Week 1
Minstens 1 van de 7 afwijkende gedragingen moet voorkomen om te kunnen spreken van
'abnormaal' of pathologisch gedrag (7 factoren van Seligman et al.), niet allemaal.
Om te spreken van mentale stoornis volgens de DSM5 moet het gedrag samen gaan met:
1. Actueel lijden of
2. Onvermogen (tekort schieten in functioneren) of met
3. Significant toegenomen risico om dood te gaan, pijn te lijden of persoonlijke vrijheid te
verliezen
EN
Het syndroom mag niet:
1. Een te verwachten cultureel aanvaarde reactie zijn op een gebeurtenis (bijv. rouw na dood
familielid)
2. Bestaan uit 'deviant' gedrag (over politiek, religieus, seksueel)
3. Een uitvloeisel zijn van conflicten tussen individu en maatschappij (bijv. milieuorganisatie)
Leerproces: Ontogenetische adaptatie: aanpassingen van een individu tijdens zijn
ontwikkeling (dus binnen één levensloop), in reactie op de omgeving, die gericht zijn op
overleving en functioneren op korte termijn.
Latente inhibitie is het verschijnsel dat je minder snel iets nieuws leert over een stimulus
waaraan je al gewend bent; je negeert het sneller omdat het eerder onbelangrijk bleek.
Inflatie effect: nare aversieve prikkel na een milde aversieve prikkel zorgt ervoor dat de
milde prikkel de angst verhoogt.
Generalisatie: bijv Little albert niet alleen bang voor witte rat maar later ook voor wit konijn
Extinctie leren = Het afleren van een eerder aangeleerde respons, doordat de
bekrachtiging (beloning of straf) wegblijft.
- Komt voor in klassieke én operante conditionering.
- Je leert dat het oude verband niet meer geldt, dus het gedrag dooft uit.
- Gebruikt bij exposure therapie
Acquisitie leren = Leren door ervaring, oefening of imitatie.
Spontaan herstel = terugval in voorwaardelijke respons, ookal is de prikkel er niet, door
falen in extinctie geheugen buiten de extinctie context.
Contraconditionering = het aanleren van een nieuwe, positieve reactie op een stimulus die
eerder een negatieve reactie opriep, om zo de oude reactie te vervangen.
DRO = alleen belonen wanneer een ongewenst gedrag níét voorkomt, waardoor je
gewenste gedragingen bekrachtigt.
,Cognitieve benadering: informatieverwerkingsproces:
- primary appraisal: inschatting maken van mate van bedreiging van situatie
- secondary appraisal: strategie bedenken
Schema’s zijn impliciete kennis (onbewust).
Werkgeheugen is beperkt tot 5-7 chunks.
Bij
disconfirmerende ervaringen:
- Assimilatie: nieuwe informatie wordt vervormd, zodat het alsnog in t schema past
- Accommodatie: schema wordt aangepast, zodat nieuwe informatie erin past
Aandachtsbias: aandacht selectief richten op bepaald aspect, ten koste van andere
betekenisvolle aspecten (bijv bij angst/paniekstoornis, alleen op dreiging).
→ falen toeschrijven aan externe factoren en succes toeschrijven aan karakter.
Cognitieve therapie zegt: psychopathologie komt door wijze waarop mensen informatie
verwerken. Het doel is verandering van schema’s.
Psychodynamische benadering: Freud: psychische klachten komen door onderliggende,
onbewuste emotionele conflicten en trauma’s uit kindertijd (onder de ijsberg).
Overdracht = Wanneer de cliënt onbewust gevoelens of verwachtingen uit vroegere relaties
projecteert op de therapeut.
Tegenoverdracht = De
therapeut reageert (bewust of
onbewust) met eigen
gevoelens op de cliënt, vaak
vanuit zijn/haar eigen
verleden.
Verdringing: herinneringen
onbewust met
afweermechanismen
vertekenen/verwerken:
- Loochenen = het psychologisch afweren of ontkennen van een pijnlijke realiteit of
waarheid, vaak onbewust, om emotionele bescherming te bieden.
