HOORCOLLEGE 1: Start & Theoretisch Kader
1. Wat is volgens het HC een centrale eigenschap van diagnostiek?
a. De diagnose is volledig objectief afgeleid van testresultaten
b. De diagnosticus formuleert en toetst voortdurend hypotheses
c. Diagnostiek is vooral een lineair, niet-dynamisch proces
d. Diagnostiek richt zich primair op biologische factoren
2. Waarom is de term "normaal" volgens de colleges problematisch?
a. Omdat het uitsluitend statistisch gemeten kan worden
b. Omdat het concept te smal is en leidt tot stigmatisering
c. Omdat de DSM het begrip niet erkent
d. Omdat normaal gedrag duidelijk afgebakend is
3. Wat is reïficatie in diagnostiek?
a. Het negeren van testresultaten
b. Het behandelen van een abstract label alsof het een objectieve entiteit is
c. Het vervangen van klinisch oordeel door statistiek
d. Het interpreteren van symptomen los van context
4. Wat is een direct gevolg van reïficatie?
a. Het voorkomt cirkelredeneringen
b. Het leidt tot hogere validiteit van classificaties
c. Het zorgt voor cirkelredeneringen en stigmatisering
d. Het dwingt clinici dimensioneel te werken
5. Welke uitspraak over DSM-classificaties is juist?
a. Ze bieden een volledig verklaringsmodel
b. Ze zijn tijdloos en veranderen weinig over edities
c. Ze komen voort uit consensusbesprekingen
d. Ze zijn altijd neurobiologisch gebaseerd
6. Welke aannames horen bij een categorisch model van psychopathologie?
a. Dat stoornissen continu variëren in intensiteit
b. Dat symptomen elkaar in gradaties overlappen
c. Dat categorieën elkaar uitsluiten
d. Dat heterogeniteit binnen stoornissen groot is
7. Wat is een belangrijk nadeel van categorische classificatie?
a. Er is te veel overlap tussen stoornissen (comorbiditeit)
