VERKENNEN VAN DE
BASISSCHOOL
INLEIDING
o Het recht op onderwijs bestaat sinds 1948 en staat in artikel 26 van de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens.
o Sindsdien werd verduidelijkt wat dit recht inhoudt, vooral voor kinderen met extra
ondersteuningsnoden.
o De VN-Standaardregels (1993) bepalen dat leerlingen met een handicap in het gewone
onderwijs moeten worden begeleid, tenzij dat niet mogelijk is.
o Landen moeten streven naar geleidelijke integratie van speciale onderwijsdiensten in het
reguliere onderwijs.
o De Salamanca-verklaring (1994) benadrukt dat scholen inclusief onderwijs moeten bieden
dat inspeelt op de diversiteit van élke leerling.
o De internationale gemeenschap erkende in 2015 via de Sustainable Development Goals dat
onderwijs essentieel is voor alle 17 doelstellingen.
o SDG 4 roept landen op om tegen 2030 inclusief, rechtvaardig en kwaliteitsvol onderwijs te
realiseren, toegankelijk voor iedereen en gericht op levenslang leren.
o Het Kinderrechtenverdrag (1989) erkent kinderen voor het eerst expliciet als dragers van
rechten, waaronder het recht op onderwijs (art. 28 en 29).
o Alle kinderrechten zijn onderling verbonden, even belangrijk en afhankelijk van elkaar.
o UNICEF ziet wereldwijd toe op de naleving van deze kinderrechten.
o 20 november is de Internationale Dag van de Rechten van het Kind.
,DEEL 1 – HET ONDERWIJS IN VLAANDEREN
1. VLAANDEREN ALS REGIONALE OVERHEID
1. België evolueerde door verschillende staatshervormingen van een unitair land naar een
federale staat met meer bevoegdheden voor gewesten en gemeenschappen.
2. De federale overheid blijft verantwoordelijk voor zaken van algemeen belang, zoals:
o Financiën
o Leger
o Justitie
o Sociale zekerheid
3. Vlaanderen beschikt over zowel gewest- als gemeenschapsbevoegdheden. De instellingen
van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap zijn samengevoegd.
4. Het Vlaamse Gewest omvat de vijf Vlaamse provincies en is o.a. bevoegd voor:
o Waterbeleid
o Leefmilieu
5. De Vlaamse Gemeenschap omvat alle Vlamingen (ook in Brussel) en is bevoegd voor o.a.:
o Cultuur
o Media
o Sport
o Onderwijs (bijna volledig autonoom)
6. Enkele onderwijsgerelateerde bevoegdheden blijven federaal voor samenhang in België:
o Leerplicht
o Diplomaregels
o Pensioenregeling
2. HET BELEIDSDOMEIN ONDERWIJS EN VORMING
Het beleidsdomein ONDERWIJS EN VORMING bestaat uit drie grote onderdelen:
2.1 DEPARTEMENT EN AGENTSCHAPPEN
1. Departement Onderwijs en Vorming → ontwikkelt het Vlaamse onderwijsbeleid.
2. Vier uitvoerende agentschappen:
1. Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen
(AHOVOS)
2. Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn)
3. Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV)
4. Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI)
3. Onderwijsinspectie → controleert de kwaliteit van scholen.
2.2 MINISTER
4. De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming stuurt het beleidsdomein aan en volgt de
uitvoering op. Onze Vlaamse minister is Zuhal Demir! Dit is zeker een examenvraag!!
2.3 ADVIESRAAD
, 5. De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) is de strategische adviesraad die aanbevelingen doet
voor onderwijsbeleid.
3. DE LEERPLICHT
In België heeft elk kind recht op onderwijs (Grondwet, art. 24).
Leerplicht: van 5 tot 18 jaar.
Een kind wordt leerplichtig op 1 september van het jaar waarin het 5 wordt.
De leerplicht eindigt:
o Op de dag van de 18e verjaardag (als die vóór 1 juli valt).
o Op 30 juni van dat jaar (als de verjaardag na 30 juni valt).
o Of eerder wanneer een leerling een diploma secundair onderwijs behaalt.
België kent geen schoolplicht → onderwijs mag via school of huisonderwijs.
Huisonderwijs: ouders moeten dit melden en kinderen moeten deelnemen aan examens van
de Examencommissie.
Aantal kinderen in huisonderwijs stijgt sterk (meer dan verdubbeling in 5 jaar).
4. VRIJHEID VAN ONDERWIJS
Grondrecht in België (Grondwet art. 24).
Twee componenten:
o Vrijheid om onderwijs te organiseren (door overheid, organisaties of personen).
o Vrijheid van schoolkeuze voor ouders en leerlingen.
Onderwijsvrijheid zorgt voor verschillende onderwijsnetten.
Inrichtende machten hebben autonomie: eigen visie, methodes, leerplannen, personeel.
Voor erkenning/subsidies moeten scholen aan wettelijke voorwaarden voldoen.
Ouders moeten op redelijke afstand een school naar keuze vinden.
Discriminatie bij inschrijving is verboden.
5. STRUCTUUR VAN HET ONDERWIJS
5.1 OFFICIEEL EN VRIJ ONDERWIJS
Officieel onderwijs: ingericht door overheid (Gemeenschap, provincies, steden/gemeenten).
o Neutraal onderwijs.
o Biedt keuze tussen erkende godsdiensten of zedenleer.
Vrij onderwijs: ingericht door privépersoon of organisatie.
o Meestal katholiek, maar ook andere levensbeschouwelijke scholen.
Methodescholen kunnen in beide categorieën voorkomen.
5.2 ONDERWIJSNETTEN EN KOEPELS
Er zijn 3 onderwijsnetten:
1. GO! ONDERWIJS VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
Officieel onderwijs.