- Projectie = eigen emoties afkeuren en aan ander toeschrijven
, Blauwdruk van vroegkinderlijke herinneringen in impliciete geheugen = impliciete zelf
‘dit heb ik meegemaakt en daarom ben ik nu wie ik ben’ = subjectieve zelf
Van een afstand naar jezelf kijken en op jezelf reflecteren = objectiverend zelf
Freud:
5 afweermechanismen:
- regressie: terugval naar eerder gedrag uit eerder stadium; bijv huilen/stampvoeten
- reactievorming: tegenovergestelde uiten van wat je echt voelt (bv passief agressief)
- projectie: je eigen onaanvaardbare gevoelens toeschrijven aan een ander
- rationalisering: je gevoelens fraaier voorstellen dan ze zijn / logisch goedpraten
- ontkenning: uiten van gedachten maar dan spontaan terugtrekken/niet erkennen
Ontwikkelingspathologie: sommige psychische functies zijn onvoldoende ontwikkeld
- affecten: lichamelijke signalen van baby’s waarmee ze belevingswereld vormen
- emotieregulatie: daarna besef dat deze affecten betekenis kunnen krijgen
Objectrelatie Psychologie: mensen zijn vanaf hun eerste levensdag al relationeel
georiënteerd en relationele ervaringen leggen de basis voor hun innerlijke structuur.
Klein: vanaf vroege fase in paranoïde-schizoïde positie: kind kan moeder slechts als goed
of slecht zien.
Zelfpsychologie:
- zelfcohesie; samenhang
- zelfcontinuiteit; stabiliteit
- zelfwaardering
Bij narcisme → moeite met handhaven van deze drie, geheel opzichzelf gericht
- primair narcisme: aangeboren, natuurlijke zelfgerichte liefde van een baby voor
zichzelf.
- secundair narcisme: wanneer iemands libido zich terugtrekt van externe objecten
en weer op zichzelf richt, vaak als verdedigingsmechanisme
DUS 2 vormen van psychopathalogie volgens psychoanalytische denken:
Minstens 1 van de 7 afwijkende gedragingen moet voorkomen om te kunnen spreken van
'abnormaal' of pathologisch gedrag (7 factoren van Seligman et al.), niet allemaal.
Om te spreken van mentale stoornis volgens de DSM5 moet het gedrag samen gaan met:
1. Actueel lijden of
2. Onvermogen (tekort schieten in functioneren) of met
3. Significant toegenomen risico om dood te gaan, pijn te lijden of persoonlijke vrijheid te
verliezen
EN
Het syndroom mag niet:
1. Een te verwachten cultureel aanvaarde reactie zijn op een gebeurtenis (bijv. rouw na dood
familielid)
2. Bestaan uit 'deviant' gedrag (over politiek, religieus, seksueel)
3. Een uitvloeisel zijn van conflicten tussen individu en maatschappij (bijv. milieuorganisatie)
Leerproces: Ontogenetische adaptatie: aanpassingen van een individu tijdens zijn
ontwikkeling (dus binnen één levensloop), in reactie op de omgeving, die gericht zijn op
overleving en functioneren op korte termijn.
Latente inhibitie is het verschijnsel dat je minder snel iets nieuws leert over een stimulus
waaraan je al gewend bent; je negeert het sneller omdat het eerder onbelangrijk bleek.
Inflatie effect: nare aversieve prikkel na een milde aversieve prikkel zorgt ervoor dat de
milde prikkel de angst verhoogt.
Generalisatie: bijv Little albert niet alleen bang voor witte rat maar later ook voor wit konijn
Extinctie leren = Het afleren van een eerder aangeleerde respons, doordat de
bekrachtiging (beloning of straf) wegblijft.
- Komt voor in klassieke én operante conditionering.
- Je leert dat het oude verband niet meer geldt, dus het gedrag dooft uit.
- Gebruikt bij exposure therapie
Acquisitie leren = Leren door ervaring, oefening of imitatie.
Spontaan herstel = terugval in voorwaardelijke respons, ookal is de prikkel er niet, door
falen in extinctie geheugen buiten de extinctie context.
