Nederlands samenvatting Leestoets
Schrijfdoelen
Informeren: de auteur wil kennis overbrengen op zijn lezers door middel van uitleg en
beantwoording van vragen. Uiteenzetting
Opiniëren: de auteur geeft lezers de gelegenheid zich een mening te vormen over een bepaald
onderwerp door middel van meningen van deskundigen en betrokkenen en voor- en nadelen.
Beschouwing
Overtuigen: de auteur wil dat de lezers zijn mening/standpunt over een bepaalde kwestie
overnemen, door middel van argumenten en weerleggingen. Betoog
Tekstopbouw:
Inleiding bestaat meestal uit de eerste 2 of 3 alinea’s en geeft aan wat het onderwerp van de
tekst is en trekt de aandacht met behulp van de actualiteit (nu), de geschiedenis (verleden), een
anekdote (verhaal), een voorbeeld of het belang voor de lezer (bijvoorbeeld info voor studie als je
je examen gehaald hebt)
Middenstuk behandelt de deelonderwerpen, gevolgen, voordelen of oplossingen
Slot gevormd door de laatste alinea(‘s), vaak bevat het slot de conclusie en dus ook de
hoofdgedachte.
Tekststructuren:
Argumentatiestructuur: inleiding=stelling, standpunt(vraag) , middenstuk= argumenten en
tegenargumenten voor stelling , slot= herhaling stelling/beantwoording vraag
Aspectenstructuur: inleiding= onderwerp , middenstuk= diverse aspecten van onderwerp , slot=
samenvatting
Probleem/oplossingsstructuur: inleiding= probleem , middenstuk= gevolgen, oorzaken,
oplossingen , slot= de beste oplossing/samenvatting/aanbeveling
Verklaringsstructuur: inleiding= bepaald verschijnsel , middenstuk= kenmerken/voorbeelden,
verklaring/oorzaak/reden , slot= samenvatting
Verleden/heden/toekomststructuur: inleiding= onderwerp , middenstuk= situatie nu, vroeger ,
slot= conclusie of situatie in de toekomst
Voor- en nadelenstructuur: inleiding= vraag of stelling , middenstuk= voor- nadelen ,
slot=afweging, conclusie
Vraag/antwoordstructuur: inleiding= vraag , middenstuk= antwoord(en) , slot= samenvatting of
conclusie
Tekstverbanden
Opsommend: ook, tevens, bovendien, daarnaast, vervolgens, verder, om te beginnen
Tegenstellend: maar, echter, niettemin, toch, daar, daar staat tegenover, desondanks,
daarentegen, aan de ene kant
Chronologisch: eerst, dan, daarna, uiteindelijk, eens, toen, vroeger, nu, later, voordat, nadat
Oorzakelijk: doordat, daardoor, als gevolg van, het gevolg is, het komt door, waardoor, zodat
Toelichtend: zo, bijvoorbeeld, zoals, neem nou
Voorwaardelijk: als, indien, wanneer, in het geval dat, tenzij, mits
Vergelijkend: zoals, net (zo) … als, evenals, (meer/beter) … dan
Redengevend: daarom, omdat, derhalve, dus, want, immers, dat blijkt uit, namelijk, aangezien, de
reden hiervoor is
Doel-middel: om te…, met de bedoeling, opdat, zodat, daarvoor, waarvoor, voor, door … te
Toegevend: ook al, zij het, weliswaar, hoewel, ofschoon
Samenvattend: kortom, samengevat, met andere woorden, al met al
Concluderend verband: dus, daarom, dat houdt in, concluderend, ik kom tot de slotsom at,
kortom, al met al
Mengvormen van tekstsoorten
, VB van een beschouwende tekst met betogende elementen: de auteur wil zijn lezen laten
nadenken over een bepaald onderwerp en hen ervan overtuigen dat het onderwerp anders/beter
moet zijn(=betogen)
VB van een betogende tekst met activerende elementen: de auteur wil zijn lezers ervan
overtuigen dat er over een onderwerp iets fout aan is en daarbij roept hij de lezers op tot een
andere houding ten aanzien van dat onderwerp (=activeren)
Bepalen van mengvorm van tekstsoort:
1. Stel eerst het hoofddoel(tekstsoort) vast. Wat wil de schrijver aan de lezers bereiken?
Vermaken hoofddoel amuseren
Uitleggen uiteenzetten/informeren
Nadenken beschouwen/opiniëren
Mening overnemen betogen/overtuigen
Aanzetting tot iets activeren
2. Kijk ook naar de hoofdgedachte van de tekst. Zo heeft een betoog altijd een mening als
hoofdgedachte, bij uiteenzetting is de hoofdgedachte een constatering, bij beschouwing
is de hoofdgedachte meestal dat er meer oplossingen/antwoorden etc over het
onderwerp zijn
3. Stel vast welke middelen de schrijver gebruikt om de hoofdgedachte te ondersteunen.
Let op de functie van de tekstgedeelten
Argumentatiestructuren
Enkelvoudig: als bij een standpunt maar 1 argument gegeven wordt.
Meervoudig: als er bij een standpunt twee of meer argumenten gegeven worden die los van
elkaar staan.
Nevenschikkend: twee argumenten worden samen gebruikt om een standpunt te ondersteunen
en werken alleen in combinatie met elkaar.
Onderschikkend: een gebruikt argument wordt door een ander argument ondersteunt
Drogredenen
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie: 2 zaken die tegelijkertijd gebeuren een oorzaak-gevolgrelatie
gelegd, terwijl die relatie er niet is.
Verkeerde vergelijking: 2 dingen worden met elkaar vergeleken en van die vergelijk kun je je
afvragen of die wel terecht is.
Overhaaste generalisatie: wordt op basis van 1/enkele gevallen een conclusie getrokken voor een
hele grote groep.
Cirkelredenering: standpunt wordt ondersteund door het herhalen van dezelfde standpunt, maar
anders geformuleerd
Persoonlijke aanval: er wordt op een man gespeeld, persoon wordt aangevallen
Ontduiken van de bewijslast: iemand beweert iets om vervolgens van de andere partij ‘bewijs’
voor het tegendeel te vragen.
Vertekenen van het standpunt: de andere partij worden de woorden in de mond gelegd en de
uitspraken zijn niet zo makkelijk te verdedigen.
Bespelen van het publiek: iemand formuleert zijn standpunt zo moeilijk dat het moeilijker wordt
om ertegen in te gaan, en probeert om een afwijkende mening te voorkomen.
Onjuist beroep op autoriteit: zich beroepen op een autoriteit om een standpunt te ondersteunen,
maar is niet betrouwbaar of geen autoriteit op dat gebied
Teksten beoordelen
Auteur: wie is het, geeft de tekst informatie over zijn opleiding/werkkring, kun je daaruit afleiden
of hij een autoriteit is op het gebied waarover hij schrijft.
Publicatieplaats(bron): in welk blad/tijdschrift/website is de tekst verschenen, op welk publiek is
de bron gericht, welke conclusie kun je daaraan verbinden.
Actualiteit: wanneer is het geschreven, is de informatie in de tekst nog actueel of achterhaald
doordat er inmiddels nieuwe gegevens zijn.
Schrijfdoelen
Informeren: de auteur wil kennis overbrengen op zijn lezers door middel van uitleg en
beantwoording van vragen. Uiteenzetting
Opiniëren: de auteur geeft lezers de gelegenheid zich een mening te vormen over een bepaald
onderwerp door middel van meningen van deskundigen en betrokkenen en voor- en nadelen.
Beschouwing
Overtuigen: de auteur wil dat de lezers zijn mening/standpunt over een bepaalde kwestie
overnemen, door middel van argumenten en weerleggingen. Betoog
Tekstopbouw:
Inleiding bestaat meestal uit de eerste 2 of 3 alinea’s en geeft aan wat het onderwerp van de
tekst is en trekt de aandacht met behulp van de actualiteit (nu), de geschiedenis (verleden), een
anekdote (verhaal), een voorbeeld of het belang voor de lezer (bijvoorbeeld info voor studie als je
je examen gehaald hebt)
Middenstuk behandelt de deelonderwerpen, gevolgen, voordelen of oplossingen
Slot gevormd door de laatste alinea(‘s), vaak bevat het slot de conclusie en dus ook de
hoofdgedachte.
Tekststructuren:
Argumentatiestructuur: inleiding=stelling, standpunt(vraag) , middenstuk= argumenten en
tegenargumenten voor stelling , slot= herhaling stelling/beantwoording vraag
Aspectenstructuur: inleiding= onderwerp , middenstuk= diverse aspecten van onderwerp , slot=
samenvatting
Probleem/oplossingsstructuur: inleiding= probleem , middenstuk= gevolgen, oorzaken,
oplossingen , slot= de beste oplossing/samenvatting/aanbeveling
Verklaringsstructuur: inleiding= bepaald verschijnsel , middenstuk= kenmerken/voorbeelden,
verklaring/oorzaak/reden , slot= samenvatting
Verleden/heden/toekomststructuur: inleiding= onderwerp , middenstuk= situatie nu, vroeger ,
slot= conclusie of situatie in de toekomst
Voor- en nadelenstructuur: inleiding= vraag of stelling , middenstuk= voor- nadelen ,
slot=afweging, conclusie
Vraag/antwoordstructuur: inleiding= vraag , middenstuk= antwoord(en) , slot= samenvatting of
conclusie
Tekstverbanden
Opsommend: ook, tevens, bovendien, daarnaast, vervolgens, verder, om te beginnen
Tegenstellend: maar, echter, niettemin, toch, daar, daar staat tegenover, desondanks,
daarentegen, aan de ene kant
Chronologisch: eerst, dan, daarna, uiteindelijk, eens, toen, vroeger, nu, later, voordat, nadat
Oorzakelijk: doordat, daardoor, als gevolg van, het gevolg is, het komt door, waardoor, zodat
Toelichtend: zo, bijvoorbeeld, zoals, neem nou
Voorwaardelijk: als, indien, wanneer, in het geval dat, tenzij, mits
Vergelijkend: zoals, net (zo) … als, evenals, (meer/beter) … dan
Redengevend: daarom, omdat, derhalve, dus, want, immers, dat blijkt uit, namelijk, aangezien, de
reden hiervoor is
Doel-middel: om te…, met de bedoeling, opdat, zodat, daarvoor, waarvoor, voor, door … te
Toegevend: ook al, zij het, weliswaar, hoewel, ofschoon
Samenvattend: kortom, samengevat, met andere woorden, al met al
Concluderend verband: dus, daarom, dat houdt in, concluderend, ik kom tot de slotsom at,
kortom, al met al
Mengvormen van tekstsoorten
, VB van een beschouwende tekst met betogende elementen: de auteur wil zijn lezen laten
nadenken over een bepaald onderwerp en hen ervan overtuigen dat het onderwerp anders/beter
moet zijn(=betogen)
VB van een betogende tekst met activerende elementen: de auteur wil zijn lezers ervan
overtuigen dat er over een onderwerp iets fout aan is en daarbij roept hij de lezers op tot een
andere houding ten aanzien van dat onderwerp (=activeren)
Bepalen van mengvorm van tekstsoort:
1. Stel eerst het hoofddoel(tekstsoort) vast. Wat wil de schrijver aan de lezers bereiken?
Vermaken hoofddoel amuseren
Uitleggen uiteenzetten/informeren
Nadenken beschouwen/opiniëren
Mening overnemen betogen/overtuigen
Aanzetting tot iets activeren
2. Kijk ook naar de hoofdgedachte van de tekst. Zo heeft een betoog altijd een mening als
hoofdgedachte, bij uiteenzetting is de hoofdgedachte een constatering, bij beschouwing
is de hoofdgedachte meestal dat er meer oplossingen/antwoorden etc over het
onderwerp zijn
3. Stel vast welke middelen de schrijver gebruikt om de hoofdgedachte te ondersteunen.
Let op de functie van de tekstgedeelten
Argumentatiestructuren
Enkelvoudig: als bij een standpunt maar 1 argument gegeven wordt.
Meervoudig: als er bij een standpunt twee of meer argumenten gegeven worden die los van
elkaar staan.
Nevenschikkend: twee argumenten worden samen gebruikt om een standpunt te ondersteunen
en werken alleen in combinatie met elkaar.
Onderschikkend: een gebruikt argument wordt door een ander argument ondersteunt
Drogredenen
Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie: 2 zaken die tegelijkertijd gebeuren een oorzaak-gevolgrelatie
gelegd, terwijl die relatie er niet is.
Verkeerde vergelijking: 2 dingen worden met elkaar vergeleken en van die vergelijk kun je je
afvragen of die wel terecht is.
Overhaaste generalisatie: wordt op basis van 1/enkele gevallen een conclusie getrokken voor een
hele grote groep.
Cirkelredenering: standpunt wordt ondersteund door het herhalen van dezelfde standpunt, maar
anders geformuleerd
Persoonlijke aanval: er wordt op een man gespeeld, persoon wordt aangevallen
Ontduiken van de bewijslast: iemand beweert iets om vervolgens van de andere partij ‘bewijs’
voor het tegendeel te vragen.
Vertekenen van het standpunt: de andere partij worden de woorden in de mond gelegd en de
uitspraken zijn niet zo makkelijk te verdedigen.
Bespelen van het publiek: iemand formuleert zijn standpunt zo moeilijk dat het moeilijker wordt
om ertegen in te gaan, en probeert om een afwijkende mening te voorkomen.
Onjuist beroep op autoriteit: zich beroepen op een autoriteit om een standpunt te ondersteunen,
maar is niet betrouwbaar of geen autoriteit op dat gebied
Teksten beoordelen
Auteur: wie is het, geeft de tekst informatie over zijn opleiding/werkkring, kun je daaruit afleiden
of hij een autoriteit is op het gebied waarover hij schrijft.
Publicatieplaats(bron): in welk blad/tijdschrift/website is de tekst verschenen, op welk publiek is
de bron gericht, welke conclusie kun je daaraan verbinden.
Actualiteit: wanneer is het geschreven, is de informatie in de tekst nog actueel of achterhaald
doordat er inmiddels nieuwe gegevens zijn.