Vragen NEW week 1
De organisatie van de Nederlandse staat op centraal – en decentraal niveau
Vraag 1
Montesquieu staat bekend om zijn theorie over hoe een staat op zijn best kan
worden ingericht, de zogenoemde ‘Trias Politica’. Wat zijn de belangrijkste doelen
van deze leer?
a. Helderheid geven aan alle burgers welke overheidsinstanties welke
bevoegdheden hebben.
b. Voorkoming van machtsdecentralisatie, eigenrichting en rechtsonzekerheid.
c. Voorkoming van machtsmisbruik en borging van de vrijheid van burgers.
d. Verdeling van de staatsmacht over drie machten: de wetgevende,
bestuurlijke en uitvoerende macht.
Vraag 2
Waarvoor dient het systeem van checks and balances?
a. Garanderen autonomie van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende
macht.
b. Het in stand houden van een zeker machtsevenwicht.
c. De gerechtelijke controle van wetgeving en uitvoering daarvan.
d. Toezicht van de wetgevende macht op de uitvoerende macht.
Vraag 3
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de volgende
beweringen?
Bewering I: De regering wordt gevormd door de koning en ministers.
Bewering II: De wetgevende bevoegdheid ligt uitsluitend bij de regering en Staten-
Generaal gezamenlijk.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.
Vraag 4
In welke van onderstaande antwoorden staan uitsluitend zelfstandige
publiekrechtelijke rechtspersonen?
a. Autoriteit Persoonsgegevens, Dienst Uitvoering en Onderwijs en
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
b. Kamer van Koophandel, de Kiesraad en het Waterschap Regge en Dinkel.
c. College voor de rechten van de mens, de NS en de Autoriteit Consument en
Markt.
d. Raad voor Rechtsbijstand, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de
gemeente Borne.
Vraag 5
,Het college van B&W van de gemeente Enschede heeft een ambtenaar, Bas de
Gier, opgedragen alle bijstandsverzoeken af te handelen. Waar is hier sprake van?
a. Delegatie.
b. Mandaat.
c. Attributie.
d. Medebewind.
, Vraag 6
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de volgende
beweringen?
Bewering I: Openbare lichamen kunnen worden onderverdeeld in territoriale
openbare lichamen en decentrale openbare lichamen.
Bewering II: Onderhoud aan een brug is een voorbeeld van een publiekrechtelijke
rechtshandeling.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.
Vraag 7
Wanneer is er sprake van medebewind?
a. Indien een gemeente een bevoegdheid heeft gekregen om bepaalde
bestuurstaken te verrichten.
b. Indien de Regering tezamen met de Staten-Generaal van haar wetgevende
bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
c. Indien een provincie aanvullend op zijn autonome bevoegdheid gebruik
maakt van zijn regelgevende bevoegdheid.
d. Indien een gemeente wordt verplicht een hogere regeling uit te voeren.
Vraag 8
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de volgende
beweringen?
Bewering I: Een APK-keurmeester heeft een overheidstaak – namelijk het verrichten
van APK-keuringen – en hij is alleen gebonden aan de regels van de Awb voor zover
hij met die specifieke taak bezig is.
Bewering II: De Dienst Uitvoering Onderwijs is als a-orgaan verplicht om zich bij elke
taak die zij uitvoert te houden aan de regels van de Awb.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.
Vraag 9
Wat is geen voorbeeld van repressieve handhaving?
a. Last onder dwangsom.
b. Bestuurlijke boete.
c. Vergunningsstelsel.
d. Last onder bestuursdwang.
Vraag 10
Welk van de onderstaande antwoorden is geen element van de rechtsstaat?
a. De eerbiediging van grondrechten en algemene beginselen.
De organisatie van de Nederlandse staat op centraal – en decentraal niveau
Vraag 1
Montesquieu staat bekend om zijn theorie over hoe een staat op zijn best kan
worden ingericht, de zogenoemde ‘Trias Politica’. Wat zijn de belangrijkste doelen
van deze leer?
a. Helderheid geven aan alle burgers welke overheidsinstanties welke
bevoegdheden hebben.
b. Voorkoming van machtsdecentralisatie, eigenrichting en rechtsonzekerheid.
c. Voorkoming van machtsmisbruik en borging van de vrijheid van burgers.
d. Verdeling van de staatsmacht over drie machten: de wetgevende,
bestuurlijke en uitvoerende macht.
Vraag 2
Waarvoor dient het systeem van checks and balances?
a. Garanderen autonomie van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende
macht.
b. Het in stand houden van een zeker machtsevenwicht.
c. De gerechtelijke controle van wetgeving en uitvoering daarvan.
d. Toezicht van de wetgevende macht op de uitvoerende macht.
Vraag 3
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de volgende
beweringen?
Bewering I: De regering wordt gevormd door de koning en ministers.
Bewering II: De wetgevende bevoegdheid ligt uitsluitend bij de regering en Staten-
Generaal gezamenlijk.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.
Vraag 4
In welke van onderstaande antwoorden staan uitsluitend zelfstandige
publiekrechtelijke rechtspersonen?
a. Autoriteit Persoonsgegevens, Dienst Uitvoering en Onderwijs en
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
b. Kamer van Koophandel, de Kiesraad en het Waterschap Regge en Dinkel.
c. College voor de rechten van de mens, de NS en de Autoriteit Consument en
Markt.
d. Raad voor Rechtsbijstand, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de
gemeente Borne.
Vraag 5
,Het college van B&W van de gemeente Enschede heeft een ambtenaar, Bas de
Gier, opgedragen alle bijstandsverzoeken af te handelen. Waar is hier sprake van?
a. Delegatie.
b. Mandaat.
c. Attributie.
d. Medebewind.
, Vraag 6
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de volgende
beweringen?
Bewering I: Openbare lichamen kunnen worden onderverdeeld in territoriale
openbare lichamen en decentrale openbare lichamen.
Bewering II: Onderhoud aan een brug is een voorbeeld van een publiekrechtelijke
rechtshandeling.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.
Vraag 7
Wanneer is er sprake van medebewind?
a. Indien een gemeente een bevoegdheid heeft gekregen om bepaalde
bestuurstaken te verrichten.
b. Indien de Regering tezamen met de Staten-Generaal van haar wetgevende
bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
c. Indien een provincie aanvullend op zijn autonome bevoegdheid gebruik
maakt van zijn regelgevende bevoegdheid.
d. Indien een gemeente wordt verplicht een hogere regeling uit te voeren.
Vraag 8
Welke van de onderstaande alternatieven is juist ten aanzien van de volgende
beweringen?
Bewering I: Een APK-keurmeester heeft een overheidstaak – namelijk het verrichten
van APK-keuringen – en hij is alleen gebonden aan de regels van de Awb voor zover
hij met die specifieke taak bezig is.
Bewering II: De Dienst Uitvoering Onderwijs is als a-orgaan verplicht om zich bij elke
taak die zij uitvoert te houden aan de regels van de Awb.
a. Beide beweringen zijn juist.
b. Beide beweringen zijn niet juist.
c. Alleen bewering I is juist, bewering II is niet juist.
d. Alleen bewering II is juist, bewering I is niet juist.
Vraag 9
Wat is geen voorbeeld van repressieve handhaving?
a. Last onder dwangsom.
b. Bestuurlijke boete.
c. Vergunningsstelsel.
d. Last onder bestuursdwang.
Vraag 10
Welk van de onderstaande antwoorden is geen element van de rechtsstaat?
a. De eerbiediging van grondrechten en algemene beginselen.