Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting fysiologie en pathofysiologie I : basisbegrippen + groei en netabolisme

Rating
-
Sold
-
Pages
40
Uploaded on
18-11-2025
Written in
2025/2026

Notities van in de les fysiologie, aangepast en met foto's.

Institution
Course

Content preview

ENKELE BASISBEGRIPPEN UIT CHEMIE EN FYSICA

DIFFUSIE

= transport van zone met hoge concentratie naar zone m lage concentratie ie
gasmengsel of vloeistof

- zeer belangrijk transportmechanisme
o Massa-transport van stoffen in bloedbaan: via diffusie naar
interstitium & weefsels
o Transport afvalstoffen uit weefsels naar bloedbaan
o Intracellulair transport

Kenmerk: Passieve diffusie vindt altijd plaats over een korte afstand. In de longalveolen (zie tekening) is de
zuurstofconcentratie (O₂) hoog, terwijl de concentratie koolstofdioxide (CO₂) er laag is. Aan de andere kant — in het bloed
dat vanuit de weefsels naar de longen stroomt — is de O₂-concentratie laag en de CO₂-concentratie hoog. Door dit
concentratieverschil diffunderen de gassen: O₂ beweegt van de alveolen naar het bloed, en CO₂ diffundeert van het bloed
naar de alveolen, waar het wordt uitgeademd.

Gevolg van willekeurige bewegingen van moleculen – atomen – ionen

o Bewegingssnelheid: omgekeerd evenredig met afmeting
o Moleculen botsen constant met elkaar => richtingsveranderingen
=> Op basis van thermodynamische bewegingen




Als twee kamers gescheiden zijn door een dunne
wand, bewegen de deeltjes willekeurig, maar meer deeltjes gaan van hoge naar lage concentratie dan omgekeerd — zo
ontstaat nettodiffusie tot er evenwicht is.
- Transport-intensiteit van een substantie Q via diffusie: weergegeven door wet van Fick:
Q = D x A x (C1-C2/L)
Wet niet kennen, enkel weten wat invloed heeft:

o Met D = diffusiecoëfficiënt – karakteristiek voor bepaalde substantie : eigenschappen van bepaalde
moleculen bepaald de D
• Water bv. kleine moleculen -> kan snel bewegen >< glucose ( trager diffunderen)
o A = oppervlakte waardoor diffusie mogelijk is
o C1 & C2: verschillende concentraties van de substantie die over een bepaalde afstand L van elkaar
gescheiden zijn.
o Q = de lading van de moleculen, die eveneens invloed heeft op de snelheid van diffusie. Gelede of geladen (ionische)
moleculen bewegen trager door membranen, zeker als ze worden aangetrokken of afgestoten door de lading van het
membraan.
o De concentratiegradiënt is het verschil in concentratie tussen twee compartimenten, in verhouding tot de afstand
(L) die ze van elkaar scheidt.
o Wanneer de afstand groot is, verloopt de diffusie traag; bij een kleine afstand is de diffusie veel efficiënter.

Diffusie speelt een belangrijke rol in verschillende lichaamsprocessen. In de darmen worden voedingsstoffen opgenomen via passieve
diffusie. In de longalveolen, die zeer talrijk zijn en samen een groot oppervlak vormen, kunnen zuurstof (O₂) en koolstofdioxide (CO₂)
efficiënt worden uitgewisseld.



➔ Transportintensiteit:
o Sneller wanneer grote oppervlakte en/of grote conc gradiënt
o Omgekeerd evenredig met afstand waarover diffusie gebeurt

, - Zeer efficiënt voor transport over zeer korte afstand: nm tot 10-30µm
o Neurotransmitters thv neuronen
o Glucose opname thv capillairen
o Intracellulair



Een van de belangrijkste moeilijkheden bij de productie van kweekvlees is dat het spierweefsel in het labo niet dikker kan worden dan
ongeveer 100 micrometer. Cellen die dieper in het weefsel liggen, krijgen dan geen zuurstof meer en sterven af. Om toch een hamburger
te vormen, werden meerdere dunne lagen spiercellen op elkaar geplakt, maar het resultaat smaakte naar niets, omdat er geen vet,
bloedvaten of andere structuren aanwezig waren die normaal bijdragen aan smaak en textuur.

Op de afbeelding is te zien dat, wanneer cellen of structuren verder uit elkaar liggen, er bloedvaten nodig zijn om voor communicatie te
zorgen — ze maken uitwisseling van stoffen (zoals zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen) tussen de cellen mogelijk .


1.2 OSMOSE EN FILTRATIE

Diffusie is een passief en automatisch proces.

Bij osmose en filtratie (zie figuur) gebruikt men een U-vormige buis met een
semi-permeabel membraan: kleine watermoleculen kunnen erdoor, maar
grote deeltjes niet. Zout bestaat uit Na⁺ en Cl⁻, terwijl water O⁻ en H⁺ bevat.
De zuurstofatomen van water binden gedeeltelijk met Na⁺, en de
waterstofatomen met Cl⁻, waardoor in één kolom minder vrije
watermoleculen overblijven. Water verplaatst zich van een gebied met veel
vrije watermoleculen naar een gebied met minder vrije watermoleculen — dit is osmose.

