40 Oefenvragen SWK6 Gezinspedagogiek (HBO Pedagogiek niveau)
1. Superdiversiteit verwijst naar:
A. Het bestaan van verschillende etnische groepen naast elkaar
B. Diversiteit binnen diversiteit, voortdurend in beweging
C. Het verdwijnen van verschillen tussen groepen
2. Intersectionaliteit helpt pedagogen vooral om:
A. Groepen mensen te categoriseren in één dominante identiteit
B. Te kijken naar kruispunten van machtsposities en verschillen
C. Te bepalen welke cultuur dominant is in een samenleving
3. Een kenmerk van armoede is níet:
A. Gradueel
B. Relatief
C. Objectief en universeel
4. Bonding sociaal kapitaal is:
A. Verbinding met mensen die op jou lijken
B. Toegang tot hogere sociale lagen
C. Contacten die je toegang geven tot instituties
5. In de Capability Approach verwijst ‘capability’ naar:
A. De concrete handelingen die iemand uitvoert
B. De middelen die iemand krijgt van de overheid
C. De reële keuzemogelijkheden om een gewenste levensvorm te bereiken
6. Ouderschap volgens Alice van der Pas is:
A. Een proces dat nooit af is
B. Lineair en fasegebonden
C. Afhankelijk van de ontwikkeling van het kind
7. Een ouder die zijn emoties kort pauzeert en reflecteert op de situatie, neemt een:
A. Afweerpositie
B. Metapositie
C. Sociale positie
8. Een solidaire gemeenschap als buffer betekent dat:
A. Ouders alles zelfstandig moeten oplossen
B. Ouders steun, informatie en erkenning uit hun omgeving ontvangen
C. Jongeren toegang krijgen tot meer cultureel kapitaal
9. In het model van Belsky vallen persoonlijke eigenschappen van ouders onder:
A. Ontwikkelingsgeschiedenis
B. Sociale context
C. Gezinsfactoren
10. Equifinaliteit betekent:
A. Verschillende oorzaken → dezelfde uitkomst
B. Eén oorzaak → verschillende uitkomsten
C. Gedrag volledig voorspelbaar is
11. Symmetrische communicatie is:
A. Wederzijdse machtsstrijd
B. Een hiërarchische verdeling
C. Communicatie zonder non-verbaal gedrag
1. Superdiversiteit verwijst naar:
A. Het bestaan van verschillende etnische groepen naast elkaar
B. Diversiteit binnen diversiteit, voortdurend in beweging
C. Het verdwijnen van verschillen tussen groepen
2. Intersectionaliteit helpt pedagogen vooral om:
A. Groepen mensen te categoriseren in één dominante identiteit
B. Te kijken naar kruispunten van machtsposities en verschillen
C. Te bepalen welke cultuur dominant is in een samenleving
3. Een kenmerk van armoede is níet:
A. Gradueel
B. Relatief
C. Objectief en universeel
4. Bonding sociaal kapitaal is:
A. Verbinding met mensen die op jou lijken
B. Toegang tot hogere sociale lagen
C. Contacten die je toegang geven tot instituties
5. In de Capability Approach verwijst ‘capability’ naar:
A. De concrete handelingen die iemand uitvoert
B. De middelen die iemand krijgt van de overheid
C. De reële keuzemogelijkheden om een gewenste levensvorm te bereiken
6. Ouderschap volgens Alice van der Pas is:
A. Een proces dat nooit af is
B. Lineair en fasegebonden
C. Afhankelijk van de ontwikkeling van het kind
7. Een ouder die zijn emoties kort pauzeert en reflecteert op de situatie, neemt een:
A. Afweerpositie
B. Metapositie
C. Sociale positie
8. Een solidaire gemeenschap als buffer betekent dat:
A. Ouders alles zelfstandig moeten oplossen
B. Ouders steun, informatie en erkenning uit hun omgeving ontvangen
C. Jongeren toegang krijgen tot meer cultureel kapitaal
9. In het model van Belsky vallen persoonlijke eigenschappen van ouders onder:
A. Ontwikkelingsgeschiedenis
B. Sociale context
C. Gezinsfactoren
10. Equifinaliteit betekent:
A. Verschillende oorzaken → dezelfde uitkomst
B. Eén oorzaak → verschillende uitkomsten
C. Gedrag volledig voorspelbaar is
11. Symmetrische communicatie is:
A. Wederzijdse machtsstrijd
B. Een hiërarchische verdeling
C. Communicatie zonder non-verbaal gedrag