Belangrijke kennis bij leesvaardigheid en de leestoets:
Voorkennis:
Tekstdoelen, tekstsoorten en uitgangspunt:
1. Informeren – informerende teksten = gegevens verstrekken;
2. Uiteenzetten – uiteenzettende teksten = uitleggen hoe iets in elkaar zit;
3. Overtuigen – betogende teksten = betogen, een pleidooi houden;
4. Beschouwen – beschouwende teksten = van verschillende kanten belichten, de
lezer laten nadenken;
5. Activeren – activerende teksten = aansporen tot handelen;
6. Amuseren – amuserende teksten = vermaken.
De tekstvorm is de letterlijke vorm waarin een tekst gegoten wordt, bv: verslag,
recensie, roman etc.
Een tekst gaat over een bepaald onderwerp, in een of een paar woord(en) te
beschrijven. De hoofdgedachte is de belangrijkste uitspraak die de schrijver over het
onderwerp doet.
De hoofdstructuur van een tekst:
1. Inleiding. Een goede inleiding heeft meerdere functies:
a. De belangstelling wekken
b. Het onderwerp introduceren en/of de hoofdgedachte naar voren brengen
c. Aankondigen hoe een tekst is opgebouwd
d. De aanleiding noemen
e. De lezen of luisteraar welwillen stemmen
2. Middenstuk, de kern van een tekst. De schrijver werkt de hoofdgedachte uit in
een aantal deelonderwerpen.
3. Het slot. Vaak worden hier ook twee of drie functies gecombineerd:
a. Samenvatting, belangrijkste zaken
b. Conclusie trekken
c. Aanbeveling doen
d. Oproep, hij vraagt de lezers iets te doen of te laten
Tekststructuren:
- Voordelen-en-nadelenstructuur, wat zijn de voor- en nadelen?
- Vroeger-en-nu-structuur, wat is er veranderd?
- Vroeger-nu-toekomststructuur, wat is er veranderd en wat gaat er nog
veranderen?
- Probleem-en-oplossinstructuur, hoe dit probleem oplossen?
- Verschijnsel-en-verklaringstructuur, welke verklaringen voor dit verschijnsel?
- Bewering-en-argumentstructuur, waarom is … waar?
- Verschijnsel-en-besprekingstructuur, weke aspecten kent dit verschijnsel?
Een tekstgedeelte heeft een bepaalde functie binnen de hele tekst, veelvoorkomende
functies zijn:
Aanbeveling, aanleiding, afweging, afweging, argument, argumentatie/redenering,
beantwoording, begripsomschrijving/definitie, beoordeling, bewering/mening/stelling,
tegenstelling, tegenwerping, bewijs, conclusie, constatering/vaststelling, gevolgen,
hypothese, karakterisering, nuancering/relativering, ontkenning, oorzaak, oplossing,
oproep, opsomming, probleemstelling, samenvatting, theorie, toelichting, toepassing,
uitwerking, verklaring, vermoeden, verslag, voorbeeld, voorbehoud, voorwaarde,
vraagstelling, weerlegging.
, Elke tekst moet een titel hebben met twee functies: informeren waar de tekst over
gaat en motiveren om verder te lezen. In een tekst kun je ook tussenkopjes
aanbrengen over een of meerdere alinea’s. tussenkopjes hebben drie functies:
structuur geven, motiveren om verder te lezen en laten scannen.
Elke langere tekst is verdeeld in alinea’s. De zin die het belangrijkste van een alinea
weergeeft noem je de kernzin (meestal begin of eind). Soms gaat een inleidende
zin aan een kernzin vooraf.
Alineaverbanden kan je aangeven door:
1. Herhaling van woorden of een woordgroep, aan het begin van een nieuwe alinea
herhaal je die.
2. Signaalwoorden, het geeft verband en welk soort verband aan.
3. Signaalzinnen: aankondigende (ik zal verderop…) en terugblikkende (hiervoor
noemde ik…).
4. Overgangszinnen (aan begin of eind alinea) met een verwijswoord (die, deze,
dit, zulke etc.).
Soorten verbanden:
- Tegenstellend verband;
- Opsommend verband, altijd met een signaalwoord;
- Oorzakelijk verband, koppelt een oorzaak aan een gevolg (daardoor, doordat,
zodat etc.);
- Redengevend verband (omdat, want, daarom);
- Uitleggend (of toelichtend) verband (m.a.w., bijvoorbeeld, dat wil zeggen, zo
etc.);
- Concluderend verband;
- Samenvattend verband (kortom, samenvattend, al met al etc.);
- Voorwaardelijk verband (als, indien, mits, tenzij etc.);
- Vergelijkend verband;
- Doel-middel, er is een middel nodig om je doel te bereiken (daartoe, opdat,
d.m.v., m.b.v. etc.);
- Chronologisch verband, geeft een ontwikkeling in de tijd aan (vroeger, nu later,
eerst etc.).
Een betoog is bedoeld om te overtuigen en is subjectief. Bestaat meestal uit stelling,
meerdere argumenten, conclusie.
Bij informatie beoordelen stel je drie vragen:
1. Is de informatie van belang?
a. Past de informatie bij mijn (onderzoeks)vraag?
2. Is de tekst consistent?
a. Wordt er 1 gedachtegang of argumentatielijn gevolgd? Wordt er niet op de
ene plaats iets heel anders verkondigd dan op een andere plaats?
3. Is de tekst betrouwbaar? Let hierbij op de volgende punten:
a. Tekstdoel. Bepaal het tekstdoel, zijn de argumenten valide, de
redenering zuiver, wat probeert de auteur te bereiken?
b. Schrijver. Is de schrijver objectief?
c. Bron. Is de bron deskundig/betrouwbaar?
d. Datum. Is de informatie nog actueel of verouderd, wanneer is het
gepubliceerd?
e. Argumentatie. Let op bijzonder taalgebruik, stijlmiddelen, drogredenen,
wat voor argument (emotioneel of feitelijk?), er wordt vaak met
argumenten gemanipuleerd.