HET BLOED EN IMMUUNSYSTEEM
1. Inleiding
2. Cellen in het bloed
a. A. Erythrocyten
b. B. Leukocyten
c. C. Thrombocyten
3. . Het immuunsysteem
a. A. Aspecifiek immuunsysteem
b. B. Verworven immuunsysteem
c. C. Allergische reacties
d. D. Auto-immune aandoeningen
e. E. Immunodeficiënte aandoeningen
4. 4.Hemostase
a. Algemene eigenschappen
b. B. Mechanisme van de hemostase
c. C. Hemostase bij andere dieren
d. D. Aandoeningen geassocieerd met bloedstollingsfactoren
1. INLEIDING
Belangrijkste functie = TRANSPORT : alle transport op korte afstand -> via passieve diffusie. Van zodra ze
verder uiteen liggen, zorgt de bloedbaan voor transport.
- O2 en CO2
- Energie en bouwstenen
- Afvalproducten
- Warmte : voor thermoregulatie van ons lichaam, je bent ah lopen : veel warmte productie -> blozen want
je krijgt vasodilatatie t.h.v. de huid : warmte w afgegeven
- Hormonen : vetoplosbare en wateroplosbare
- Afweer
Is een weefsel: maar het is in beweging, vooral vloeibaar ( 50% is plasma)
- Cellen : minder dan 50%
- Extracellulair vocht = plasma:
o Water 92%
o Eiwitten : transporteiwitten ( voor vetoplosbare stoffen),
immunoglobulinen, stollingseiwitten
o Elektrolyten ; Na, Ca, K,…
o Voedingsstoffen
o Stofwisselingsproducten
o Vitaminen
o Opgeloste gassen
Erythrocyten vormen ongeveer 90% van alle cellen in onze bloedbaan en zijn daarmee de meest voorkomende
cellen in het hele lichaam. Bovendien zijn ze ook de zwaarste cellen in het bloed. Tussen de rode bloedcellen en
het plasma bevindt zich de buffy coat, een dunne laag die bestaat uit bloedplaatjes (trombocyten) en witte
bloedcellen (leukocyten). Bloedplaatjes worden eigenlijk niet als echte cellen beschouwd, omdat ze geen celkern
bevatten. Wanneer bloed stolt, worden de stollingseiwitten verbruikt om het
stolsel te vormen. Het vloeibare deel dat daarna overblijft, noemen we serum in
plaats van plasma
T.h.v. de capillairen: vindt de eigenlijke passieve diffusie plaats: hier
gebeurt de uitwisseling van water, voedingsstoffen en afvalstoffen tussen het
bloed en de weefsels. De grote bloedvaten (zoals slagaders en aders) dienen
dus voornamelijk voor het transport van het bloed, terwijl de capillairen instaan
voor de feitelijke uitwisseling.
Bloedvolume:
, - 5 tot 11% van lichaamsgewicht
- Het bloedvolume van een dier wordt beïnvloed door verschillende factoren:
o Diersoort en ras
Het bloedvolume varieert tussen diersoorten en zelfs tussen rassen. Zo heeft een Arabier
(volbloed) doorgaans een hoger bloedvolume dan een Belgisch trekpaard (koudbloed).
De termen volbloed en koudbloed verwijzen oorspronkelijk naar deze verschillen in
bloedvolume: hoe actiever het dier, hoe groter het bloedvolume. Volbloeden zijn zeer
actieve, explosieve dieren, terwijl koudbloeden rustiger en meer sedentair zijn, met een
lager bloedvolume.
o Fysieke conditie
Hoe actiever een dier is, hoe meer zuurstof de spieren nodig hebben, en dus hoe groter het
bloedvolume zal zijn.
o Voedingsstatus
Een hoger vetgehalte in het lichaam gaat samen met een lager bloedvolume.
o Leeftijd
Naarmate een dier ouder wordt, neemt het vetpercentage vaak toe. Daarom heeft een
ouder dier met een vergelijkbaar gewicht als een jong dier doorgaans een lager
bloedvolume.
o Geslacht
Mannelijke dieren hebben meestal een hoger circulerend bloedvolume door de invloed van
testosteron.
o Lactatiestatus
Tijdens de lactatie is het metabolisme verhoogd, wat gepaard gaat met een toename van
het bloedvolume.
o Drachtstadium (zwangerschap)
In de drachtperiode stijgt het bloedvolume eveneens om te voldoen aan de extra zuurstof-
en voedingsbehoeften van de foetus.
