Week 1: Algemene goederenrechtelijke leerstukken
Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW), en zaken zijn alle voor
menselijke vatbaar stoffelijke objecten (art. 3:2 BW). In art. 3:3 BW wordt onderscheidt
gemaakt tussen roerende zaken en onroerende zaken.
Registergoederen zijn goederen waarvan voor overdracht of vestiging van beperkte rechten
inschrijving van een opgemaakte notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers
noodzakelijk is (art. 3:10 BW). Registergoed heeft dus drie vereisten:
1. Er moet een register zijn
2. Die moet ook openbaar zijn
3. De inschrijving moet constitutief zijn (de vestiging/overdracht treedt pas in door de
inschrijving)
Er zijn drie belangrijke categorieën registergoederen:
1. Onroerende zaken: art. 3:89 BW vereist dat bij overdracht van een onroerende zaak
een notariële akte wordt opgemaakt en dat deze wordt ingeschreven in de openbare
registers. Alle onroerende zaken zijn dus registergoederen
2. Teboekstaande schepen en luchtvaartuigen: zijn registergoederen. Voor levering van
deze goederen is inschrijving in de openbare registers vereist (art. 3:89 lid 4 BW)
3. Beperkte rechten op registergoederen: art. 3:98 BW verklaart dat voor de vestiging
van beperkte rechten dezelfde regels moeten worden gevolgd als voor de overdracht
van het goed waarop het beperkte recht wordt gevestigd. Art. 3:89 BW is dus van
overeenkomstige toepassing. De beperkte rechten die worden gevestigd op
registergoederen zijn dus zelf ook registergoederen.
Bestanddelen zijn onzelfstandige onderdelen van een zaak:
- Ideële bestanddelen (art. 3:4 lid 1 BW): iets is volgens de verkeersopvatting gezien
een bestanddeel van de hoofdzaak (vb. wielen van auto)
- Materiële bestanddelen (art. 3:4 lid 2 BW): indien afscheiding tussen hoofdzaak en
bestanddeel alleen plaats kan vinden door substantiële schade toe te brengen aan
hoofdzaak en/of bestanddeel (vb. rits van jas)
Om te bepalen of iets een bestanddeel is, ga je het volgende af:
1. Je kijkt naar art. 3:4 lid 2 BW
2. Vervolgens kijk je naar art. 3:4 lid 1 BW. Om te beoordelen of iets volgens
verkeersopvatting een bestanddeel is, beoordeel je met de criteria van het arrest
Depex/Curatoren
Of iets een bestanddeel is of niet, maakt niet veel uit, want volgens art. 5:3 BW is de
eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar van alle bestanddelen.
Doorbreking van de hoedanigheid van een bestanddeel kan op de volgende manieren
plaatsvinden:
- Afscheiding: de ideële of materiële band wordt verbroken
- Vestiging van een opstalrecht (art. 5:101 BW)
, - Mandeligheid (art. 5:60 BW): gemeenschappelijke scheidsmuren of heggen van erven
worden ook bezien als zelfstandige zaken en worden niet beschouwd als
bestanddelen van beide erven. Ze zijn echter niet zelf vatbaar voor overdracht.
Vruchten laten zich definiëren als de opbrengsten die goederen met behoud van hun
substantie generen. Men kan hierbij onderscheid maken tussen:
- Natuurlijke vruchten (art. 3:9 lid 1 BW): appel van een boom (zaken)
- Burgerlijke vruchten (art. 3:9 lid 2 BW): rente van een vordering uit geldlening
(vermogensrecht)
Ondercsheid tussen twee soorten toekomstige goederen:
- Absoluut (objectief) toekomstig: goederen die in het geheel nog niet bestaan. De
bestanddelen zijn ook als absoluut toekomstige goederen aan te merken
- Relatief (subjectief) toekomstig: bestaande goederen die nog niet tot het vermogen
behoren van degene die deze goederen als toekomstig aanduidt; bestaande goederen
waarbij de vervreemder nog niet beschikkingsbevoegd is
Men kan ook onderscheid maken in:
- Enkel toekomstige goederen: nog niet bestaande goederen uit een rechtsvinding die
al wel bestaat
- Dubbel toekomstige goederen: nog niet bestaande goederen uit een
rechtsverhouding die nog niet bestaat
Functies goederenrechtelijke rechten:
1. Duidelijkheid
2. Diversiteit
3. Mobiliteit
4. Voorrang
Een goederenrechtelijk recht ziet op de relatie tussen een persoon en een goed in de zin van
art. 3:1 BW, en kan tegenover iedereen worden ingeroepen (absoluut recht).
Het eigendomsrecht is het meestomvattend recht dat een persoon op een zaak kan hebben
(art. 5:1 BW). Een beperkt recht si een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht,
hetwelk met het beperkte recht is bezwaard (art. 3:8 BW). Het recht waaruit het beperkte
recht is gevormd, heet het moederrecht. Men kan beperkte rechten indelen in:
- Genotsrechten: geven de rechthebbende recht op gebruik en genot van de zaak
o Vruchtgebruik (art. 3:201 BW)
o Erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW)
o Erfpacht (art. 5:85 BW)
o Opstal (art. 5:101 BW)
- Zekerheidsrechten: geven de rechthebbende zekerheid ter verzekering van een
vordering
o Pandrecht (art. 3:227 BW)
o Hypotheek (art. 3:227 BW)
, In beginsel zijn alle rechten die niet aan orde of aan toonder zijn, rechten op naam. Voor een
vordering op naam is geen papier met de naam vereist. Voor een vordering aan order of
toonder is wel papier met een order- of toonderclausule vereist.
De bruiklener is in goederenrechtelijk opzicht de houder van de zaak: hij houdt de zaak voor
degene die het eigendom heeft. Als hij het goed voor zichzelf houdt is hij de bezitter.
Art. 3:80 lid 1 BW maakt onderscheid tussen twee wijzen waarop men een goed kan
verkrijgen:
- Onder algemene titel:
o Derivatief:
Erfopvolging
Boedelmenging
Fusie/splitsing
Gevallen genoemd in de Wft
- Onder bijzondere titel:
o Derivatief:
Overdracht
o Originair
Verjaring
Occupatie
Vinderschap
Schatvinding
Natrekking
Vermenging
Zaaksvorming
Vruchttrekking
De verkrijger onder algemene titel treedt volledig in de vermogensrechtelijke positie van zijn
voorganger: zowel in de verkregen zaken en vermogensrechten, als de verplichtingen
(schulden). Bij verkrijging onder bijzondere titel verkrijgt een persoon één bepaald goed.
Het is onmogelijk om meerdere goederen onder één bijzondere titel te verkrijgen.
Een rechthebbende kan niet meer recht overdragen dan hij zelf heeft (nemo-plus-beginsel).
Normaal gesproken is de bezitter van een goed ook de eigenaar. Soms lopen bezit en
eigendomsrecht echter uiteen, bijvoorbeeld wanneer iets gestolen wordt. Verjaring zorgt er
dan voor dat na verloop van tijd bezit en recht weer samenvallen, zodat de feitelijke situatie
aansluit bij de juridische, dit bevordert de rechtszekerheid. De functie van verjaring is dus
niet alleen eigendomsverkrijging, maar vooral bewijsrechtelijk: na verloop van tijd mag de
bezitter als rechthebbende worden beschouwd.
Er zijn twee vormen van verkrijging door verjaring:
- Verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW):
o Bezit van een goed: bezit is het houden van een goed voor zichzelf (art. 3:107
BW) en moet blijken uit uiterlijke feiten. Het bezit moet openbaar en niet-
dubbelzinnig zijn, zodat de rechthebbende weet dat de bezitter zich als
eigenaar gedraagt