Wanneer er druk wordt uitgeoefend, ontstaat een zone met hogere druk, waardoor water in omgekeerde richting beweegt — dit is
filtratie.

- Hydrostatische druk = druk uitgaande van vloeistof of waterige oplossing
- Osmotische druk = druk die nodig is om vloeistoftransport te beletten
o Iso-osmotisch : aantal vrije watermoleculen zijn aan beide kanten membraan gelijk
o Hyperosmotisch
o Hypo-osmotisch

Alle celmembranen in het lichaam zijn semipermeabel: water kan erdoor, maar grote moleculen zoals
eiwitten niet. Hierdoor ontstaat er aan beide kanten van het membraan een verschil in osmotische druk,
afhankelijk van de concentratie van opgeloste stoffen.

- Ter hoogte van de capillairen:
o Hydrostatische druk capillairen hoger dan hydrostatische druk interstitium =>
diffusie uit de capillairen naar interstitium
o In de bloedbaan: groter aantal moleculen in oplossing
▪ => osmotische druk capillairen hoger dan smotische druk interstitium
▪ => interstitieel vocht aangetrokken naar de bloedbaan

Bij ondervoeding komen er minder voedingsstoffen en eiwitten in de bloedbaan terecht. Daardoor is de eiwitconcentratie in het bloed
lager, wat zorgt voor een lagere osmotische druk. Er bevinden zich dan meer watermoleculen buiten de bloedvaten dan normaal,
waardoor minder vocht wordt opgenomen in de bloedbaan en meer vocht zich ophoopt in de buikholte — dit leidt tot een opgezwollen
buik (oedeem).

- Celmembranen: vlot doorlaatbaar voor kleine moleculen zoals water, grote blijven intracellulair of in bloedbaan = effectieve
barrière om passieve diffusie tegen te gaan
o Effectieve barrière
o Zijn flexibel

Het volume van een cel kan sterk variëren afhankelijk van de metabole toestand. Het is daarom belangrijk dat cellen flexibel zijn, zodat
het celmembraan mee kan uitrekken of krimpen zonder te scheuren.

,1.3 WATER

- Levensnoodzakelijk!
o 70% van LG ( lichaamsgewicht)
o 99% van alle molecules in het lichaam
- Interessante eigenschappen:
o Dipool => aanwezigheid waterstofbindingen
o Kan grote hoeveelheden warmte opnemen
o Kan hoogste aantal ≠ substanties oplossen: hydrofiel versus hydrofoob ( vetten etc.)

Water heeft een sterke hydrostatische aantrekkingskracht tussen de waterstofatomen. Hierdoor zitten de individuele watermoleculen in
een vrij stabiele structuur, waardoor hun bewegingsruimte beperkt is. Dit verklaart de hoge smelt- en kooktemperatuur van water. In het
lichaam speelt water een belangrijke rol in thermoregulatie: het is metabool stabiel en functioneert als buffer om warmte op te vangen
en te verspreiden.


2. TRANSPORT DOOR MEMBRANEN

2.1 PASSIEF TRANSPORT

-> Geen energie nodig, geen ATP nodig.

Afb. : Structuur van het celmembraan: het bestaat uit een fosfolipide
dubbellaag, met hydrofiele kopjes naar buiten en hydrofoob staartjes naar
binnen. Dit is belangrijk omdat wateroplosbare stoffen tot aan het membraan
kunnen komen en aan receptoren kunnen binden, maar niet zomaar door het
membraan heen kunnen. Daarnaast zijn er grote eiwitten die de volledige dikte van het membraan overspannen, zoals ionkanalen. Deze
vormen hydrofiele kanalen waardoor kleine hydrofiele stoffen intracellulair kunnen passeren, terwijl grote moleculen er niet doorheen
kunnen.

I. DIFFUSIE : van hoge naar lage concentratie doorheen celmembraan

- Vetoplosbare substanties & kleine molecules
- Volgens concentratiegradiënt
- Vb.: steroïden, vetzuren, O2, CO2

II. IONKANALEN (of lek-kanalen) zijn grote transmembranaire eiwitten die hydrofiele tunnels vormen voor ionen. Ionen bewegen
door deze kanalen op basis van concentratieverschillen, maar ook vanwege elektrische ladingen, wat samen de elektrochemische
gradiënt vormt (bijvoorbeeld een kation dat wordt aangetrokken door een anion).

- = met H2O gevulde tunnels dwars door membraan
➔ Vervoer van hydrofiele substanties
- Op basis van elektrische lading & concentratiegradiënt
➔ Elektrochemische gradiënt
- Selectief transport :. betekent dat slechts één type ion door een kanaal kan passeren; elk ion heeft dus zijn eigen specifiek
kanaal. Een synoniem hiervoor is lekkanalen, omdat er sprake is van een passieve lekkage van ionen. Het lichaam wil dit niet
altijd, dus worden actieve pompen ingezet om de ionen tegen hun concentratie- of elektrochemische gradiënt in te
verplaatsen.