- 75% van bloed: in veneus systeem
Hematocriet (Hct)
Het volume van het bloed dat wordt ingenomen door de erythrocyten (rode bloedcellen) is afhankelijk van hun
aantal. Wanneer men de hematocriet bepaalt, wordt het bloed gecentrifugeerd. Hierbij worden de bloedcellen
gescheiden van het plasma, en meet men het volume rode bloedcellen ten opzichte van het totale bloedvolume.
De hematocriet wordt uitgedrukt als een verhouding (L/L) of als percentage (%).
⚠️ Belangrijk: het bloed mag niet stollen vóór de analyse. Daarom moet men een anticoagulans (stof die stolling
voorkomt) toevoegen. Het type anticoagulans bepaalt de kleur van het bloedbuisje, en elke kleur heeft een
specifieke toepassing.
- Rood buisje :
o Geen anticoagulans
o Gebruikt voor serumonderzoekn bv. voor hormoonanalyses.
Hier maakt de aanwezigheid v cellen niet uit
- Paars
o EDTA ( anticoagulans)
o Gebruikt bij celterllingen ( hematologische onderzoeken)
- Grijs
o Fluoride
o Toegepast bij het bepalen v glucose of lactaat ( remt
afbraak v suikers)
- Lichtblauw
o Citraat
o Gebruikt bij verdenkingen v bloedstollingsstoornissen ( stollingstesten)
- Groen
o Heparine
o Toegepast bij het bepalen v ionen in het bloed
- = volume bloed ingenomen door RBC
o Bepaald na centrifugatie
, o Synoniem: packed cell volume (PCV) : als percentage meestal
o Meestal uitgedrukt als %
- Factoren die het aantal RBC beïnvloeden:
o Diersoort & ras
Geit: meer RBC dan hond, maar lagere hematocriet → kleinere RBC.
Paard & hond: stapelmilt → bij stress (sympathicusactivatie) → vasoconstrictie +
miltcontractie → vrijstelling RBC → hematocriet stijgt (snel en veel). ( gaat normaal
langzamer)
o Geslacht
Mannelijke dieren: meer RBC o.i.v. testosteron .
o Voeding
Meer vet → lager RBC-aantal.
o Hoogte
Ijlere lucht → meer RBC-aanmaak (compensatie voor O₂-tekort).
o Fysieke activiteit
Training → hogere zuurstofbehoefte → meer RBC.
- -> Aanzienlijke variatie in Hct
- Verschillen veroorzaakt door :
o aantal RBC
o verschil in grootte RBC
Belang van Hct-bepaling in de kliniek
- Doel: opvolgen van o.a. interne bloedingen of vochtbalans. Let op bij hond en paard: door hun stapelmilt
kan Hct sterk stijgen o.i.v. stress → niet meteen interpreteren, maar herhaald meten. Andere diersoorten
tonen minder uitgesproken stijging.
- Bepaling: Bloed (met EDTA) wordt in een glazen capillair gedaan → centrifugeren → Hct aflezen.
Situaties waarin Hct wordt bepaald
- Bloeding:
o Bij paard mag Hct dalen tot ±15%.
o Bloedtransfusie enkel indien echt nodig (onder 15%), max. 5–10 L.
o Vermijden bij paard wegens complex bloedgroepsysteem ( je kan niet echt opzoek gaan naar de
geschikte donor)→ risico op reactie bij 2e transfusie.