Verplicht neutraal.
BASISSCHOOL
INLEIDING
o Het recht op onderwijs bestaat sinds 1948 en staat in artikel 26 van de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens.
o Sindsdien werd verduidelijkt wat dit recht inhoudt, vooral voor kinderen met extra
ondersteuningsnoden.
o De VN-Standaardregels (1993) bepalen dat leerlingen met een handicap in het gewone
onderwijs moeten worden begeleid, tenzij dat niet mogelijk is.
o Landen moeten streven naar geleidelijke integratie van speciale onderwijsdiensten in het
reguliere onderwijs.
o De Salamanca-verklaring (1994) benadrukt dat scholen inclusief onderwijs moeten bieden
dat inspeelt op de diversiteit van élke leerling.
o De internationale gemeenschap erkende in 2015 via de Sustainable Development Goals dat
onderwijs essentieel is voor alle 17 doelstellingen.
o SDG 4 roept landen op om tegen 2030 inclusief, rechtvaardig en kwaliteitsvol onderwijs te
realiseren, toegankelijk voor iedereen en gericht op levenslang leren.
o Het Kinderrechtenverdrag (1989) erkent kinderen voor het eerst expliciet als dragers van
rechten, waaronder het recht op onderwijs (art. 28 en 29).
o Alle kinderrechten zijn onderling verbonden, even belangrijk en afhankelijk van elkaar.
o UNICEF ziet wereldwijd toe op de naleving van deze kinderrechten.
o 20 november is de Internationale Dag van de Rechten van het Kind.
,DEEL 1 – HET ONDERWIJS IN VLAANDEREN
1. VLAANDEREN ALS REGIONALE OVERHEID
1. België evolueerde door verschillende staatshervormingen van een unitair land naar een
federale staat met meer bevoegdheden voor gewesten en gemeenschappen.
2. De federale overheid blijft verantwoordelijk voor zaken van algemeen belang, zoals:
o Financiën
o Leger
o Justitie
o Sociale zekerheid
3. Vlaanderen beschikt over zowel gewest- als gemeenschapsbevoegdheden. De instellingen
van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap zijn samengevoegd.
4. Het Vlaamse Gewest omvat de vijf Vlaamse provincies en is o.a. bevoegd voor:
o Waterbeleid
o Leefmilieu
5. De Vlaamse Gemeenschap omvat alle Vlamingen (ook in Brussel) en is bevoegd voor o.a.:
o Cultuur
o Media
o Sport
o Onderwijs (bijna volledig autonoom)
6. Enkele onderwijsgerelateerde bevoegdheden blijven federaal voor samenhang in België:
o Leerplicht
o Diplomaregels
o Pensioenregeling
2. HET BELEIDSDOMEIN ONDERWIJS EN VORMING
Het beleidsdomein ONDERWIJS EN VORMING bestaat uit drie grote onderdelen:
2.1 DEPARTEMENT EN AGENTSCHAPPEN
1. Departement Onderwijs en Vorming → ontwikkelt het Vlaamse onderwijsbeleid.
2. Vier uitvoerende agentschappen:
1. Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen
(AHOVOS)
2. Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn)
3. Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV)
4. Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI)
3. Onderwijsinspectie → controleert de kwaliteit van scholen.
2.2 MINISTER
4. De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming stuurt het beleidsdomein aan en volgt de
uitvoering op. Onze Vlaamse minister is Zuhal Demir! Dit is zeker een examenvraag!!
2.3 ADVIESRAAD
, 5. De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) is de strategische adviesraad die aanbevelingen doet
voor onderwijsbeleid.
3. DE LEERPLICHT
In België heeft elk kind recht op onderwijs (Grondwet, art. 24).
Leerplicht: van 5 tot 18 jaar.
Een kind wordt leerplichtig op 1 september van het jaar waarin het 5 wordt.
De leerplicht eindigt:
o Op de dag van de 18e verjaardag (als die vóór 1 juli valt).
o Op 30 juni van dat jaar (als de verjaardag na 30 juni valt).
o Of eerder wanneer een leerling een diploma secundair onderwijs behaalt.
België kent geen schoolplicht → onderwijs mag via school of huisonderwijs.
Huisonderwijs: ouders moeten dit melden en kinderen moeten deelnemen aan examens van
de Examencommissie.
Aantal kinderen in huisonderwijs stijgt sterk (meer dan verdubbeling in 5 jaar).
4. VRIJHEID VAN ONDERWIJS
Grondrecht in België (Grondwet art. 24).
Twee componenten:
o Vrijheid om onderwijs te organiseren (door overheid, organisaties of personen).
o Vrijheid van schoolkeuze voor ouders en leerlingen.
Onderwijsvrijheid zorgt voor verschillende onderwijsnetten.
Inrichtende machten hebben autonomie: eigen visie, methodes, leerplannen, personeel.
Voor erkenning/subsidies moeten scholen aan wettelijke voorwaarden voldoen.
Ouders moeten op redelijke afstand een school naar keuze vinden.
Discriminatie bij inschrijving is verboden.
5. STRUCTUUR VAN HET ONDERWIJS
5.1 OFFICIEEL EN VRIJ ONDERWIJS
Officieel onderwijs: ingericht door overheid (Gemeenschap, provincies, steden/gemeenten).
o Neutraal onderwijs.
o Biedt keuze tussen erkende godsdiensten of zedenleer.
Vrij onderwijs: ingericht door privépersoon of organisatie.
o Meestal katholiek, maar ook andere levensbeschouwelijke scholen.
Methodescholen kunnen in beide categorieën voorkomen.
5.2 ONDERWIJSNETTEN EN KOEPELS
Er zijn 3 onderwijsnetten:
1. GO! ONDERWIJS VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
Officieel onderwijs.
Verplicht neutraal.