b. Het sluit goed aan bij biologische markers
, c. Het voorspelt klachtenverloop beter dan dimensioneel werken
d. Het houdt rekening met intra-individuele variatie
8. Wat is een kernaspect van het RDoC-framework?
a. Het focust uitsluitend op klinische symptomen
b. Het onderzoekt domeinen op meerdere niveaus, van genen tot gedrag
c. Het is een alternatief classificatiesysteem voor klinische praktijk
d. Het vervangt DSM-categorieën in diagnostiek
9. Bij HiTOP worden symptomen geordend…
a. van breedspectrum naar specifieke symptomen
b. van stoornisniveau naar DSM-criteria
c. van specifieke klachten naar brede spectra
d. uitsluitend langs neurobiologische dimensies
10. Wat geeft een individueel verklaringsmodel weer?
a. Een standaard DSM-classificatie
b. Een persoonlijke reconstructie van oorzaken, context en verloop
c. Een puur biologische verklaring voor klachten
d. Een generieke beschrijving van stoornisconclusies
11. Waarom is een narratief belangrijk in casusconceptualisatie?
a. Het vervangt testresultaten
b. Het weerspiegelt het unieke persoonlijke verhaal van de cliënt
c. Het bepaalt primaire diagnose-onafhankelijkheid
d. Het vervangt de DSM-classificatie
12. Wat is een voordeel van dimensioneel werken?
a. Het sluit beter aan bij variatie tussen en binnen individuen
b. Het reduceert de hoeveelheid informatie
c. Het voorkomt comorbiditeit volledig
d. Het maakt categorisering makkelijker
13. Welke methode is géén standaard onderdeel van diagnostiek?
a. Interviews
b. Observaties
c. Psychologische testen
d. Psychoanalyse als primaire meting
14. Waarom bestaat er geen eenduidige definitie van "abnormaal"?
a. Omdat statistische afwijking de enige juiste maat is
, b. Omdat cultuur, context en tijdperk perspectief bepalen
c. Omdat DSM dit niet beschrijft
d. Omdat abnormaal gedrag altijd voorkomt uit trauma
15. Wat beschrijft het begrip BOGSAT het beste?
a. Een vorm van statistische onderbouwing van diagnoses
b. Onbetrouwbare interviewmethoden
c. Dat DSM-categorieën voortkomen uit expertconsensus
d. De basis voor RDoC-theorieën
16. Wat is een risico van een strikt biologische benadering?
a. Overmatige focus op sociale factoren
b. Schijnzekerheid over oorzaken
c. Overmatige nadruk op narratieven
d. Geen erkenning voor medicatiegebruik
17. Wat staat centraal in een diagnostisch proces volgens de empirische cyclus?
a. Het verzamelen van zo veel mogelijk data
b. Hypothesevorming en toetsing
c. Het zoeken naar DSM-criteria
d. Het toepassen van vaste testbatterijen
18. Wat betekent dat classificatie ≠ diagnose?
a. Diagnose is eenvoudiger dan classificatie
b. Diagnose bevat altijd een casusconceptualisatie
c. Classificatie is subjectief, diagnose niet
d. Diagnose is alleen voor onderzoekers
19. Een voordeel van HiTOP is dat het…
a. Comorbiditeit reduceert door dimensionele structuur
b. Alleen op gen-niveau analyseert
c. Beter aansluit bij DSM-5
d. Alleen symptomen classificeert
20. Welke factor speelt volgens HC een grote rol in hoe diagnostiek plaatsvindt?
a. Beschikbaarheid van neurobiologische data
b. Referentiekader van de diagnosticus
c. De exacte DSM-editie
d. De statistische betrouwbaarheid van IQ-tests
HOORCOLLEGE 2: Diagnostisch Proces
1. Wat is volgens het HC een centrale eigenschap van diagnostiek?
a. De diagnose is volledig objectief afgeleid van testresultaten
b. De diagnosticus formuleert en toetst voortdurend hypotheses
c. Diagnostiek is vooral een lineair, niet-dynamisch proces
d. Diagnostiek richt zich primair op biologische factoren
2. Waarom is de term "normaal" volgens de colleges problematisch?
a. Omdat het uitsluitend statistisch gemeten kan worden
b. Omdat het concept te smal is en leidt tot stigmatisering
c. Omdat de DSM het begrip niet erkent
d. Omdat normaal gedrag duidelijk afgebakend is
3. Wat is reïficatie in diagnostiek?
a. Het negeren van testresultaten
b. Het behandelen van een abstract label alsof het een objectieve entiteit is
c. Het vervangen van klinisch oordeel door statistiek
d. Het interpreteren van symptomen los van context
4. Wat is een direct gevolg van reïficatie?
a. Het voorkomt cirkelredeneringen
b. Het leidt tot hogere validiteit van classificaties
c. Het zorgt voor cirkelredeneringen en stigmatisering
d. Het dwingt clinici dimensioneel te werken
5. Welke uitspraak over DSM-classificaties is juist?
a. Ze bieden een volledig verklaringsmodel
b. Ze zijn tijdloos en veranderen weinig over edities
c. Ze komen voort uit consensusbesprekingen
d. Ze zijn altijd neurobiologisch gebaseerd
6. Welke aannames horen bij een categorisch model van psychopathologie?
a. Dat stoornissen continu variëren in intensiteit
b. Dat symptomen elkaar in gradaties overlappen
c. Dat categorieën elkaar uitsluiten
d. Dat heterogeniteit binnen stoornissen groot is
7. Wat is een belangrijk nadeel van categorische classificatie?
a. Er is te veel overlap tussen stoornissen (comorbiditeit)
b. Het sluit goed aan bij biologische markers
, c. Het voorspelt klachtenverloop beter dan dimensioneel werken
d. Het houdt rekening met intra-individuele variatie
8. Wat is een kernaspect van het RDoC-framework?
a. Het focust uitsluitend op klinische symptomen
b. Het onderzoekt domeinen op meerdere niveaus, van genen tot gedrag
c. Het is een alternatief classificatiesysteem voor klinische praktijk
d. Het vervangt DSM-categorieën in diagnostiek
9. Bij HiTOP worden symptomen geordend…
a. van breedspectrum naar specifieke symptomen
b. van stoornisniveau naar DSM-criteria
c. van specifieke klachten naar brede spectra
d. uitsluitend langs neurobiologische dimensies
10. Wat geeft een individueel verklaringsmodel weer?
a. Een standaard DSM-classificatie
b. Een persoonlijke reconstructie van oorzaken, context en verloop
c. Een puur biologische verklaring voor klachten
d. Een generieke beschrijving van stoornisconclusies
11. Waarom is een narratief belangrijk in casusconceptualisatie?
a. Het vervangt testresultaten
b. Het weerspiegelt het unieke persoonlijke verhaal van de cliënt
c. Het bepaalt primaire diagnose-onafhankelijkheid
d. Het vervangt de DSM-classificatie
12. Wat is een voordeel van dimensioneel werken?
a. Het sluit beter aan bij variatie tussen en binnen individuen
b. Het reduceert de hoeveelheid informatie
c. Het voorkomt comorbiditeit volledig
d. Het maakt categorisering makkelijker
13. Welke methode is géén standaard onderdeel van diagnostiek?
a. Interviews
b. Observaties
c. Psychologische testen
d. Psychoanalyse als primaire meting
14. Waarom bestaat er geen eenduidige definitie van "abnormaal"?
a. Omdat statistische afwijking de enige juiste maat is
, b. Omdat cultuur, context en tijdperk perspectief bepalen
c. Omdat DSM dit niet beschrijft
d. Omdat abnormaal gedrag altijd voorkomt uit trauma
15. Wat beschrijft het begrip BOGSAT het beste?
a. Een vorm van statistische onderbouwing van diagnoses
b. Onbetrouwbare interviewmethoden
c. Dat DSM-categorieën voortkomen uit expertconsensus
d. De basis voor RDoC-theorieën
16. Wat is een risico van een strikt biologische benadering?
a. Overmatige focus op sociale factoren
b. Schijnzekerheid over oorzaken
c. Overmatige nadruk op narratieven
d. Geen erkenning voor medicatiegebruik
17. Wat staat centraal in een diagnostisch proces volgens de empirische cyclus?
a. Het verzamelen van zo veel mogelijk data
b. Hypothesevorming en toetsing
c. Het zoeken naar DSM-criteria
d. Het toepassen van vaste testbatterijen
18. Wat betekent dat classificatie ≠ diagnose?
a. Diagnose is eenvoudiger dan classificatie
b. Diagnose bevat altijd een casusconceptualisatie
c. Classificatie is subjectief, diagnose niet
d. Diagnose is alleen voor onderzoekers
19. Een voordeel van HiTOP is dat het…
a. Comorbiditeit reduceert door dimensionele structuur
b. Alleen op gen-niveau analyseert
c. Beter aansluit bij DSM-5
d. Alleen symptomen classificeert
20. Welke factor speelt volgens HC een grote rol in hoe diagnostiek plaatsvindt?
a. Beschikbaarheid van neurobiologische data
b. Referentiekader van de diagnosticus
c. De exacte DSM-editie
d. De statistische betrouwbaarheid van IQ-tests
HOORCOLLEGE 2: Diagnostisch Proces