- Infuusbehandeling:
o Controle om te vermijden dat Hct te hoog of te laag wordt (te snelle of trage toediening).
- Diarree:
o Vochtverlies → Hct stijgt.
o Regelmatig opvolgen om te bepalen of extra vocht nodig is.
- Reflux:
o Eveneens opvolgen, aangezien vochtbalans en Hct kunnen wijzigen.
2. CELLEN IN HET BLOED
2.A ERYTHROCYTEN
- Algemene eigenschappen
- Functie
- Aanmaak
- Afbraak
- Aandoeningen
- Bloedgroepen
ALGEMENE EIGENSCHAPPEN
- > 90% van de cellen in het bloed
- Vorm:
o Circulair afgeplatte cellen
, o Meestal biconcaaf : in het centrum dunner dan aan de periferie. Hierdoor is de diffusieafstand
overal ongeveer gelijk, wat passieve uitwisseling van O₂ en CO₂ bevordert.
o Vorm bepaald door cytoskelet
- Diameter 4-8 µm : Kunnen zich makkelijk door nauwe capillairen wringen door hun vervormbaar
celmembraan.
o Jonge RBC: zeer flexibel, passeren vlot
o Oudere RBC: membraan stijver, blijven vaak hangen t.h.v. de milt → fagocytose → ijzer en
hemoglobine worden gerecycleerd.
- Celorganellen:
o Geen kern bij de zoogdieren
o Geen mitochondriën
o Geen andere celorganellen aanwezig
De rode bloedcellen vervoeren zuurstof maar gebruiken het niet -> zelf hebben ze
een korte levensduur : 120 dagen gemiddeld
! Bij vogels : rode bloedcellen zijn gekernd + vele groter.
FUNCTIE
- Belangrijkste functie van RBC:
o O2 transport van longen naar weefsels
CO2 transport van weefsels naar longen
o => oefenen functie uit in de bloedbaan
↓ RBC = anemie → Minder O₂ naar perifere weefsels → zuurstofbehoefte stijgt
→ Vasodilatatie + ↑ cardiale output om te compenseren. In rust vaak compenseerbaar, maar bij inspanning
ontstaat zuurstoftekort
↑ RBC = polycytemie → RBC botsen vaker ( dit bepaalt de weerstand) → hogere bloedviscositeit → Hart moet
harder pompen → overbelasting → hartfalen → CO₂ stapelt op in weefsels → acidose.
- Hemoglobine (Hb) in RBC bindt O₂ in de longcapillairen en geeft CO₂ af.
o Ongeveer ⅓ van de RBC-massa bestaat uit Hb.
o Hb = 4 polypeptideketens, elk met 1 haemgroep (met Fe²⁺-atoom).
→ Elk Fe²⁺ kan 1 O₂-molecule binden (max. 4 per Hb-molecule).
→ Hoe meer O₂ gebonden, hoe roder het bloed.
o In rust wordt bij 1 weefselpassage ±25% van O₂ afgegeven.
→ Veneus bloed bevat minder O₂ → donkerdere kleur.
o -> max. 4 O2 per Hb
o -> rode kleur van bloed
Haemoglobine (Hb)
- Structuur:
o Haem-gedeelte is identiek bij alle diersoorten.
o Globine-gedeelte (aminozuurvolgorde van de polypeptideketens) varieert:
tussen verschillende diersoorten
tussen individuen van dezelfde soort
o Deze variatie beïnvloedt de zuurstofaffiniteit (O₂-affiniteit).
- Invloed van soortverschillen: Bij eenzelfde partiële zuurstofdruk heeft een muis een lagere O₂-affiniteit dan
een olifant.
o → De muis heeft een hoger metabolisme en moet meer O₂ afgeven aan( perifere) weefsels ( omdat
ze het sneller nodig heeft).
Soorten Hb bij de meeste huisdieren
- Embryonaal Hb
o Aanwezig enkel tijdens de vroegste stadia van het embryonale leven (eerste semester van de
dracht).
- Foetaal Hb
o Komt voor tijdens de verdere drachtperiode.
1. Inleiding
2. Cellen in het bloed
a. A. Erythrocyten
b. B. Leukocyten
c. C. Thrombocyten
3. . Het immuunsysteem
a. A. Aspecifiek immuunsysteem
b. B. Verworven immuunsysteem
c. C. Allergische reacties
d. D. Auto-immune aandoeningen
e. E. Immunodeficiënte aandoeningen
4. 4.Hemostase
a. Algemene eigenschappen
b. B. Mechanisme van de hemostase
c. C. Hemostase bij andere dieren
d. D. Aandoeningen geassocieerd met bloedstollingsfactoren
1. INLEIDING
Belangrijkste functie = TRANSPORT : alle transport op korte afstand -> via passieve diffusie. Van zodra ze
verder uiteen liggen, zorgt de bloedbaan voor transport.
- O2 en CO2
- Energie en bouwstenen
- Afvalproducten
- Warmte : voor thermoregulatie van ons lichaam, je bent ah lopen : veel warmte productie -> blozen want
je krijgt vasodilatatie t.h.v. de huid : warmte w afgegeven
- Hormonen : vetoplosbare en wateroplosbare
- Afweer
Is een weefsel: maar het is in beweging, vooral vloeibaar ( 50% is plasma)
- Cellen : minder dan 50%
- Extracellulair vocht = plasma:
o Water 92%
o Eiwitten : transporteiwitten ( voor vetoplosbare stoffen),
immunoglobulinen, stollingseiwitten
o Elektrolyten ; Na, Ca, K,…
o Voedingsstoffen
o Stofwisselingsproducten
o Vitaminen
o Opgeloste gassen
Erythrocyten vormen ongeveer 90% van alle cellen in onze bloedbaan en zijn daarmee de meest voorkomende
cellen in het hele lichaam. Bovendien zijn ze ook de zwaarste cellen in het bloed. Tussen de rode bloedcellen en
het plasma bevindt zich de buffy coat, een dunne laag die bestaat uit bloedplaatjes (trombocyten) en witte
bloedcellen (leukocyten). Bloedplaatjes worden eigenlijk niet als echte cellen beschouwd, omdat ze geen celkern
bevatten. Wanneer bloed stolt, worden de stollingseiwitten verbruikt om het
stolsel te vormen. Het vloeibare deel dat daarna overblijft, noemen we serum in
plaats van plasma
T.h.v. de capillairen: vindt de eigenlijke passieve diffusie plaats: hier
gebeurt de uitwisseling van water, voedingsstoffen en afvalstoffen tussen het
bloed en de weefsels. De grote bloedvaten (zoals slagaders en aders) dienen
dus voornamelijk voor het transport van het bloed, terwijl de capillairen instaan
voor de feitelijke uitwisseling.
Bloedvolume:
, - 5 tot 11% van lichaamsgewicht
- Het bloedvolume van een dier wordt beïnvloed door verschillende factoren:
o Diersoort en ras
Het bloedvolume varieert tussen diersoorten en zelfs tussen rassen. Zo heeft een Arabier
(volbloed) doorgaans een hoger bloedvolume dan een Belgisch trekpaard (koudbloed).
De termen volbloed en koudbloed verwijzen oorspronkelijk naar deze verschillen in
bloedvolume: hoe actiever het dier, hoe groter het bloedvolume. Volbloeden zijn zeer
actieve, explosieve dieren, terwijl koudbloeden rustiger en meer sedentair zijn, met een
lager bloedvolume.
o Fysieke conditie
Hoe actiever een dier is, hoe meer zuurstof de spieren nodig hebben, en dus hoe groter het
bloedvolume zal zijn.
o Voedingsstatus
Een hoger vetgehalte in het lichaam gaat samen met een lager bloedvolume.
o Leeftijd
Naarmate een dier ouder wordt, neemt het vetpercentage vaak toe. Daarom heeft een
ouder dier met een vergelijkbaar gewicht als een jong dier doorgaans een lager
bloedvolume.
o Geslacht
Mannelijke dieren hebben meestal een hoger circulerend bloedvolume door de invloed van
testosteron.
o Lactatiestatus
Tijdens de lactatie is het metabolisme verhoogd, wat gepaard gaat met een toename van
het bloedvolume.
o Drachtstadium (zwangerschap)
In de drachtperiode stijgt het bloedvolume eveneens om te voldoen aan de extra zuurstof-
en voedingsbehoeften van de foetus.
- 75% van bloed: in veneus systeem
Hematocriet (Hct)
Het volume van het bloed dat wordt ingenomen door de erythrocyten (rode bloedcellen) is afhankelijk van hun
aantal. Wanneer men de hematocriet bepaalt, wordt het bloed gecentrifugeerd. Hierbij worden de bloedcellen
gescheiden van het plasma, en meet men het volume rode bloedcellen ten opzichte van het totale bloedvolume.
De hematocriet wordt uitgedrukt als een verhouding (L/L) of als percentage (%).
⚠️ Belangrijk: het bloed mag niet stollen vóór de analyse. Daarom moet men een anticoagulans (stof die stolling
voorkomt) toevoegen. Het type anticoagulans bepaalt de kleur van het bloedbuisje, en elke kleur heeft een
specifieke toepassing.
- Rood buisje :
o Geen anticoagulans
o Gebruikt voor serumonderzoekn bv. voor hormoonanalyses.
Hier maakt de aanwezigheid v cellen niet uit
- Paars
o EDTA ( anticoagulans)
o Gebruikt bij celterllingen ( hematologische onderzoeken)
- Grijs
o Fluoride
o Toegepast bij het bepalen v glucose of lactaat ( remt
afbraak v suikers)
- Lichtblauw
o Citraat
o Gebruikt bij verdenkingen v bloedstollingsstoornissen ( stollingstesten)
- Groen
o Heparine
o Toegepast bij het bepalen v ionen in het bloed
- = volume bloed ingenomen door RBC
o Bepaald na centrifugatie
, o Synoniem: packed cell volume (PCV) : als percentage meestal
o Meestal uitgedrukt als %
- Factoren die het aantal RBC beïnvloeden:
o Diersoort & ras
Geit: meer RBC dan hond, maar lagere hematocriet → kleinere RBC.
Paard & hond: stapelmilt → bij stress (sympathicusactivatie) → vasoconstrictie +
miltcontractie → vrijstelling RBC → hematocriet stijgt (snel en veel). ( gaat normaal
langzamer)
o Geslacht
Mannelijke dieren: meer RBC o.i.v. testosteron .
o Voeding
Meer vet → lager RBC-aantal.
o Hoogte
Ijlere lucht → meer RBC-aanmaak (compensatie voor O₂-tekort).
o Fysieke activiteit
Training → hogere zuurstofbehoefte → meer RBC.
- -> Aanzienlijke variatie in Hct
- Verschillen veroorzaakt door :
o aantal RBC
o verschil in grootte RBC
Belang van Hct-bepaling in de kliniek
- Doel: opvolgen van o.a. interne bloedingen of vochtbalans. Let op bij hond en paard: door hun stapelmilt
kan Hct sterk stijgen o.i.v. stress → niet meteen interpreteren, maar herhaald meten. Andere diersoorten
tonen minder uitgesproken stijging.
- Bepaling: Bloed (met EDTA) wordt in een glazen capillair gedaan → centrifugeren → Hct aflezen.
Situaties waarin Hct wordt bepaald
- Bloeding:
o Bij paard mag Hct dalen tot ±15%.
o Bloedtransfusie enkel indien echt nodig (onder 15%), max. 5–10 L.
o Vermijden bij paard wegens complex bloedgroepsysteem ( je kan niet echt opzoek gaan naar de
geschikte donor)→ risico op reactie bij 2e transfusie.
- Infuusbehandeling:
o Controle om te vermijden dat Hct te hoog of te laag wordt (te snelle of trage toediening).
- Diarree:
o Vochtverlies → Hct stijgt.
o Regelmatig opvolgen om te bepalen of extra vocht nodig is.
- Reflux:
o Eveneens opvolgen, aangezien vochtbalans en Hct kunnen wijzigen.
2. CELLEN IN HET BLOED
2.A ERYTHROCYTEN
- Algemene eigenschappen
- Functie
- Aanmaak
- Afbraak
- Aandoeningen
- Bloedgroepen
ALGEMENE EIGENSCHAPPEN
- > 90% van de cellen in het bloed
- Vorm:
o Circulair afgeplatte cellen
, o Meestal biconcaaf : in het centrum dunner dan aan de periferie. Hierdoor is de diffusieafstand
overal ongeveer gelijk, wat passieve uitwisseling van O₂ en CO₂ bevordert.
o Vorm bepaald door cytoskelet
- Diameter 4-8 µm : Kunnen zich makkelijk door nauwe capillairen wringen door hun vervormbaar
celmembraan.
o Jonge RBC: zeer flexibel, passeren vlot
o Oudere RBC: membraan stijver, blijven vaak hangen t.h.v. de milt → fagocytose → ijzer en
hemoglobine worden gerecycleerd.
- Celorganellen:
o Geen kern bij de zoogdieren
o Geen mitochondriën
o Geen andere celorganellen aanwezig
De rode bloedcellen vervoeren zuurstof maar gebruiken het niet -> zelf hebben ze
een korte levensduur : 120 dagen gemiddeld
! Bij vogels : rode bloedcellen zijn gekernd + vele groter.
FUNCTIE
- Belangrijkste functie van RBC:
o O2 transport van longen naar weefsels
CO2 transport van weefsels naar longen
o => oefenen functie uit in de bloedbaan
↓ RBC = anemie → Minder O₂ naar perifere weefsels → zuurstofbehoefte stijgt
→ Vasodilatatie + ↑ cardiale output om te compenseren. In rust vaak compenseerbaar, maar bij inspanning
ontstaat zuurstoftekort
↑ RBC = polycytemie → RBC botsen vaker ( dit bepaalt de weerstand) → hogere bloedviscositeit → Hart moet
harder pompen → overbelasting → hartfalen → CO₂ stapelt op in weefsels → acidose.
- Hemoglobine (Hb) in RBC bindt O₂ in de longcapillairen en geeft CO₂ af.
o Ongeveer ⅓ van de RBC-massa bestaat uit Hb.
o Hb = 4 polypeptideketens, elk met 1 haemgroep (met Fe²⁺-atoom).
→ Elk Fe²⁺ kan 1 O₂-molecule binden (max. 4 per Hb-molecule).
→ Hoe meer O₂ gebonden, hoe roder het bloed.
o In rust wordt bij 1 weefselpassage ±25% van O₂ afgegeven.
→ Veneus bloed bevat minder O₂ → donkerdere kleur.
o -> max. 4 O2 per Hb
o -> rode kleur van bloed
Haemoglobine (Hb)
- Structuur:
o Haem-gedeelte is identiek bij alle diersoorten.
o Globine-gedeelte (aminozuurvolgorde van de polypeptideketens) varieert:
tussen verschillende diersoorten
tussen individuen van dezelfde soort
o Deze variatie beïnvloedt de zuurstofaffiniteit (O₂-affiniteit).
- Invloed van soortverschillen: Bij eenzelfde partiële zuurstofdruk heeft een muis een lagere O₂-affiniteit dan
een olifant.
o → De muis heeft een hoger metabolisme en moet meer O₂ afgeven aan( perifere) weefsels ( omdat
ze het sneller nodig heeft).
Soorten Hb bij de meeste huisdieren
- Embryonaal Hb
o Aanwezig enkel tijdens de vroegste stadia van het embryonale leven (eerste semester van de
dracht).
- Foetaal Hb
o Komt voor tijdens de verdere drachtperiode.