organisatie,
zoals een overheid, elkaar controleren en bevoegdheden
beperken om te voorkomen dat één partij te veel macht krijgt
De democratische rechtsstaat
- Het rechtsstaatprincipe ziet, evenals het beginsel van
machtenscheiding, op de bescherming van de vrijheid van de
burgers in de staat door in de voetsporen van de
machtenscheiding concentratie van overheidsmacht tegen te
gaan, grenzen te stellen aan overheidsoptreden en een
staatsvrije privésfeer voor burgers te scheppen
- Rechtsstaatprincipe: de staat – de overheid – in al zijn handelen
jegens burger is gebonden aan de wet en het recht
- 4 elementen
3
, 1) Legaliteitsbeginsel: overheidsoptreden dient te berusten op
het recht/de wet
2) Machtenscheiding
3) Onafhankelijke rechtspraak: onafhankelijke rechterlijke
macht toetst het optreden van de beide andere staatsmachten
op rechtmatigheid
4) Grondrechten: in de constitutie zijn grondrechten of
vrijheidsrechten van de burger verankerd
Democratieprincipe:
1) Besluitvorming bij meerderheid: manier van beslissen waarbij
het voorstel wordt aangenomen als meer dan de helft van de
stemmen voor is
2) Actief en passief kiesrecht: recht om te stemmen en het recht
om jezelf verkiesbaar te stellen
3) Participatie van burgers in de politieke besluitvorming:
stemmen, demonsteren, lid worden van partijen etc.
4) Grondrechten: meningsuiting, vereniging, vergadering,
betoging
De student weet op welke wijze deze uitgangspunten, in het
bijzonder de machtenscheiding, in het staatsrecht zijn vastgelegd
Grondwet:
- 1814/1815: Nederland gesticht, grondwet ingedeeld
- 1840/1848: macht koning beperkt, contraseign heeft de
koning nodig om te handelen, grondwet Thorbecke
- 1917: algemeen kiesrecht ingevoerd
- 1983: grondwet gemoderniseerd
4