Opnametechniek en lokalisatie van
potentiaalverschillen
1. Het 10-20 systeem
Hans berger registreerde in 1924 het allereerste EEG → 2 elektrodes (voorhoofd en achterhoofd) →
meer elektrodes → 1958 het 10-20 systeem van de IFSECN
Voordelen 10-20 systeem:
- EEG’s van verschillende laboratoria zijn goed te vergelijken
- Afbeeldingen bij publicaties zijn goed te lezen
- EEG’s bij dezelfde persoon in de loop van de tijd zijn goed met elkaar te vergelijken
Belangrijkste uitgangspunten bij de plaatsing:
1. Men gaat uit van benige punten op de schedel die gemakkelijk aanwijsbaar zijn
2. Het is een verhoudingensysteem
3. De elektrodeposities zijn over alle delen van het hoofd verdeeld
4. De aanduiding van de elektrodeposities komt overeen met die van de onderliggende
hersengebieden
Uitmeten → goede flexibele, niet-rekbare centimeter en een
rood vet potlood.
Uitgangspunten voor het uitmeten:
1. Het naison (neuswortel)
2. Het inion (achterhoofdsknobbel, ook wel
protuberantia occipitalis externa)
3. De preauriculaire impressies (holtes bij de jukboog,
direct voor tragus, klepje van de voorrant van de
oorschelp)
Rechts = even, links= oneven, z= zero, A1 en A2 =
oorlellen, nasofaryngeale elektroden = Pg1 en Pg2.
,Het uitmeten van de elektrodeposities
Elke elektrodepositie vindt u doormiddel van twee metingen (twee streepjes).
Stap 1: Naison naar inion
,Stap 2: Tussen beide preauriculaire punten , langs het centrale punt → Cz nu gezet
Stap 3: Kijk langs Cz naar het naison en teken frontopolair midden (Fpz) + ga vanuit het inion naar de
vertex en teke zo het occipitaal midden (Oz).
Fpz-Oz links en rechts via streepje boven oor moet even lang zijn anders asymmetrie van de schedel!
Symmetrisch → Fpz-Oz verdelen
Frontopolair midden langs het kruisje bij temporaal midden naar occipitaal midden en zetten daarbij
een dwarsstreepje.
,Stap 4: Frontopolair naar occipitaal (dus niet naison en inion) dus 25% verdelen.
Stap 5: Teken frontaal midden, pariëtaal midden → frontolateraal – frontaal midden den deel deze
afstand in tweeën frontaal en doe hetzelfde pariëtaal
Nu hebben we 19 elektrodeposities + 2 oor elektroden + 1 of 2 referenties = 22 of 23 elektroden om
te gaan bevestigen.
Het 10-20 systeem is zo ontworpen dat de afstanden tussen twee elektroden zowel in voor-
achterwaartse richting als in transversale richting onderling gelijk zijn.
Het 10%-systeem
Om ervoor te zorgen dat ook met meer elektroden de onderlinge verhoudingen kloppen is het 10-20
systeem uitgebreid naar het 10%-systeem. Tussen frontopolair en frontaal → AF, tussen frontaal en
centraal → FC, tussen centraal en pariëtaal → CP, tussen pariëtaal en occipitaal → PO.
Tussen Z en 3,4 → 1,2 en tussen 3,4 en 7,8 → 5,6. Verder lateraal kan nog uitgebreid worden met
9/10 en 11/12.
,Extra electrode plakken maar niet volledige 10%-systeem → Bijvoorbeeld Cp1 dan ligt deze elektrode
op het kruispunt van Cz-P3 en Pz-C3. Door extra elektroden te gebruiken krijg je een duidelijkere
lokalisatie.
Mesiobasale gebieden
10-20 = temporaalkwab niet optimaal bedekt → nasofaryngeale elektroden (via neusgaten)
Anders anterior temporale elektrode of Maudsley elektroden (minder belastend en net zo goed).
Andere optie: sfenoïdale elektroden via de wang door middel van een holle naald onder de schedel
(niet bij reguliere EEG’s).
Een asymmetrisch hoofd
Fpz-Oz links en rechts niet gelijk → Links en Rechts apart verdelen en gevonden asymmetrie in
schema opschrijven. Ook met hoofdwonden/littekens opschrijven in schema hoe dan wel geplakt.
Goede documentatie is vereist: niet allen voor de interpretatie van dit EEG, maar ook voor de
interpretatie van eventuele vervolgonderzoeken!