III. GEFACILITEERDE DIFFUSIE = verloopt via binding aan transporteiwitten. Grote moleculen bewegen
van hoge naar lage concentratie, waarbij het eiwit een configuratieverandering ondergaat om het molecuul naar
binnen te transporteren.

- Specifiek transport : zal enkel 1 moleculen kunnen verplaatsen
- Verzadigbaar : als ze allemaal bezet zijn w de bepaalde moleculen( zoals glucose) even niet vervoerd
- Competitieve inhibitie : om te kunnen binden aan de transport eiwitten

, - Het volume van de cel hangt af van:
o Intracellulaire afbraak van moleculen : er ontstaan meer osmotische deeltjes, waardoor water
de cel in gaat en het celvolume toeneemt.
o Synthese van moleculen : hierbij ontstaan osmotisch actieve deeltjes die in de cel aanwezig
blijven.
o Veranderingen in extracellulaire osmotische druk : deze worden streng gereguleerd door
het lichaam, waardoor je weinig veranderingen in de praktijk zult waarnemen.
- Bij toedienen van vocht:
o Isotoon: bij toediening van een isotoon vocht gaan er evenveel watermoleculen in als uit de
cellen. Dit is wat meestal intravenus wordt toegediend (bijvoorbeeld 9 g zout in 1 l water).
o Hypotoon: als je gewoon water toedient, stromen de vrije watermoleculen de cellen in, waardoor
ze opzwellen. Dit mag niet intraveneus worden gegeven; er bestaan wel
beschermingsmechanismen, maar die zijn beperkt.
o Hypertoon: soms wordt dit bewust toegediend (bijvoorbeeld 75 g zout in 1 l water). Door de hoge
zoutconcentratie in het bloed verlaat water de cellen, waardoor ze krimpen. Dit kan nuttig zijn bij bloeding (
circulerend bloedvolume daalt -> lichaam in schock) ,hypertoon omdat het intracellulair vocht naar buiten trekt ->
het circulerend bloedvolume tijdelijk verhoogt.

2.2 ACTIEF TRANSPORT

➔ Ook m.b.v. transport EW( eiwitten) maar transport tegen een bepaalde gradiënt in : ook
verzadigbaar, competitieve inhibitie en specifiek transport
➔ Vergt energie!
o Primair actief transport : ATP w verbruikt
o Secundair actief transport : hierbij wordt energie verbruikt, maar door het transport dat
plaatsvindt, ontstaat er ook potentiële energie. Deze energie wordt vervolgens gebruikt om
andere (secundaire) moleculen te vervoeren. Een voorbeeld hiervan is de Na⁺/K⁺-pomp.
▪ Natrium (Na⁺) heeft de neiging om via lekkanalen naar de negatieve binnenkant van de cel te bewegen. De
Na⁺/K⁺-pomp transporteert natrium actief weer naar buiten, wat zorgt voor
een concentratie- en ladingsverschil — dit creëert potentiële energie. Kalium
(K⁺) wordt actief opnieuw naar binnen gebracht. De potentiële energie die
ontstaat door het naar buiten pompen van Na⁺ kan vervolgens worden
gebruikt voor het transport van andere stoffen via secundair actief transport.
- Classificatie transport EW:
o Uniporter : 1 moleculen die w opgenomen
o Co-transporter:
▪ Symporter : zelfde richting
▪ Antiporter : >< richting




- Exo- en endocytose:
o Transport in kleine membraanvesikels - zonder direct contact met celmembraan cytosol
- Soorten exocytose: hierbij versmelt een membraanblaasje (vesikel) met het celmembraan, waarna de inhoud wordt
vrijgegeven aan de buitenkant van de cel. Hierdoor wordt het celmembraan groter.
o Constitutieve exocytose: de inhoud van de vesikels wordt continu vrijgegeven aan het celmembraan en draagt bij
aan de opbouw en het onderhoud ervan (bijvoorbeeld door de afgifte van fosfolipiden of membraaneiwitten).
o Gereguleerde exocytose: de afgifte van de vesikelinhoud gebeurt pas na een specifieke prikkel of trigger.

Een voorbeeld van gereguleerde exocytose is de melkafgifte bij een koe: wanneer het kalf aan de
uier zuigt, wordt het hormoon oxytocine vrijgesteld. Dit hormoon bereikt de uier, veroorzaakt
samentrekkingen van de melkklieren en zorgt ervoor dat de melk wordt uitgescheiden.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
November 18, 2025
Number of pages
40
Written in
2025/2026
Type
SUMMARY

Subjects

$4.10
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Get to know the seller
Seller avatar
lienmichielsen24

Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
lienmichielsen24 Universiteit Gent
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
5
Member since
11 months
Number of followers
0
Documents
30
Last sold
1 month ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions