Intro
E-mailetiquette
De regels :
1. Aanspreking moet volledig en gepast zijn.
- Beste Jan (informeel)/ klant
- Geachte mevrouw, heer (+ familienaam)
- Geachte heer/decaan (formeel)
- Nooit “beste” of “geachte” zonder iets bij
2. Kernbericht moet beknopt en gestructureerd zijn.
- Aanleiding: waarom mail je?
- Kern: wat wil je melden/ vragen?
- Positief slot: bv dankwoord
3. Slotgroet moet gepast zijn.
- Groeten/ Groetjes (informeel)
- Met vriendelijke groet(en) = altijd gepast
- Hoogachtend (formeel)
4. Handtekening
- Voornaam + familienaam
- Functie/jaar + richting + klasgroep
Het communicatiemodel
Door Roman Jakobson, Op basis van de tweeledige basisfunctie van taal:
Informatieoverdracht
Sociale profilering
6 basis elementen
1. Context
2. Zender
3. Boodschap
4. Ontvanger
5. Code
6. Contact
Soorten communicatie
Intern vs extern
a) Interne: communicatie binnen een organisatie
b) Externe: communicatie van een organisatie met de buitenwereld
Verbale vs non-verbale
a) Verbale: communicatie met woorden
b) Non-verbale: communicatie zonder woorden (gebaren, mimiek, intonatie..)
Schriftelijk vs mondelinge communicatie
a) Schriftelijke: communicatie op papier (analoog of digitaal)
b) Mondelinge: communicatie zonder document (telefoongesprek, gesprek..)
Interpersoonlijke vs intrapersoonlijke communicatie & massacommunicatie
a) Intrapersoonlijke: ontvanger = zender, communicatie met jezelf
b) Interpersoonlijke: communicatie tussen 2 mensen (zender & ontvanger
kennen elkaar, feedback)
c) Massacommunicatie: zender stuurt boodschap naar een heel groot aantal
ontvangers (zender & ontvangers kennen elkaar niet, feedback mogelijk)
Hoofdstuk 1 : Doelgroepgericht schrijven
, Voordat je begint met schrijven beantwoord je 3 vragen:
1. Waar gaat m'n tekst over = onderwerp
2. Wie zijn mijn lezers = doelgroep
3. Wat wil ik met mijn tekst bereiken = doel
-> dit is je werkplan!
Bepaal je doelgroep
Betrek je doelgroep: leesmotief bepalen (= welk belang heeft je doelgroep
bij jouw onderwerp?)
Doelgroep bepaald inhoud, bronnen, taal, toon, lay-out…
Jezelf ≠ maatstaf: richt je tot de lezer -> referentiekader
Ijkpersoon/persona (referentiekader opstellen) = model voor hele groep, ook
heterogene groepen
Hoe bepalen?
Naam
Leeftijd
Geslacht
Politieke achtergrond
Sociale achtergrond
Culturele achtergrond
Religieuze achtergrond
Werk? Functie?
Hobby? Interesses?
…
Let op: het referentiekader vd zender ≠ de doelgroep (= ontvanger)!!
Om de doelgroep te leren kennen:
1. Doelgebonden vragen
2. Doelgroepgebonden vragen
Informatief doel: op welke voorkennis kun je rekenen?
Emotief doel: welke gevoelens verwacht je?
Persuasief doel: welke mening & houdingen lever er,
Activerend doel: welke voornemens heeft de doelgroep nu?
Diverterend doel: wat beschouwt de doelgroep als grappig?
Pas je inhoud aan
Hanteer de juiste taal
Wat wil de lezer?
Woordkeuze? Vakjargon (=beroepstaalgebruik dat handig is binnen
een vakgebied) of niet?
Lengte van tekst
(Correcte en consequente) Tone of voice
- Formeel of informeel
- Serieus of luchtig
- Direct of indirect
- Commercieel of informatief
- Technisch of toegankelijk
U of je?