1. Welke kennis en vaardigheden moet een psycholoog hebben om goede
psychodiagnostiek uit te kunnen voeren?: 1. Moet op de hoogte zijn van inhoudelijke theorieën.
2. Moet verstand hebben van verschillende onderzoeksmiddelen (wanneer welke hulpmiddel het beste te gebruiken, in
staat zijn om het middel goed toe te passen en kennis over testtheorie).
3. Moet goed contact kunnen maken en onderhouden met cliënt en opdrachtgever.
4. Bepalen wie hulpvrager, cliënt en/of opdrachtgever is en wiens belang je vooral moet dienen.
5. Kennis van besliskunde.
2. Welke 3 type vragen staan centraal in psychodiagnostiek?: - Classificatie (onderken-
nende vragen).
- Verklarende vragen.
- Indicerende vragen.
3. Wat is het doel van psychodiagnostiek volgens Tak?: - Een betrouwbare en valide
beschrijving van deze psychosociale werkelijkheid te verkrijgen,
- Mogelijke verklaringen te zoeken voor het ontstaan en voortbestaan van de problemen, en
- Deze verklaringen te toetsen.
4. Welke 4 type psychologen zijn te onderscheiden binnen de klinische setting?-
: 1. Master- of basispsycholoog.
2. Gz-psycholoog.
3. Klinische psycholoog.
4. Psychotherapeut.
5. Welke kenmerken hoort specifiek bij psychodiagnostiek bij kinderen en ado-
lescenten?: - Kinderen ontwikkelen zich zeer snel.
- Het belang van de omgeving.
- Normale versus afwijkende ontwikkeling.
6. Op welk moment in de ontwikkeling is er een grote variatie in cognitief
functioneren tussen kinderen te ontdekken?: Vlak voor een ontwikkelingsspurt: kinderen die deze
ontwikkelingsspurt hebben ondergaan lijken vele malen verder dan kinderen die deze nog moeten krijgen. Dit lijkt
vervolgens een groot verschil, maar feitelijk is deze kleiner.
7. Wat is het belang van de omgeving in de ontwikkeling van kinderen en ado-
lescenten?: Ontwikkeling is het resultaat van een voortdurende interactie tussen het kind met diens biologische aanleg
en de omgeving waarin deze opgroeit (nature én nurture).
,8. Wanneer kan een kind zich ontwikkelen?: Als er een balans optreedt tussen:
- De biologische aanleg,
- Wat het kind kan of heeft aangeleerd,
- Wat er van het kind wordt gevraagd, en
- Wat het kind voor hulp krijgt van de omgeving of wat het kind meemaakt.
9. Welke omgevingsfactoren benoemd de reader als voorbeelden?: 1. Leren en
ontdekken.
2. Bieden van ondersteuning bij de ontwikkeling.
3. Geborgenheid en veiligheid.
4. Aanmoediging van de eigen verantwoordelijkheid of zelfstandigheid.
5. Waarden en normen.
6. Voeding en gezondheid.
10. Wat is het doel van de diagnostische cyclus?: Het voorkomen van mogelijke oordeelsfouten en het
streven naar transparantie over hoe de onderzoeker tot een oordeel komt.
11. Welke 5 belangrijkste algemene richtlijnen, afgeleidt van wetenschappelijk
onderzoek, wordt benoemd over de diagnostische cyclus?: 1. Toets hypothesen aan
gegevens en stel (voor)oordelen bij als daar aanleiding toe is.
2. Zoek doelgericht en systematisch naar patronen en houdt rekening met consistentie in die patronen.
3. Hanteer theoretisch verantwoorde redeneringen en gegevens uit recent wetenschappelijk onderzoek.
4. Gebruik voldoende betrouwbare en valide diagnostische onderzoeksmiddelen (COTAN).
5. Leg verantwoording af aan collega's en cliënten door de denk- en werkwijze steeds te expliciteren.
12. Wat zijn de fasen van de diagnostische cyclus?: 1. Aanmelding.
2. Klachtenanalyse.
3. Probleemanalyse.
4. Verklaringsanalyse.
5. Indicatieanalyse.
6. Advisering.
13. Voor diagnostisch onderzoek is er altijd toestemming nodig. Hierbij zijn bij
kinderen en jeugdigen 3 groepen te onderscheiden in wie er de toestemming
moet verlenen. Wat zijn de drie groepen en wie moet voor elke groep toestem-
ming verlenen om psychodiagnostiek uit te mogen voeren?: - Jonger dan 12 jaar: Alle
, Ouders/verzorgers/gezaghebbenden moeten toestemming geven.
- 12 - 16 jaar: alle ouders/verzorgers/gezaghebbenden en het kind moeten toestemming geven.
- Ouder dan 16 jaar: mag zichzelf, zonder medeweten van ouders, aanmelden, maar voordat men in mag gaan op
hulpvraag moet er toestemming zijn van ouders/verzorgers/gezaghebbenden (WGBO).
14. Welke taken horen bij de aanmelding voor psychodiagnostiek?: - Aanmelding kan
komen door doorverwijzing of omdat ouder(s) of het kind hierom vraagt. Zorgen voor juiste toestemming om het proces
in te mogen zetten.
- Beoordelen in hoeverre het professioneel en ethisch verantwoord is om de opdracht te accepteren.
- Verplichtingen opdrachtgever, clënt en/of systeem verhelderen en duidelijk maken aan alle partijen.
15. Welke taken horen bij de klachtenanalyse?: - Samen met de cliënt en diens systeem een helder
beeld krijgen van de (hulp)vragen en klachten.
- Samenvatten klachten, hulpvragen en de onderlinge samenhang.
- Duidelijkheid geven over in hoeverre de psycholoog kan helpen, wat het kind en diens systeem van het contact mag
verwachten en hoe de werkwijze eruit kan zien. Dit is nodig voor instemming vervolg.
16. Welke hulpvraagcategorieën zijn er?: 1. Onderkennende vragen.
2. Verklarende vragen.
3. Indicerende vragen.
4. Selecterende vragen.
5. Toewijzende vragen.
17. Welke stappen worden genomen in de probleemanalyse: - Duidelijk beeld krijgen van het
probleem (koppelen van informatie uit verschillende bronnen).
- Beslissen hoe het diagnostisch onderzoek moet worden ingericht om de hulpvragen zo goed mogelijk te kunnen
beantwoorden.
- Diagnostisch scenario opstellen (onderzoeksopzet).
18. Wat is de uitkomst van de probleemanalyse?: Helder overzicht van de onderzoeksvragen om tot de
beantwoording van de hulpvragen te komen.
19. Wat zijn de stappen van de verklaringsanalyse?: - Opstellen empirisch toetsbare hypothe- sen.
- Toetsen onderzoekshypothesen.
- Interpretatie.
- Integratie onderzoeksuitkomsten.
psychodiagnostiek uit te kunnen voeren?: 1. Moet op de hoogte zijn van inhoudelijke theorieën.
2. Moet verstand hebben van verschillende onderzoeksmiddelen (wanneer welke hulpmiddel het beste te gebruiken, in
staat zijn om het middel goed toe te passen en kennis over testtheorie).
3. Moet goed contact kunnen maken en onderhouden met cliënt en opdrachtgever.
4. Bepalen wie hulpvrager, cliënt en/of opdrachtgever is en wiens belang je vooral moet dienen.
5. Kennis van besliskunde.
2. Welke 3 type vragen staan centraal in psychodiagnostiek?: - Classificatie (onderken-
nende vragen).
- Verklarende vragen.
- Indicerende vragen.
3. Wat is het doel van psychodiagnostiek volgens Tak?: - Een betrouwbare en valide
beschrijving van deze psychosociale werkelijkheid te verkrijgen,
- Mogelijke verklaringen te zoeken voor het ontstaan en voortbestaan van de problemen, en
- Deze verklaringen te toetsen.
4. Welke 4 type psychologen zijn te onderscheiden binnen de klinische setting?-
: 1. Master- of basispsycholoog.
2. Gz-psycholoog.
3. Klinische psycholoog.
4. Psychotherapeut.
5. Welke kenmerken hoort specifiek bij psychodiagnostiek bij kinderen en ado-
lescenten?: - Kinderen ontwikkelen zich zeer snel.
- Het belang van de omgeving.
- Normale versus afwijkende ontwikkeling.
6. Op welk moment in de ontwikkeling is er een grote variatie in cognitief
functioneren tussen kinderen te ontdekken?: Vlak voor een ontwikkelingsspurt: kinderen die deze
ontwikkelingsspurt hebben ondergaan lijken vele malen verder dan kinderen die deze nog moeten krijgen. Dit lijkt
vervolgens een groot verschil, maar feitelijk is deze kleiner.
7. Wat is het belang van de omgeving in de ontwikkeling van kinderen en ado-
lescenten?: Ontwikkeling is het resultaat van een voortdurende interactie tussen het kind met diens biologische aanleg
en de omgeving waarin deze opgroeit (nature én nurture).
,8. Wanneer kan een kind zich ontwikkelen?: Als er een balans optreedt tussen:
- De biologische aanleg,
- Wat het kind kan of heeft aangeleerd,
- Wat er van het kind wordt gevraagd, en
- Wat het kind voor hulp krijgt van de omgeving of wat het kind meemaakt.
9. Welke omgevingsfactoren benoemd de reader als voorbeelden?: 1. Leren en
ontdekken.
2. Bieden van ondersteuning bij de ontwikkeling.
3. Geborgenheid en veiligheid.
4. Aanmoediging van de eigen verantwoordelijkheid of zelfstandigheid.
5. Waarden en normen.
6. Voeding en gezondheid.
10. Wat is het doel van de diagnostische cyclus?: Het voorkomen van mogelijke oordeelsfouten en het
streven naar transparantie over hoe de onderzoeker tot een oordeel komt.
11. Welke 5 belangrijkste algemene richtlijnen, afgeleidt van wetenschappelijk
onderzoek, wordt benoemd over de diagnostische cyclus?: 1. Toets hypothesen aan
gegevens en stel (voor)oordelen bij als daar aanleiding toe is.
2. Zoek doelgericht en systematisch naar patronen en houdt rekening met consistentie in die patronen.
3. Hanteer theoretisch verantwoorde redeneringen en gegevens uit recent wetenschappelijk onderzoek.
4. Gebruik voldoende betrouwbare en valide diagnostische onderzoeksmiddelen (COTAN).
5. Leg verantwoording af aan collega's en cliënten door de denk- en werkwijze steeds te expliciteren.
12. Wat zijn de fasen van de diagnostische cyclus?: 1. Aanmelding.
2. Klachtenanalyse.
3. Probleemanalyse.
4. Verklaringsanalyse.
5. Indicatieanalyse.
6. Advisering.
13. Voor diagnostisch onderzoek is er altijd toestemming nodig. Hierbij zijn bij
kinderen en jeugdigen 3 groepen te onderscheiden in wie er de toestemming
moet verlenen. Wat zijn de drie groepen en wie moet voor elke groep toestem-
ming verlenen om psychodiagnostiek uit te mogen voeren?: - Jonger dan 12 jaar: Alle
, Ouders/verzorgers/gezaghebbenden moeten toestemming geven.
- 12 - 16 jaar: alle ouders/verzorgers/gezaghebbenden en het kind moeten toestemming geven.
- Ouder dan 16 jaar: mag zichzelf, zonder medeweten van ouders, aanmelden, maar voordat men in mag gaan op
hulpvraag moet er toestemming zijn van ouders/verzorgers/gezaghebbenden (WGBO).
14. Welke taken horen bij de aanmelding voor psychodiagnostiek?: - Aanmelding kan
komen door doorverwijzing of omdat ouder(s) of het kind hierom vraagt. Zorgen voor juiste toestemming om het proces
in te mogen zetten.
- Beoordelen in hoeverre het professioneel en ethisch verantwoord is om de opdracht te accepteren.
- Verplichtingen opdrachtgever, clënt en/of systeem verhelderen en duidelijk maken aan alle partijen.
15. Welke taken horen bij de klachtenanalyse?: - Samen met de cliënt en diens systeem een helder
beeld krijgen van de (hulp)vragen en klachten.
- Samenvatten klachten, hulpvragen en de onderlinge samenhang.
- Duidelijkheid geven over in hoeverre de psycholoog kan helpen, wat het kind en diens systeem van het contact mag
verwachten en hoe de werkwijze eruit kan zien. Dit is nodig voor instemming vervolg.
16. Welke hulpvraagcategorieën zijn er?: 1. Onderkennende vragen.
2. Verklarende vragen.
3. Indicerende vragen.
4. Selecterende vragen.
5. Toewijzende vragen.
17. Welke stappen worden genomen in de probleemanalyse: - Duidelijk beeld krijgen van het
probleem (koppelen van informatie uit verschillende bronnen).
- Beslissen hoe het diagnostisch onderzoek moet worden ingericht om de hulpvragen zo goed mogelijk te kunnen
beantwoorden.
- Diagnostisch scenario opstellen (onderzoeksopzet).
18. Wat is de uitkomst van de probleemanalyse?: Helder overzicht van de onderzoeksvragen om tot de
beantwoording van de hulpvragen te komen.
19. Wat zijn de stappen van de verklaringsanalyse?: - Opstellen empirisch toetsbare hypothe- sen.
- Toetsen onderzoekshypothesen.
- Interpretatie.
- Integratie onderzoeksuitkomsten.