Contraconditionering = het aanleren van een nieuwe, positieve reactie op een stimulus die
eerder een negatieve reactie opriep, om zo de oude reactie te vervangen.
DRO = alleen belonen wanneer een ongewenst gedrag níét voorkomt, waardoor je
gewenste gedragingen bekrachtigt.
,Cognitieve benadering: informatieverwerkingsproces:
- primary appraisal: inschatting maken van mate van bedreiging van situatie
- secondary appraisal: strategie bedenken
Schema’s zijn impliciete kennis (onbewust).
Werkgeheugen is beperkt tot 5-7 chunks.
Bij
disconfirmerende ervaringen:
- Assimilatie: nieuwe informatie wordt vervormd, zodat het alsnog in t schema past
- Accommodatie: schema wordt aangepast, zodat nieuwe informatie erin past
Aandachtsbias: aandacht selectief richten op bepaald aspect, ten koste van andere
betekenisvolle aspecten (bijv bij angst/paniekstoornis, alleen op dreiging).
→ falen toeschrijven aan externe factoren en succes toeschrijven aan karakter.
Cognitieve therapie zegt: psychopathologie komt door wijze waarop mensen informatie
verwerken. Het doel is verandering van schema’s.
Psychodynamische benadering: Freud: psychische klachten komen door onderliggende,
onbewuste emotionele conflicten en trauma’s uit kindertijd (onder de ijsberg).
Overdracht = Wanneer de cliënt onbewust gevoelens of verwachtingen uit vroegere relaties
projecteert op de therapeut.
Tegenoverdracht = De
therapeut reageert (bewust of
onbewust) met eigen
gevoelens op de cliënt, vaak
vanuit zijn/haar eigen
verleden.
Verdringing: herinneringen
onbewust met
afweermechanismen
vertekenen/verwerken:
- Loochenen = het psychologisch afweren of ontkennen van een pijnlijke realiteit of
waarheid, vaak onbewust, om emotionele bescherming te bieden.
- Projectie = eigen emoties afkeuren en aan ander toeschrijven
, Blauwdruk van vroegkinderlijke herinneringen in impliciete geheugen = impliciete zelf
‘dit heb ik meegemaakt en daarom ben ik nu wie ik ben’ = subjectieve zelf
Van een afstand naar jezelf kijken en op jezelf reflecteren = objectiverend zelf
Freud:
5 afweermechanismen:
- regressie: terugval naar eerder gedrag uit eerder stadium; bijv huilen/stampvoeten
- reactievorming: tegenovergestelde uiten van wat je echt voelt (bv passief agressief)
- projectie: je eigen onaanvaardbare gevoelens toeschrijven aan een ander
- rationalisering: je gevoelens fraaier voorstellen dan ze zijn / logisch goedpraten
- ontkenning: uiten van gedachten maar dan spontaan terugtrekken/niet erkennen
Ontwikkelingspathologie: sommige psychische functies zijn onvoldoende ontwikkeld
- affecten: lichamelijke signalen van baby’s waarmee ze belevingswereld vormen
- emotieregulatie: daarna besef dat deze affecten betekenis kunnen krijgen
Objectrelatie Psychologie: mensen zijn vanaf hun eerste levensdag al relationeel
georiënteerd en relationele ervaringen leggen de basis voor hun innerlijke structuur.
Klein: vanaf vroege fase in paranoïde-schizoïde positie: kind kan moeder slechts als goed
of slecht zien.
Zelfpsychologie:
- zelfcohesie; samenhang
- zelfcontinuiteit; stabiliteit
- zelfwaardering
Bij narcisme → moeite met handhaven van deze drie, geheel opzichzelf gericht
- primair narcisme: aangeboren, natuurlijke zelfgerichte liefde van een baby voor
zichzelf.
- secundair narcisme: wanneer iemands libido zich terugtrekt van externe objecten
en weer op zichzelf richt, vaak als verdedigingsmechanisme
DUS 2 vormen van psychopathalogie volgens psychoanalytische denken: