Esther Ferraresi
PWB
A. Training van fysieke fitheid
A.1 – Inleiding
“Training is een oefenproces waarmee een verbetering in een welbepaald doelgebied wordt
nagestreefd.”
Het motorisch prestatievermogen wordt gekenmerkt door de wisselwerking van verschillende
factoren, wat training zo complex maakt.
Lichamelijke basiseigenschappen
Lichamelijke basiseigenschappen zijn relatief onafhankelijke factoren.
- We kunnen ze in 4 componenten indelen:
o Kracht: wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het actief
bewegingsapparaat.
o Uithouding: wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het cardiorespiratoir
systeem.
o Snelheid: is de resultante van de wisselwerking tussen spier- en zenuwstelsel.
o Lenigheid: wordt bepaald door de actieradius van het bewegingsapparaat.
o Ook coördinatie zit er voor een stuk bij!
Deze eigenschappen kunnen getraind worden.
A.2 – Energielevering bij inspanning
Spiercellen bezitten de eigenschap om chemische energie om te zetten in mechanische arbeid.
- Chemische energie = calciumionen komen vrij.
- Mechanische arbeid = spiercontractie.
Dit kan door het splitsen van energierijke fosfagenen.
- ATP (adenosinetrifosfaat) speelt een centrale rol.
o Is in de spiercel beperkt.
o De spiercel moet dus beroep doen op andere energiebronnen.
We maken een onderscheid tussen aerobe en anaerobe energielevering.
1
, Esther Ferraresi
Interactie van de verschillende energiesystemen bij het bewegen
De resynthese van ATP (= ‘her-opladen van jouw batterij’) kan op 3 manieren:
1. Door splitsing van energierijke fosfaten.
2. Door anaerobe glycolyse met vorming van lactaat.
3. Door aerobe verbranding met behulp van zuurstof.
Bij kortstondige inspanningen zal de nodige energie geleverd worden door de reserves aan ATP.
Bij langdurige inspanningen zal de energielevering eerder aeroob zijn.
Bij activiteiten tussenin, zal de energielevering deels anaeroob en deels aeroob zijn.
Hier staat dat een marathon lopen 100% aeroob is.
- Dit is theoretisch zo, maar is in de praktijk niet zo.
- Je begint aeroob, maar op het moment dat je spieren het niet meer aankunnen krijg je
alsnog verzuring.
A.3 – Het uithoudingsvermogen – de aerobe en anaerobe grens
Het uithoudingsvermogen is de eigenschap om een welbepaalde inspanning zo lang mogelijk vol te
houden.
Er zijn verschillende vormen van uithouding:
1. Algemeen versus lokaal uithoudingsvermogen:
o Algemeen: 1/6 tot 1/7 van de totale spiermassa neemt deel aan de beweging.
o Lokaal: op 1 plaats (bv. biceps trainen).
2. Algemeen versus specifiek uithoudingsvermogen:
o Algemeen: aspecifiek, niet sportafhankelijk.
o Specifiek: wel sportafhankelijk.
3. Statisch versus dynamisch uithoudingsvermogen:
o Wordt bepaald door de contractievorm van de spieren.
2
PWB
A. Training van fysieke fitheid
A.1 – Inleiding
“Training is een oefenproces waarmee een verbetering in een welbepaald doelgebied wordt
nagestreefd.”
Het motorisch prestatievermogen wordt gekenmerkt door de wisselwerking van verschillende
factoren, wat training zo complex maakt.
Lichamelijke basiseigenschappen
Lichamelijke basiseigenschappen zijn relatief onafhankelijke factoren.
- We kunnen ze in 4 componenten indelen:
o Kracht: wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het actief
bewegingsapparaat.
o Uithouding: wordt bepaald door het aanpassingsvermogen van het cardiorespiratoir
systeem.
o Snelheid: is de resultante van de wisselwerking tussen spier- en zenuwstelsel.
o Lenigheid: wordt bepaald door de actieradius van het bewegingsapparaat.
o Ook coördinatie zit er voor een stuk bij!
Deze eigenschappen kunnen getraind worden.
A.2 – Energielevering bij inspanning
Spiercellen bezitten de eigenschap om chemische energie om te zetten in mechanische arbeid.
- Chemische energie = calciumionen komen vrij.
- Mechanische arbeid = spiercontractie.
Dit kan door het splitsen van energierijke fosfagenen.
- ATP (adenosinetrifosfaat) speelt een centrale rol.
o Is in de spiercel beperkt.
o De spiercel moet dus beroep doen op andere energiebronnen.
We maken een onderscheid tussen aerobe en anaerobe energielevering.
1
, Esther Ferraresi
Interactie van de verschillende energiesystemen bij het bewegen
De resynthese van ATP (= ‘her-opladen van jouw batterij’) kan op 3 manieren:
1. Door splitsing van energierijke fosfaten.
2. Door anaerobe glycolyse met vorming van lactaat.
3. Door aerobe verbranding met behulp van zuurstof.
Bij kortstondige inspanningen zal de nodige energie geleverd worden door de reserves aan ATP.
Bij langdurige inspanningen zal de energielevering eerder aeroob zijn.
Bij activiteiten tussenin, zal de energielevering deels anaeroob en deels aeroob zijn.
Hier staat dat een marathon lopen 100% aeroob is.
- Dit is theoretisch zo, maar is in de praktijk niet zo.
- Je begint aeroob, maar op het moment dat je spieren het niet meer aankunnen krijg je
alsnog verzuring.
A.3 – Het uithoudingsvermogen – de aerobe en anaerobe grens
Het uithoudingsvermogen is de eigenschap om een welbepaalde inspanning zo lang mogelijk vol te
houden.
Er zijn verschillende vormen van uithouding:
1. Algemeen versus lokaal uithoudingsvermogen:
o Algemeen: 1/6 tot 1/7 van de totale spiermassa neemt deel aan de beweging.
o Lokaal: op 1 plaats (bv. biceps trainen).
2. Algemeen versus specifiek uithoudingsvermogen:
o Algemeen: aspecifiek, niet sportafhankelijk.
o Specifiek: wel sportafhankelijk.
3. Statisch versus dynamisch uithoudingsvermogen:
o Wordt bepaald door de contractievorm van de spieren.
2