Hoorcollege 1 & 2
Transcriptie
• TATA-box ® hieraan bindt TBP, onderdeel van de promotor
o TBP ® subunit van TFIID
• Sp1
o Bindt aan de GC-box
o Heeft 3 zink-vingers, bindt ermee aan DNA
o Glutamine-rijke domein (= trans-activatie domein, activeert zo een ander eiwit) bindt
aan andere eiwitten, zoals co-activatoren
• TBP bindt NIET aan Sp1
hnRNA ® heterogeen nucleair DNA
• Capping
• Splicing
• Poly-adenylering
Polyribosoom ® meerdere ribosomen aan stukje mRNA
Gentherapie
• Cellen worden verwijderd uit patiënten
• De cellen worden aangepast m.b.v. een vector (=virus)
• De cellen hebben hun functie weer terug en worden weer teruggeplaatst
Genetische therapieën
• Anti-sense therapie ® blokkeert translatie
o Stukje anti-sense RNA bindt aan mRNA waardoor er geen translatie plaatsvindt en er
dus geen eiwit gevormd wordt
• Triplex therapie ® blokkeert transcriptie
o Stukje RNA bindt aan DNA zodat er geen transcriptie plaats kan vinden, hierdoor
wordt er geen mRNA gevormd en uiteindelijk ook geen eiwit
• Gentherapie
• RNA interferatie
, • Gene repair
o Oligonucleotide
o Zinc-finger induced cleavage
o TALEN
o CRISPR-cas9
Voorbeeld toetsvraag
Wat is het therapeutische molecuul dat gebruikt wordt bij anti-sense therapie? Geef details over het
molecuul.
• Oligonucleotide, deze is gemodificeerd om beter de cel in te komen
o Fosfaat groep veranderd in zwavelgroep in oligo, extra methylgroep aan oligo, en 6-
ring met stikstofatomen bij morpholino
o 16-20 nt lang, enkelstrengs
Nucleotide ® 5’ fosfaat, 3’suiker
• 6 miljard nucleotiden in het menselijk lichaam, 3 miljard basenparen
Oligonucleotide
• 16-20 nucleotiden lang
o Een oligo van 16 nt is uniek, komt maar
1x voor in het genoom
o Hierdoor is de kans op bijwerkingen klein
• Base specifieke binding
• Nucleotiden zijn kwetsbaar en sterk geladen, dit
wordt gecompenseerd door de positieve
histonen en verschillende cationen
• DNAses en RNAses zitten overal in het lichaam
en kunnen oligo’s kapot maken
• Zwavelbinding aan oligo (=gemodificeerd) ®
wordt minder negatief
o Methylbinding aan oligo ® nog minder
negatief
o Dus ze worden minder specifiek voor
DNAses en RNAses en het zorgt voor betere
opname in de cel
Morpholino
• 6-ring ribose met een stikstofatoom
• De O met lading in de fosfaat is veranderd in een
stikstofatoom
• Voordelen:
o Stabieler
o DNAse-resistent
o Betere opname
o Betere hydrofobiciteit
• Nadelen:
o Duur molecuul
• De positie waar de morpholino op werkt in het DNA bepaalt hoe goed de inhibitie werkt
o Morpholino kan beter voor het AUG-codon zitten, dus in de 5’UTR, omdat het
ribosoom de morpholino dan niet van het mRNA af kan gooien
Transcriptie
• TATA-box ® hieraan bindt TBP, onderdeel van de promotor
o TBP ® subunit van TFIID
• Sp1
o Bindt aan de GC-box
o Heeft 3 zink-vingers, bindt ermee aan DNA
o Glutamine-rijke domein (= trans-activatie domein, activeert zo een ander eiwit) bindt
aan andere eiwitten, zoals co-activatoren
• TBP bindt NIET aan Sp1
hnRNA ® heterogeen nucleair DNA
• Capping
• Splicing
• Poly-adenylering
Polyribosoom ® meerdere ribosomen aan stukje mRNA
Gentherapie
• Cellen worden verwijderd uit patiënten
• De cellen worden aangepast m.b.v. een vector (=virus)
• De cellen hebben hun functie weer terug en worden weer teruggeplaatst
Genetische therapieën
• Anti-sense therapie ® blokkeert translatie
o Stukje anti-sense RNA bindt aan mRNA waardoor er geen translatie plaatsvindt en er
dus geen eiwit gevormd wordt
• Triplex therapie ® blokkeert transcriptie
o Stukje RNA bindt aan DNA zodat er geen transcriptie plaats kan vinden, hierdoor
wordt er geen mRNA gevormd en uiteindelijk ook geen eiwit
• Gentherapie
• RNA interferatie
, • Gene repair
o Oligonucleotide
o Zinc-finger induced cleavage
o TALEN
o CRISPR-cas9
Voorbeeld toetsvraag
Wat is het therapeutische molecuul dat gebruikt wordt bij anti-sense therapie? Geef details over het
molecuul.
• Oligonucleotide, deze is gemodificeerd om beter de cel in te komen
o Fosfaat groep veranderd in zwavelgroep in oligo, extra methylgroep aan oligo, en 6-
ring met stikstofatomen bij morpholino
o 16-20 nt lang, enkelstrengs
Nucleotide ® 5’ fosfaat, 3’suiker
• 6 miljard nucleotiden in het menselijk lichaam, 3 miljard basenparen
Oligonucleotide
• 16-20 nucleotiden lang
o Een oligo van 16 nt is uniek, komt maar
1x voor in het genoom
o Hierdoor is de kans op bijwerkingen klein
• Base specifieke binding
• Nucleotiden zijn kwetsbaar en sterk geladen, dit
wordt gecompenseerd door de positieve
histonen en verschillende cationen
• DNAses en RNAses zitten overal in het lichaam
en kunnen oligo’s kapot maken
• Zwavelbinding aan oligo (=gemodificeerd) ®
wordt minder negatief
o Methylbinding aan oligo ® nog minder
negatief
o Dus ze worden minder specifiek voor
DNAses en RNAses en het zorgt voor betere
opname in de cel
Morpholino
• 6-ring ribose met een stikstofatoom
• De O met lading in de fosfaat is veranderd in een
stikstofatoom
• Voordelen:
o Stabieler
o DNAse-resistent
o Betere opname
o Betere hydrofobiciteit
• Nadelen:
o Duur molecuul
• De positie waar de morpholino op werkt in het DNA bepaalt hoe goed de inhibitie werkt
o Morpholino kan beter voor het AUG-codon zitten, dus in de 5’UTR, omdat het
ribosoom de morpholino dan niet van het mRNA af kan gooien