Comercieel 2
1. Assortimensbeleid
2.inkoopbeleid
3. Prijsbeleid
4.Promotiebeleid
5. commerciële presentaties
1. Assortimensbeleid
4 functies van het assortiment:
Kernassortiment: Herkenbaar voor de klant
Randassortiment: Imago, Service, Klantbinding, extra omzet
Proefassortiment: Nieuwe producten.
Uitloopassortiment: Artikelen waar je vanaf wilt.
De Retailmix: product, prijs, plaats, personeel, promotie, en commerciële presentatie.
5 dimensies van het assortiment:
Breedte: Het aantal verschillende productgroepen.
Diepte: De keuzes binnen een productgroep
Hoogte: Het prijsniveau
Lengte: De voorraad/totaal aantal artikelen
Consistentie: De onderlinge samenhang van de productgroepen
Assortimentsbeslissingen:
Reden voor wijzigingen:
-Vraag van klant
- Te lage omloopsnelheid
- te weinig omzet
-nieuw product
-leveranciers stoppen ermee
-past het bij winkelformule?
-past het bij de rest van het assortiment
Kannibalisme: Als je een nieuw product toevoegt en daardoor de omzet van een ander product sterk
omlaaggaat.
Reden voor kannibalisme:
-Goedkopere variant
-nieuwe doelgroep
-concurrent na apen
-vraag van doelgroep
Parallellisatie: Het toevoegen van producten aan het assortiment. Maakt het assortiment breder niet
dieper. Risico op branche vervaging
Specialisatie: Het versmallen van het assortiment, je haalt producten uit het assortiment.
(speciaalzaak)
, Saneren: Het gezond maken van het assortiment door slecht verkopenede of niet passsende
product(groep)en te verwijderen.
Penetratiegraad: Het aantal afnemers van een product : potentieel aantal afnemers x 100%
Distributie – intensiteit: Het aantal verkooppunten die het product verkoopt (aantal winkels)
Intensieve distributie: het product wordt op zoveel mogelijk verkooppunten aangeboden(verkocht)
Selectieve distributie: De fabrikant of leverancier selecteert op welke verkooppunten het product
verkrijgbaar is.
Exclusieve distributie: Slechts een 1 detaillist die het product aanbied.
Bruto Rendement 1: (Brutowinst : Gemiddelde voorraad (tegen inkoopprijs) x 100%)
Bruto rendement 2: (omloopsnelheid x Brutowinst in % van de inkoop)
Omloopsnelheid: (Inkoopwaarde van de omzet : gemiddelde voorraad tegen inkoopprijs)
Kenmerken van een Sterkmerk:
-Onderscheidend vermogen – herkenbaar
- goede relatie met omgeving – doet en visie
- consequente en herkenbare reclame
- Innovatief
Merken in het assortiment:
Fabrikantenmerk: Collectief (allemaal zelfde merk), Individueel (allemaal eigen merk)
Winkeliersmerk: Winkelnaam(op het product zoals hema), eigenmerk
A merken: Grote naamsbekendheid en grote reputatie.
B merken: Minder grote naamsbekendheid en lagere kwaliteit.
C merken: weinig naamsbekendheid, goedkoop.
Keurmerken: een kwaliteitstempel, een goedkeuring van een externe organisatie.
Service voor de verkoop: informatie en advies
Service tijdens de verkoop: meerdere betaalmethoden.
Tijdens de verkoop: Garantie.
inkoopkanalen : groothandel, een agent, een exporteur.
Invloed van producent op inkoopproces:
Pushstrategie: De producent stimuleert de handel om producten in te kopen door: Korting,
winstmarges, bonussen, kredieten, displays.
Pull strategie: De consument vraagt zelf om het product bijv. door consumenten reclame.
1. Assortimensbeleid
2.inkoopbeleid
3. Prijsbeleid
4.Promotiebeleid
5. commerciële presentaties
1. Assortimensbeleid
4 functies van het assortiment:
Kernassortiment: Herkenbaar voor de klant
Randassortiment: Imago, Service, Klantbinding, extra omzet
Proefassortiment: Nieuwe producten.
Uitloopassortiment: Artikelen waar je vanaf wilt.
De Retailmix: product, prijs, plaats, personeel, promotie, en commerciële presentatie.
5 dimensies van het assortiment:
Breedte: Het aantal verschillende productgroepen.
Diepte: De keuzes binnen een productgroep
Hoogte: Het prijsniveau
Lengte: De voorraad/totaal aantal artikelen
Consistentie: De onderlinge samenhang van de productgroepen
Assortimentsbeslissingen:
Reden voor wijzigingen:
-Vraag van klant
- Te lage omloopsnelheid
- te weinig omzet
-nieuw product
-leveranciers stoppen ermee
-past het bij winkelformule?
-past het bij de rest van het assortiment
Kannibalisme: Als je een nieuw product toevoegt en daardoor de omzet van een ander product sterk
omlaaggaat.
Reden voor kannibalisme:
-Goedkopere variant
-nieuwe doelgroep
-concurrent na apen
-vraag van doelgroep
Parallellisatie: Het toevoegen van producten aan het assortiment. Maakt het assortiment breder niet
dieper. Risico op branche vervaging
Specialisatie: Het versmallen van het assortiment, je haalt producten uit het assortiment.
(speciaalzaak)
, Saneren: Het gezond maken van het assortiment door slecht verkopenede of niet passsende
product(groep)en te verwijderen.
Penetratiegraad: Het aantal afnemers van een product : potentieel aantal afnemers x 100%
Distributie – intensiteit: Het aantal verkooppunten die het product verkoopt (aantal winkels)
Intensieve distributie: het product wordt op zoveel mogelijk verkooppunten aangeboden(verkocht)
Selectieve distributie: De fabrikant of leverancier selecteert op welke verkooppunten het product
verkrijgbaar is.
Exclusieve distributie: Slechts een 1 detaillist die het product aanbied.
Bruto Rendement 1: (Brutowinst : Gemiddelde voorraad (tegen inkoopprijs) x 100%)
Bruto rendement 2: (omloopsnelheid x Brutowinst in % van de inkoop)
Omloopsnelheid: (Inkoopwaarde van de omzet : gemiddelde voorraad tegen inkoopprijs)
Kenmerken van een Sterkmerk:
-Onderscheidend vermogen – herkenbaar
- goede relatie met omgeving – doet en visie
- consequente en herkenbare reclame
- Innovatief
Merken in het assortiment:
Fabrikantenmerk: Collectief (allemaal zelfde merk), Individueel (allemaal eigen merk)
Winkeliersmerk: Winkelnaam(op het product zoals hema), eigenmerk
A merken: Grote naamsbekendheid en grote reputatie.
B merken: Minder grote naamsbekendheid en lagere kwaliteit.
C merken: weinig naamsbekendheid, goedkoop.
Keurmerken: een kwaliteitstempel, een goedkeuring van een externe organisatie.
Service voor de verkoop: informatie en advies
Service tijdens de verkoop: meerdere betaalmethoden.
Tijdens de verkoop: Garantie.
inkoopkanalen : groothandel, een agent, een exporteur.
Invloed van producent op inkoopproces:
Pushstrategie: De producent stimuleert de handel om producten in te kopen door: Korting,
winstmarges, bonussen, kredieten, displays.
Pull strategie: De consument vraagt zelf om het product bijv. door consumenten reclame.