100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Inleiding Verbintenissenrecht

Rating
-
Sold
2
Pages
46
Uploaded on
27-11-2025
Written in
2025/2026

Deze samenvatting bevat alle literatuur, kennisclips, artikelen en jurisprudentie die beheerst moeten worden voor het tentamen (deeltoets) Inleiding verbintenissenrecht aan de Universiteit Utrecht, studiejaar 2025–2026.

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
November 27, 2025
Number of pages
46
Written in
2025/2026
Type
Summary

Subjects

Content preview

Inleiding verbintenissenrecht
Verbintenissen
Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsverhouding tussen twee
partijen krachtens welke de één (de schuldeiser) is gerechtigd tot een gedraging
(prestatie) die de ander (de schuldenaar) verplicht is ten opzichte van hem te
verrichten. Kenmerkend voor een verbintenis is dat een persoon een recht heeft
op een door een andere persoon te verrichten prestatie, terwijl die ander
tegenover de eerste verplicht is tot het verrichten van die prestatie.
Voor de vraag naar de bronnen van een verbintenis vormt art. 6:1 BW de centrale
bepaling: ‘’Verbintenissen kunnen slechts ontstaan, indien dit uit de wet
voortvloeit.’ De uiteindelijke bron is dus altijd de wet.
De wet omschrijft ook nog de natuurlijke verbintenis (art. 6:3 BW). Een natuurlijke
verbintenis is een rechtens niet afdwingbare verbintenis. Een natuurlijke
verbintenis ontstaat wanneer de wet of rechtshandeling aan een verbintenis de
afdwingbaarheid onthoudt of wanneer iemand jegens een ander een dringende
morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, alhoewel
rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening
van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt (art. 6:3
lid 2 BW).
Natuurlijke verbintenissen kunnen ook door rechtshandeling ontstaan. Partijen
kunnen bij het sluiten van een overeenkomst haar afdwingbaarheid onthouden.
Ze roept in dat geval slechts natuurlijke verbintenissen in het leven. Art. 6:4 BW
bepaalt dat op natuurlijke verbintenissen de wetsbepalingen betreffende
‘gewone’ verbintenissen van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij de wet of
haar strekking meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op een
niet afdwingbare verbintenis.
Een voorbeeld van een natuurlijke verbintenis: een ouder betaalt het collegegeld
voor het kind. Het kind kan deze vordering niet laten nakomen door de rechter ->
rechtens niet-afdwingbaar (art. 6:3 lid 1 BW).
Rechtsfeiten en rechtshandelingen
Uit de wet vloeit voort welke rechtsfeiten bronnen van verbintenissen zijn. Dit zijn
de verbintenisscheppende (ofwel: obligatoire) overeenkomst en de onrechtmatige
daad, maar ook elders in de wet vind je bronnen van verbintenissen. Voorbeelden
daarvan zijn de zogenaamde rechtmatige daden: zaakwaarneming,
onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking. Het stelsel van
bronnen van verbintenissen is geen gesloten stelsel. Buiten de in de wet
geregelde bronnen kan in een beperkt aantal gevallen ook het ongeschreven
recht bron van verbintenissen zijn (zie HR Quint/Te Poel en art. 6:1 BW).
Een verbintenis is vaak het gevolg van een overeenkomst. Een overeenkomst is
een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of
meer andere een verbintenis aangaan (art. 6:213 BW). De rechtsgevolgen van
overeenkomsten niet zijn beperkt tot verbintenissen.
De rechtshandeling is een onderdeel van de categorie rechtsfeit. Een
rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een
verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Rechtshandelingen kunnen

,eenzijdig en meerzijdig tot stand komen. Bij het type rechtshandeling
‘verbintenisscheppende overeenkomst’ bestaat het rechtsgevolg uit het ontstaan
van één of meer verbintenissen.
Onrechtmatige daad
Bij een onrechtmatige daad ontstaat een rechtsgevolg afhankelijk van de wil. Een
gedraging kan namelijk ook een rechtsgevolg teweegbrengen los van de vraag of
de handelende dat ook heeft beoogd. Krachtens art. 6:162 lid 1 BW is degene die
tegenover een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden
toegerekend, verplicht de schade te vergoeden die de ander dientengevolge
leidt. Het is de wet die aan het plegen van een onrechtmatige daad rechtstreeks
de verplichting tot het betalen van de schade koppelt, met andere woorden een
verbintenis tot schadevergoeding doet ontstaan. Het plegen van een
onrechtmatige daad is aldus een rechtsfeit. Het is echter geen rechtshandeling
omdat voor het intreden van het rechtsgevolg niet is vereist dat de dader het
rechtsgevolg ook heeft beoogd.
Rechtmatige daad
Ook bij het rechtsfeit rechtmatige daad blijft de wil buiten beschouwing. De
rechtmatige daden hebben met de onrechtmatige daden gemeen dat zij – anders
dan bij overeenkomsten – verbintenissen doen ontstaan geheel onafhankelijk van
een daarop gerichte wil. De rechtmatige daden zijn de volgende:
zaakwaarneming (art. 6:198 BW), onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en
ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW).
Onverschuldigde betaling
Op grond van art. 6:203 BW kan degene die een prestatie heeft verricht zonder
dat daartoe een rechtsgrond bestond, deze prestatie als onverschuldigd betaald
terugvorderen aan degene aan wie is gepresteerd. ‘Onverschuldigd’ wil zeggen:
zonder rechtsgrond. Er zijn meerdere situaties waarin sprake kan zijn van een
onverschuldigde betaling:
- Er is van begin af aan geen rechtsgrond voor de betaling aan de ander
aanwezig geweest.
- Er is ooit een rechtsgrond voor betaling geweest, die op grond daarvan is
betaald, maar de rechtsgrond is daarna met terugwerkende kracht
vervangen. Hierdoor was de aanvankelijk verschuldigde betaling van begin
af aan onverschuldigd.
Art. 6:203 BW geeft degene die onverschuldigd heeft betaald tegenover de
ontvanger een recht op ongedaanmaking van wat onverschuldigd is verricht, niet
op vergoeding van de schade. Het artikel onderscheidt een drietal gevallen:
1. Wanneer de onverschuldigde betaling heeft bestaan uit het geven van een
goed, dan moet de ontvanger datzelfde goed teruggeven (art. 6:203 lid 1
BW);
2. Was het een onverschuldigde betaling in een geldsom, dan moet de
ontvanger een gelijk bedrag terugbetalen (art. 6:203 lid 2 BW);
3. Bestond de onverschuldigde betaling uit een prestatie, dan moet de
ontvanger die prestatie ongedaan maken (art. 6:203 lid 3 BW).

,Wat als de ongedaanmaking niet (meer) mogelijk is? Hierin moeten we
onderscheid maken tussen het geval waarin zij door toevallige feitelijke
omstandigheden niet ongedaan is te maken, en het geval waarin
ongedaanmaking naar haar aard niet mogelijk is. Sluiten toevallige feitelijke
omstandigheden de nakoming van de verbintenis tot ongedaanmaking uit, dan
lost de verbintenis tot ongedaanmaking zich krachtens de algemene regel voor
tekortschieten op in een verbintenis tot schadevergoeding (art. 6:74 BW). Sluit
daarentegen de aard van de prestatie ongedaanmaking uit, dan geldt de regeling
van art. 6:210 lid 2 BW. Onder bepaalde voorwaarden dient de ontvanger de
waarde van de prestatie te vergoeden voor zover dit ‘redelijk’ is.
Driehoeksverhouding – art. 3:33 BW, art. 6:213 BW & art. 6:217 BW
De verhouding tussen artikel 3:33 BW, 6:217 BW en 6:213 BW laat zien hoe een
overeenkomst binnen het
verbintenissenrecht tot stand
komt en welke rechtsgevolgen
daaraan zijn verbonden. Artikel
3:33 BW bevat de algemene regel
dat een rechtshandeling een op
rechtsgevolg gerichte wil vereist
die zich door een verklaring heeft
geopenbaard. Dit vormt de basis
voor alle rechtshandelingen,
waaronder het sluiten van
overeenkomsten. Artikel 6:217
BW werkt dit beginsel concreet uit voor overeenkomsten en bepaalt dat een
overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Zowel het aanbod als
de aanvaarding zijn rechtshandelingen in de zin van artikel 3:33 BW; beide
moeten dus berusten op een geldige wil en verklaring die met elkaar
overeenstemmen.
Zodra dit het geval is, komt de overeenkomst tot stand. Artikel 6:213 BW geeft
vervolgens aan wat die overeenkomst inhoudt en wat het rechtsgevolg ervan is:
het gaat om een meerzijdige rechtshandeling die verbintenissen doet ontstaan
tussen partijen. Kortom, artikel 3:33 BW legt de basis voor de geldigheid van de
rechtshandeling, artikel 6:217 BW beschrijft de wijze waarop de overeenkomst tot
stand komt, en artikel 6:213 BW bepaalt dat door die overeenkomst
verbintenissen ontstaan.
Bronnen van verbintenis
Er zijn verschillende bronnen waarop een verbintenis kan ontstaan:
1. Overeenkomst (art. 6:213 BW)
2. Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW)
3. Rechtmatige daad
a. Zaakwaarneming (art. 6:198 BW)
b. Onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW)
c. Ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW)
4. Natuurlijke verbintenis (art. 6:3 BW)
a. Wet of rechtshandeling (lid 1)
b. Moraal (lid 2)

, ‘Rechtsgeschiedenis zei u? Eh…hoezo?’
In zijn lezing stelt de auteur een scherp contrast tussen de perceptie van
rechtsgeschiedenis door praktijkjuristen en door academici. Voor de meeste
juristen lijkt rechtsgeschiedenis weinig praktisch nut te hebben: de dagelijkse
rechtstoepassing wordt gedreven door doelmatigheid en maatschappelijke
relevantie, terwijl historische kennis zelden directe argumentatieve waarde biedt
in moderne kwesties.
Ook in de rechtspraak speelt rechtsgeschiedenis nauwelijks een rol; uitspraken
zijn vaak apodictisch, met weinig aandacht voor historische context. Alleen de
wetsgeschiedenis wordt soms geraadpleegd om de bedoeling van een bepaling
te begrijpen, terwijl klassieke juridische literatuur en oude rechtsbronnen voor
hedendaagse problemen doorgaans irrelevant zijn.
De auteur benadrukt echter dat de rechtsgeschiedenis niet louter vanuit gezag of
traditie waardevol is. Het echte belang ligt in het inzicht dat historische kennis
biedt in de ontwikkeling van rechtsregels, in de continuïteit van het recht en in de
context waarin huidige regels zijn ontstaan. Het recht wordt als regel ervaren en
als gezaghebbend geaccepteerd doordat het zich historisch heeft bewezen en
praktisch nut heeft. Rechtsgeschiedenis helpt juristen begrijpen hoe bestaande
regels tot stand zijn gekomen, welke problemen ze probeerden op te lossen en
hoe zij kunnen bijdragen aan de toekomstige ontwikkeling van het recht. Zo stelt
kennis van de historische context hen in staat om beter te reflecteren op
moderne vraagstukken, van civiel- en bestuursrecht tot aansprakelijkheid en
strafrecht, en om geïnformeerde keuzes te maken bij het vormen van nieuw
recht.
Kortom, hoewel rechtsgeschiedenis geen directe antwoorden biedt op
hedendaagse rechtsproblemen, is het essentieel voor een diep begrip van de
rechtsontwikkeling. Het stelt juristen in staat om niet slechts regels te volgen,
maar de logica, het verband en de evolutie van het recht te doorgronden. Alleen
met historisch besef kan een jurist worden gezien als rechtsbeoefenaar in plaats
van als eenvoudige regelslaaf.
$6.84
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
scholtenduuk

Get to know the seller

Seller avatar
scholtenduuk Universiteit Utrecht
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
6
Member since
2 months
Number of followers
0
Documents
3
Last sold
3 weeks ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their exams and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can immediately select a different document that better matches what you need.

Pay how you prefer, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card or EFT and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions