Neurologie leerdoelen
1. De student past de anatomische posities en richtingen toe in casuïstiek.
2. De student maakt onderscheid tussen de verschillende anatomische structuren en functies
van centraal en perifeer zenuwstelsel in casuïstiek.
3. De student vat de fysiologische kenmerken van de embryonale ontwikkeling en de algemene
structuur van het centraal en perifeer zenuwstelsel samen.
4. De student past de fysiologie van het zenuwstelsel en de neurofysiologische modellen toe in
casuïstiek.
5. De student maakt onderscheid tussen de twaalf hersenzenuwen en hun functie in casuïstiek.
1
,Week 1
Neurologie: de wetenschap die zich bezighoudt met de diagnostiek en behandeling van ziekten van
de hersenen, het ruggenmerg en de zenuwen.
Progressieve aandoeningen: wordt steeds erger (spier aandoeningen)
Hersenen: 15 cm breed, 16 cm lang, 15 cm hoog
Anatomie: de bouw, kijken naar structuur en organisatie
Fysiologie: de werking
Pathologie: ziekteleer
Anatomische posities en richtingen:
Mediaal: aan de binnenzijde, naar de middenlijn
toe
Lateraal: aan de buitenzijde, van de middenlijn
af
Ventraal: aan de buikzijde
Dorsaal: aan de rugzijde
Craniaal: aan de schedelzijde
Caudaal: aan de ‘’staartzijde’’
Dorsaal en ventraal is anders bij een dier!
Superior: de bovenkant
Inferior: de onderkant
Anterior: de voorzijde
Posterior: de achterzijde
Sagittaal: dwarsdoorsnede verticaal (li/re verdeling)
Coronaal: dwarsdoorsnede verticaal (voor/achter
verdeling)
Transversaal: dwarsdoorsnede horizontaal (boven/onder
verdeling)
Proximally: naar boven
Distally: naar beneden
2
, Centrale zenuwstelsel:
Anatomische indeling
Centraal zenuwstelsel: perifeer zenuwstelsel
Centraal (CZS): hersenen en ruggenmerg
Perifeer (PZS): verbindingen van en naar de organen/weefsels en het centrale zenuwstelsel.
Voornamelijk (hersenen) zenuwen die spieren, organen en ledematen innerveren.
Brain: brein
Central nervous system: centraal zenuw stelsel
Spinal cord: ruggenmerg
Neuronen/zenuwcellen: geleiding van impulsen
Gliacellen: voorzien zenuwcellen van voedingsstoffen, onderscheiden neuronen
Grijze stof: vlindervorm in je ruggenmerg
Neuronen: een zenuwcel of neuron bestaat uit de volgende onderdelen:
Cellichaam of soma + celkern (ontvangen informatie en geven dit
door)
Dendrieten (afferent) informatie komt binnen, stuurt naar het
cellichaam
Axon (efferent) leidt informatie naar de eindplaatjes
Eindplaatje: terminal button
Belangrijk voor het doorgeven van informatie!
Axon:
Steunweefselcellen (Schwann cellen)
Myelineschede voor snel transport (zonder deze cellen is het axon
te traag)
Insnoeringen van ranvier (inkepingen tussen de gele bolletjes,
schwann cellen)
Eindplaatje:
3
1. De student past de anatomische posities en richtingen toe in casuïstiek.
2. De student maakt onderscheid tussen de verschillende anatomische structuren en functies
van centraal en perifeer zenuwstelsel in casuïstiek.
3. De student vat de fysiologische kenmerken van de embryonale ontwikkeling en de algemene
structuur van het centraal en perifeer zenuwstelsel samen.
4. De student past de fysiologie van het zenuwstelsel en de neurofysiologische modellen toe in
casuïstiek.
5. De student maakt onderscheid tussen de twaalf hersenzenuwen en hun functie in casuïstiek.
1
,Week 1
Neurologie: de wetenschap die zich bezighoudt met de diagnostiek en behandeling van ziekten van
de hersenen, het ruggenmerg en de zenuwen.
Progressieve aandoeningen: wordt steeds erger (spier aandoeningen)
Hersenen: 15 cm breed, 16 cm lang, 15 cm hoog
Anatomie: de bouw, kijken naar structuur en organisatie
Fysiologie: de werking
Pathologie: ziekteleer
Anatomische posities en richtingen:
Mediaal: aan de binnenzijde, naar de middenlijn
toe
Lateraal: aan de buitenzijde, van de middenlijn
af
Ventraal: aan de buikzijde
Dorsaal: aan de rugzijde
Craniaal: aan de schedelzijde
Caudaal: aan de ‘’staartzijde’’
Dorsaal en ventraal is anders bij een dier!
Superior: de bovenkant
Inferior: de onderkant
Anterior: de voorzijde
Posterior: de achterzijde
Sagittaal: dwarsdoorsnede verticaal (li/re verdeling)
Coronaal: dwarsdoorsnede verticaal (voor/achter
verdeling)
Transversaal: dwarsdoorsnede horizontaal (boven/onder
verdeling)
Proximally: naar boven
Distally: naar beneden
2
, Centrale zenuwstelsel:
Anatomische indeling
Centraal zenuwstelsel: perifeer zenuwstelsel
Centraal (CZS): hersenen en ruggenmerg
Perifeer (PZS): verbindingen van en naar de organen/weefsels en het centrale zenuwstelsel.
Voornamelijk (hersenen) zenuwen die spieren, organen en ledematen innerveren.
Brain: brein
Central nervous system: centraal zenuw stelsel
Spinal cord: ruggenmerg
Neuronen/zenuwcellen: geleiding van impulsen
Gliacellen: voorzien zenuwcellen van voedingsstoffen, onderscheiden neuronen
Grijze stof: vlindervorm in je ruggenmerg
Neuronen: een zenuwcel of neuron bestaat uit de volgende onderdelen:
Cellichaam of soma + celkern (ontvangen informatie en geven dit
door)
Dendrieten (afferent) informatie komt binnen, stuurt naar het
cellichaam
Axon (efferent) leidt informatie naar de eindplaatjes
Eindplaatje: terminal button
Belangrijk voor het doorgeven van informatie!
Axon:
Steunweefselcellen (Schwann cellen)
Myelineschede voor snel transport (zonder deze cellen is het axon
te traag)
Insnoeringen van ranvier (inkepingen tussen de gele bolletjes,
schwann cellen)
Eindplaatje:
3