Samenvatting verpleegethiek owe 4
Hoofdstuk 6:
Soorten verantwoordelijkheid:
Persoonlijke morele verantwoordelijkheid: als verpleegkundige of verzorgende ben je
verantwoordelijk voor de relatie met de patiënt en moet je daarin overeenstemming
bereiken met de patiënt over wat er aan de hand is en wat er gedaan kan worden.
Functionele verantwoordelijkheid: de uitvoering van het werk en daar verantwoording over
afleggen.
Professionele verantwoordelijkheid: zorg verlenen die in overeenstemming is met de
opvattingen die binnen de beroepsgroep leven over goede zorg -> professionele standaard
o Professionele standaard: richtlijnen en protocollen, gedragsregels, het beroepsprofiel
en de beroepscode. Dit geven samen een antwoord op de vraag:
Wat is bij een bepaald probleem goede zorg?
De morele uitgangspunten zijn te vinden in de vakliteratuur, de standaardpraktijken,
verpleegkundige theorieën en de beroepscode. Beroepscode te vinden op www.venvn.nl.
Moreel goede zorg: een verpleegkundige verleent zorg op basis van de taakopdracht van de
organisatie, daarbij professionele maatstaven hanteert en uitgaat van de zorgbehoefte die zij samen
met de zorgvrager heeft vastgesteld.
Reflectie: kritisch terugdenken over hoe er gehandeld is en of een andere handeling niet beter was
geweest. Reflectie hoort bij een professionele instelling.
Door regelmatig te reflecteren over betwijfelde beslissingen en routines en
probleemsituaties te vergelijken met elkaar, krijg je er steeds beter zicht op: meer gevoel
voor de details die er toe doen, die maken dat je de ene keer zus en de andere keer zo moet
doen.
o Prudentie: het doordenken en doorspreken van een moreel lastige situatie helpt om
de lering uit te trekken en te bedenken of het een volgende keer anders moet.
Dilemma: onvermijdelijke keuze tussen alternatieven.
Moreel dilemma: voor elke keuze kunnen verschillende morele argumenten gegeven worden.
1. Kiezen is onvermijdelijk.
2. De keuzen sluiten elkaar uit.
3. Er zijn goede redenen voor elke keuze.
Gesprek: gesprekken over morele kwesties en problemen worden wel aangeduid met de term
‘moreel beraad’. Er zijn verschillende vaardigheden nodig om hieraan mee te doen.
Communicatie: kijken, luisteren en praten.
Goede procesbewaking.
Gewenste communicatieve vaardigheid van verpleegkundigen:
1. Het kunnen benoemen van morele vraagstukken die zich voordoen in het werk.
2. Deze vraagstukken systematisch kunnen overdenken.
3. Een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan ethisch overleg.
Het principe van goede trouw: uitgangspunt dat we ons dienen in te spannen om de ander te
begrijpen, om alleen dingen te zeggen waarin we zelf geloven, om volledig en duidelijk te zijn.
Hoofdstuk 6:
Soorten verantwoordelijkheid:
Persoonlijke morele verantwoordelijkheid: als verpleegkundige of verzorgende ben je
verantwoordelijk voor de relatie met de patiënt en moet je daarin overeenstemming
bereiken met de patiënt over wat er aan de hand is en wat er gedaan kan worden.
Functionele verantwoordelijkheid: de uitvoering van het werk en daar verantwoording over
afleggen.
Professionele verantwoordelijkheid: zorg verlenen die in overeenstemming is met de
opvattingen die binnen de beroepsgroep leven over goede zorg -> professionele standaard
o Professionele standaard: richtlijnen en protocollen, gedragsregels, het beroepsprofiel
en de beroepscode. Dit geven samen een antwoord op de vraag:
Wat is bij een bepaald probleem goede zorg?
De morele uitgangspunten zijn te vinden in de vakliteratuur, de standaardpraktijken,
verpleegkundige theorieën en de beroepscode. Beroepscode te vinden op www.venvn.nl.
Moreel goede zorg: een verpleegkundige verleent zorg op basis van de taakopdracht van de
organisatie, daarbij professionele maatstaven hanteert en uitgaat van de zorgbehoefte die zij samen
met de zorgvrager heeft vastgesteld.
Reflectie: kritisch terugdenken over hoe er gehandeld is en of een andere handeling niet beter was
geweest. Reflectie hoort bij een professionele instelling.
Door regelmatig te reflecteren over betwijfelde beslissingen en routines en
probleemsituaties te vergelijken met elkaar, krijg je er steeds beter zicht op: meer gevoel
voor de details die er toe doen, die maken dat je de ene keer zus en de andere keer zo moet
doen.
o Prudentie: het doordenken en doorspreken van een moreel lastige situatie helpt om
de lering uit te trekken en te bedenken of het een volgende keer anders moet.
Dilemma: onvermijdelijke keuze tussen alternatieven.
Moreel dilemma: voor elke keuze kunnen verschillende morele argumenten gegeven worden.
1. Kiezen is onvermijdelijk.
2. De keuzen sluiten elkaar uit.
3. Er zijn goede redenen voor elke keuze.
Gesprek: gesprekken over morele kwesties en problemen worden wel aangeduid met de term
‘moreel beraad’. Er zijn verschillende vaardigheden nodig om hieraan mee te doen.
Communicatie: kijken, luisteren en praten.
Goede procesbewaking.
Gewenste communicatieve vaardigheid van verpleegkundigen:
1. Het kunnen benoemen van morele vraagstukken die zich voordoen in het werk.
2. Deze vraagstukken systematisch kunnen overdenken.
3. Een zinvolle bijdrage kunnen leveren aan ethisch overleg.
Het principe van goede trouw: uitgangspunt dat we ons dienen in te spannen om de ander te
begrijpen, om alleen dingen te zeggen waarin we zelf geloven, om volledig en duidelijk te zijn.