2. Elektroden
De elektroden moeten aan de volgende eisen voldoen:
- Chemisch: de elektrode mag geen chemische reactie met de huid aangaan en het metaal
mag geen giftige stoffen afgeven
- Elektrisch: de elektrode mag niet te veel eigen potentiaalschommelingen hebben (ruis)
waardoor de signalen vervormd worden
- Mechanisch: de elektrode moeten allemaal van hetzelfde materiaal zijn
Elektrodepotentiaal
Elektrode in een elektrolytoplossing (zoals elektrodepasta) → potentiaalverschil tussen elektrode en
de oplossing = elektrodepotentiaal.
Deze elektrodepotentiaal wordt veroorzaakt doordat ionen van het metaal naar de oplossing gaan en
omgekeerd → overvloed van ionen in de oplossing → elektrische dubbellaag.
Tussen 2 elektroden op de huid kan het verschil in elektrodepotentiaal gemeten worden. Twee
elektroden van zelfde materiaal = geen verschil (in de praktijk wel kleine verschillen).
EEG → meet veranderingen in potentiaalverschillen, een constante en voor alle elektroden gelijke
elektrode potentiaal wordt niet geregistreerd.
, Veranderingen in elektrodepotentiaal (dit betreft 1 elektrode) worden bij de registratie tussen twee
elektroden door de verschilversterkers van het EEG geregistreerd en weergegeven als
potentiaalschommelingen van enkele millivolt (µV) → elektroderuis.
Bewegingen verstoren het elektrochemische evenwicht van de elektrische dubellaag (elektrodepasta
probeert deze verstoring tegen te gaan.
De elektrode-impedantie of elektrodeweerstand
De huid vormt een bepaalde weerstand die zo laag mogelijk gemaakt wordt door ontvetten/schuren
en door de elektrodenpasta. De elektrische dubbellaag heeft naast elektrodepotentiaal een
elektrische capaciteit, omdat twee gescheiden lagen met tegengestelde lading als condensator
beschouwd mogen worden. Deze capaciteit vormt samen met de ingangsimpedantie van de
versterker een hoogdoorlatend filter.
De polarisatie van de elektroden
Bij de registratie wordt een circuit gevormd door de huid onder de elektrode en de verbinding met
de eerste trap van de voorversterker. Stroom → elektrodepotentiaal neemt toe → gepolariseerde
elektrode (onwenselijk). Zo klein mogelijke polarisatie door:
- Een metaal te kiezen dat weinig ionen afgeeft (weinig oplosbaar metaal gebruiken)
- Te zorgen voor een geringe stroomdichtheid (grote elektrode gebruiken)
- Een beperking van de stroom in het meetcircuit (versterker met hoge ingangsimpedentie)
- Een elektrode te kiezen met een laag van zijn eigen zout (zilver/zilverchloride bijv. (Ag/AgCl)
De combinatie van mechanische, chemische en elektrische eigenschappen van de zilverelektrode
maakt deze het meest geschikt. Zilverelektrode → onderdompelen in zoutoplossing (NaCl) en
aansluiten op positieve pool → negatieve pool aangesloten op een zilveren plaat die zich ook in een
zoutoplossing bevindt → negatieve Cl beweegt naar positieve elektrode waar ze zich met zilver tot
zilverchloride verbinden → AgCl laagje gevormd wat belangrijk is voor de goede werking van de
elektrode (voorzichtig omgaan met elektrode om deze laag te beschermen).
Verschillende soorten elektroden
- Plakelektroden die op de hoofdhuid worden bevestigd
- Elektroden in een elektro-cap
- Naaldelektroden
Plakelektroden
Rond metalen plaatje in de vorm van een kommetje (zilver met laagje zilverchloride) → soepel
geïsoleerd draadje → stekker. Overgang draadje naar elektrode goed geïsoleerd met kunsthars of
een krimpkousje om contact potentialen te vermijden.
Bevestig de elektroden met collodium en een plukje haar of gaasje, drogen met lucht en kale
hoofdhuid → pleister
Elektrode paste in iedere elektrode → contact bevorderd door met een stompe naald over de
hoofdhuid te krassen. Te veel pasta = pastabruggen = twee elektroden verbonden =
potentiaalverschil van 0. Kunt ook wattenstaafje met scheercrème gebruiken of elektrodes vooraf
vullen met pasta en alleen opvullen later als overgangsweerstand te hoog is.
Lange registratie → gaatje bovenkant elektrode afsluiten om uitdroging te voorkomen.
potentiaalverschillen
1. Het 10-20 systeem
Hans berger registreerde in 1924 het allereerste EEG → 2 elektrodes (voorhoofd en achterhoofd) →
meer elektrodes → 1958 het 10-20 systeem van de IFSECN
Voordelen 10-20 systeem:
- EEG’s van verschillende laboratoria zijn goed te vergelijken
- Afbeeldingen bij publicaties zijn goed te lezen
- EEG’s bij dezelfde persoon in de loop van de tijd zijn goed met elkaar te vergelijken
Belangrijkste uitgangspunten bij de plaatsing:
1. Men gaat uit van benige punten op de schedel die gemakkelijk aanwijsbaar zijn
2. Het is een verhoudingensysteem
3. De elektrodeposities zijn over alle delen van het hoofd verdeeld
4. De aanduiding van de elektrodeposities komt overeen met die van de onderliggende
hersengebieden
Uitmeten → goede flexibele, niet-rekbare centimeter en een
rood vet potlood.
Uitgangspunten voor het uitmeten:
1. Het naison (neuswortel)
2. Het inion (achterhoofdsknobbel, ook wel
protuberantia occipitalis externa)
3. De preauriculaire impressies (holtes bij de jukboog,
direct voor tragus, klepje van de voorrant van de
oorschelp)
Rechts = even, links= oneven, z= zero, A1 en A2 =
oorlellen, nasofaryngeale elektroden = Pg1 en Pg2.
,Het uitmeten van de elektrodeposities
Elke elektrodepositie vindt u doormiddel van twee metingen (twee streepjes).
Stap 1: Naison naar inion
,Stap 2: Tussen beide preauriculaire punten , langs het centrale punt → Cz nu gezet
Stap 3: Kijk langs Cz naar het naison en teken frontopolair midden (Fpz) + ga vanuit het inion naar de
vertex en teke zo het occipitaal midden (Oz).
Fpz-Oz links en rechts via streepje boven oor moet even lang zijn anders asymmetrie van de schedel!
Symmetrisch → Fpz-Oz verdelen
Frontopolair midden langs het kruisje bij temporaal midden naar occipitaal midden en zetten daarbij
een dwarsstreepje.
,Stap 4: Frontopolair naar occipitaal (dus niet naison en inion) dus 25% verdelen.
Stap 5: Teken frontaal midden, pariëtaal midden → frontolateraal – frontaal midden den deel deze
afstand in tweeën frontaal en doe hetzelfde pariëtaal
Nu hebben we 19 elektrodeposities + 2 oor elektroden + 1 of 2 referenties = 22 of 23 elektroden om
te gaan bevestigen.
Het 10-20 systeem is zo ontworpen dat de afstanden tussen twee elektroden zowel in voor-
achterwaartse richting als in transversale richting onderling gelijk zijn.
Het 10%-systeem
Om ervoor te zorgen dat ook met meer elektroden de onderlinge verhoudingen kloppen is het 10-20
systeem uitgebreid naar het 10%-systeem. Tussen frontopolair en frontaal → AF, tussen frontaal en
centraal → FC, tussen centraal en pariëtaal → CP, tussen pariëtaal en occipitaal → PO.
Tussen Z en 3,4 → 1,2 en tussen 3,4 en 7,8 → 5,6. Verder lateraal kan nog uitgebreid worden met
9/10 en 11/12.
,Extra electrode plakken maar niet volledige 10%-systeem → Bijvoorbeeld Cp1 dan ligt deze elektrode
op het kruispunt van Cz-P3 en Pz-C3. Door extra elektroden te gebruiken krijg je een duidelijkere
lokalisatie.
Mesiobasale gebieden
10-20 = temporaalkwab niet optimaal bedekt → nasofaryngeale elektroden (via neusgaten)
Anders anterior temporale elektrode of Maudsley elektroden (minder belastend en net zo goed).
Andere optie: sfenoïdale elektroden via de wang door middel van een holle naald onder de schedel
(niet bij reguliere EEG’s).
Een asymmetrisch hoofd
Fpz-Oz links en rechts niet gelijk → Links en Rechts apart verdelen en gevonden asymmetrie in
schema opschrijven. Ook met hoofdwonden/littekens opschrijven in schema hoe dan wel geplakt.
Goede documentatie is vereist: niet allen voor de interpretatie van dit EEG, maar ook voor de
interpretatie van eventuele vervolgonderzoeken!
2. Elektroden
De elektroden moeten aan de volgende eisen voldoen:
- Chemisch: de elektrode mag geen chemische reactie met de huid aangaan en het metaal
mag geen giftige stoffen afgeven
- Elektrisch: de elektrode mag niet te veel eigen potentiaalschommelingen hebben (ruis)
waardoor de signalen vervormd worden
- Mechanisch: de elektrode moeten allemaal van hetzelfde materiaal zijn
Elektrodepotentiaal
Elektrode in een elektrolytoplossing (zoals elektrodepasta) → potentiaalverschil tussen elektrode en
de oplossing = elektrodepotentiaal.
Deze elektrodepotentiaal wordt veroorzaakt doordat ionen van het metaal naar de oplossing gaan en
omgekeerd → overvloed van ionen in de oplossing → elektrische dubbellaag.
Tussen 2 elektroden op de huid kan het verschil in elektrodepotentiaal gemeten worden. Twee
elektroden van zelfde materiaal = geen verschil (in de praktijk wel kleine verschillen).
EEG → meet veranderingen in potentiaalverschillen, een constante en voor alle elektroden gelijke
elektrode potentiaal wordt niet geregistreerd.
, Veranderingen in elektrodepotentiaal (dit betreft 1 elektrode) worden bij de registratie tussen twee
elektroden door de verschilversterkers van het EEG geregistreerd en weergegeven als
potentiaalschommelingen van enkele millivolt (µV) → elektroderuis.
Bewegingen verstoren het elektrochemische evenwicht van de elektrische dubellaag (elektrodepasta
probeert deze verstoring tegen te gaan.
De elektrode-impedantie of elektrodeweerstand
De huid vormt een bepaalde weerstand die zo laag mogelijk gemaakt wordt door ontvetten/schuren
en door de elektrodenpasta. De elektrische dubbellaag heeft naast elektrodepotentiaal een
elektrische capaciteit, omdat twee gescheiden lagen met tegengestelde lading als condensator
beschouwd mogen worden. Deze capaciteit vormt samen met de ingangsimpedantie van de
versterker een hoogdoorlatend filter.
De polarisatie van de elektroden
Bij de registratie wordt een circuit gevormd door de huid onder de elektrode en de verbinding met
de eerste trap van de voorversterker. Stroom → elektrodepotentiaal neemt toe → gepolariseerde
elektrode (onwenselijk). Zo klein mogelijke polarisatie door:
- Een metaal te kiezen dat weinig ionen afgeeft (weinig oplosbaar metaal gebruiken)
- Te zorgen voor een geringe stroomdichtheid (grote elektrode gebruiken)
- Een beperking van de stroom in het meetcircuit (versterker met hoge ingangsimpedentie)
- Een elektrode te kiezen met een laag van zijn eigen zout (zilver/zilverchloride bijv. (Ag/AgCl)
De combinatie van mechanische, chemische en elektrische eigenschappen van de zilverelektrode
maakt deze het meest geschikt. Zilverelektrode → onderdompelen in zoutoplossing (NaCl) en
aansluiten op positieve pool → negatieve pool aangesloten op een zilveren plaat die zich ook in een
zoutoplossing bevindt → negatieve Cl beweegt naar positieve elektrode waar ze zich met zilver tot
zilverchloride verbinden → AgCl laagje gevormd wat belangrijk is voor de goede werking van de
elektrode (voorzichtig omgaan met elektrode om deze laag te beschermen).
Verschillende soorten elektroden
- Plakelektroden die op de hoofdhuid worden bevestigd
- Elektroden in een elektro-cap
- Naaldelektroden
Plakelektroden
Rond metalen plaatje in de vorm van een kommetje (zilver met laagje zilverchloride) → soepel
geïsoleerd draadje → stekker. Overgang draadje naar elektrode goed geïsoleerd met kunsthars of
een krimpkousje om contact potentialen te vermijden.
Bevestig de elektroden met collodium en een plukje haar of gaasje, drogen met lucht en kale
hoofdhuid → pleister
Elektrode paste in iedere elektrode → contact bevorderd door met een stompe naald over de
hoofdhuid te krassen. Te veel pasta = pastabruggen = twee elektroden verbonden =
potentiaalverschil van 0. Kunt ook wattenstaafje met scheercrème gebruiken of elektrodes vooraf
vullen met pasta en alleen opvullen later als overgangsweerstand te hoog is.
Lange registratie → gaatje bovenkant elektrode afsluiten om uitdroging te voorkomen.