Tussen Wet en Wetenschap: de psychologie van het recht
Hoofdstuk 1. Over de rechtspsychologie:
Het gehele proces van opsporing, vervolging en berechting vormt een context waarin de
psychologie een belangrijke rol speelt. De rechtspsychologie omvat alle facetten van
menselijk gedrag binnen die forensische context. Het houdt zich bezig met hoe mensen zich
gedragen en aan welke invloeden zij daarbij onderhevig zijn.
Het recht is een normatief systeem dat erop gericht is schuldigen op te sporen, te vervolgen
en te berechten en onschuldigen te beschermen tegen vervolging en bestraffing.
Rechtspsychologie is een descriptieve wetenschap; het houdt zich bezig met hoe mensen
zich daadwerkelijk gedragen; hoe beslissingen worden genomen en welke rol de normatieve
rechtsregels daarin spelen. De rechtspsycholoog buigt zich over menselijke functies als
waarnemen, zich herinneren en beslissen.
William Stern: Grondlegger van de rechtspsychologie: William Stern.
->Wirklichkeitsversuche (mock crimes).
Jan van der Aa: Eerste Nederlander die een Wirklichkeitsversuche uitvoerde tijdens
college.
Hans Crombag: Een theorie over rechtelijke beslissingen-> boek over onderzoek naar
rechtelijke beslissingen.
Deelgebieden van deskundigheid in strafzaken:
-Validiteit van verklaringen:
Validiteit (in de rechtspsychologie): De mate waarin de verklaring overeenkomt met wat er is
gebeurd. Om de validiteit van een verklaring te kunnen onderzoeken moet de
rechtspsycholoog onder andere beoordelen in hoeverre specifieke omstandigheden tijdens
het verhoor de verklaring kunnen hebben beïnvloed.
-Leugendetectie:
Evaluaties van verbale en non-verbale leugendetectietechnieken, alsmede testen waarmee
het stimuleren van stoornissen kan worden gedetecteerd (gebeurt vrijwel nooit in Nederland).
-Bewijs en bewijsvergaring.
Brede analyses over bijvoorbeeld biases (structurele denkfouten) en nauwe analyses over
bijvoorbeeld een evaluatie van een uitgevoerde herkenningsprocedure.
Hoofdstuk 2. Klassieke experimenten in de rechtspsychologie:
Rechtspsychologische kernexperimenten:
-Suggestie en de invloed van post-hocinformatie: Het experiment van Loftus met botsende
auto’s:
->Eerste experiment: Ze lieten 45 studenten kijken naar een video waar 2 auto’s met elkaar
in aanrijding kwamen. Daarna werden de studenten in 2 groepen geplaats en werd er aan de
ene groep (groep 1) gevraagd hoe hard de auto’s reden voordat ze met elkaar in contact
kwamen en aan de andere groep (groep 2) werd gevraagd hoe hard de auto’s reden voor ze
tegen elkaar aan botsten. Groep 1 dacht dat ze gemiddeld 31 km (met elkaar in contact)
reden en groep 2 gemiddeld 41 km (botsten). De eenvoudige suggestie van een hevigere
klap door de woordkeuze in de vraagstelling zorgde voor een hogere inschatting van de
snelheid. Conclusie: De vorm van een vraag kan het antwoord van getuigen beïnvloeden.
->Tweede experiment: 150 studenten kregen een dezelfde video te zien van de aanrijding
van twee auto’s. Vijftig studenten kregen een vragenlijst met daarin de vraag: hoe hard de
auto’s reden voor ze tegen elkaar aan botsten. Vijftig anderen studenten kregen dezelfde
vragen lijst alleen dan was het woord botsten vervangen door elkaar raakten. Vijftig anderen
krijgen geen vragenlijst. Een week later kregen alle studenten een vragen lijst met de vraag
of ze gebroken glas hadden gezien (dit was overigens niet te zien geweest). Van de groep
,zonder vragenlijst beweerde 12% dat ze het gezien hadden en van de studenten die een
vragenlijst kregen met botsten beweerde 32% dat ze dat gezien hadden. De studenten die
dus de vragenlijst met botsten hadden gekregen herinnerden zich onterecht vaker glas te
hebben gezien als de studenten uit de andere groepen. Met dit onderzoek werd getoond dat
een suggestieve vraag de originele herinnering kan vervormen en misinformatie
geïntegreerd wordt in het authentieke geheugenspoor.
->Derde experiment: Proefpersonen kregen foto’s te zien van een ongeval waarbij een auto
(Datsun) en een persoon betrokken waren. De helft kreeg foto’s te zien met daarop bij het
kruispunt een normaal voorrangsbord (yield sign) en de andere helft een bord met een
stopgebod (stop sign). De ene helft proefpersonen kregen weer een vragenlijst met onder
andere de vraag: Passeerde een andere auto de rode Datsun terwijl deze stopte voor het
stopgebod? De andere helft kreeg dezelfde vragenlijst maar dan met yield sign in plaats van
stop sign. De vragenlijsten werden zodanig over de proefpersonen verdeeld dat voor de helft
de vraag misleidend was en voor de andere helft niet. Het experiment liet zien dat veel
proefpersonen valse herinneringen kregen.
-Veranderingsblidheid: de deurstudie:
Onderzoek naar het vermogen van mensen om veranderingen in visuele informatie te
detecteren. Het ging om een persoonswisseling doormiddel van een deur die het zicht van
iemand tijdelijk blokkeerde. Meer dan de helft van de mensen had de persoonsverwisseling
niet opgemerkt. Bij hen was sprake van zogeheten veranderingsblindheid. De studie laat
zien dat veranderingsblindheid vooral voorkomt als mensen informatie op een oppervlakkige
wijze encoderen. Veranderingsblindheid kan ook optreden bij ooggetuigen van een delict.
Veranderingsblindheid kan ook een verklaring bieden voor het gegeven waarom
onschuldigen die toevallig op de plaats delict aanwezig zijn, door ooggetuigen soms voor
daders worden gehouden. Zo zou een dader die een gebouw binnengaat, kunnen worden
verward met een onschuldige die even later het gebouw verlaat.
-Valse bekentenissen: Het Alt-toets-experiment van Kassin en Kiechel:
Het Alt-toets-experiment liet in een laboratoriumsetting zien onder welke omstandigheden
mensen overgaan tot het bekennen van iets dat zij niet gedaan hebben. Er werd onderzocht
of en in welke mate mensen iets bekennen dat zij niet gedaan hebben ten gevolge van de
confrontatie met vals bewijs. Daarnaast werd onderzocht in welke mate valse bekenners
deze bekentenis ook internaliseren; dat wil zeggen, zelf zijn gaan geloven dat hetgeen
waarvan men beschuldigd wordt ook daadwerkelijk gebeurd is. Er werd aan de deelnemers
gevraagd of men zich in details kon herinneren hoe en waarom men de Alt-toets had
aangeraakt. Er werd ook onderzocht of de op die wijze tot stand gekomen valse bekentenis
ook tot valse herinneringen aan het voorval had geleid (confabuleren). Kritiek op het Alt-
toets-experiment is dat de generaliseerbaarheid (externe validiteit) niet hoog is.
-Commissies in het geheugen: Crashing memories en het probleem van source monitoring:
Loftus demonstreerde dat het geheugen over waarnemingen met informatie die achteraf
wordt gegeven of die door de woordkeuze in een vraag verscholen ligt, een herkenning kan
worden gekleurd of aangepast. Nu was de vraag of het mogelijk is om het geheugen van
getuigen dusdanig aan te passen dat de getuigen informatie die zij niet uit eigen waarneming
konden hebben, tot een authentieke herinnering zouden bombarderen. Dit werd onderzocht
met een experiment over niet bestaande videobeelden van heftige gebeurtenissen. Zonder
die beelden te hebben gezien blijkt dat meer dan de helft van de mensen rapporteert dat zij
die wel hebben waargenomen. Zij vullen het verhaal ook aan met niet waargenomen details.
Inferentie van kennis heeft hier een groot aandeel in (algemene beelden in je hoofd van hoe
iets bijvoorbeeld explodeert). Daarnaast moet het inferentieproces ook nog foutief worden
genormeerd als een externe bron van kennis; dat de foutieve afweging wordt gemaakt als
wordt beslist of de beelden zijn gebaseerd op fantasie – een interne bron van kennis – of op
een waarneming – een externe bron (source monitoring error, bronverwarring).
-Simpele pseudoherinneringen: Het Dreese-Roediger-McDermott-paradigma (DRM):
Het DRM-paradigma bestaat uit het aanleren door proefpersonen van een lijst van woorden.
Die woorden zijn sterk geassocieerd met één woord (critical lure, lokwoord), dat niet is
opgenomen in de lijst. Als je mensen na het lezen van de lijst vraagt om de woorden die ze
, hebben onthouden op de noemen, benoemen ze volgens Dreese vaak ook het lokwoord. Het
vermelden dat een lokwoord is opgenomen in de lijst, wordt door Roediger en McDermott als
een pseudoherinnering aangemerkt. Het accepteren van een lokwoord kan op twee
manieren worden verklaard:
Activation/monitoring-theorie: Er moet een bronfout worden gemaakt, iemand vergist zich
in de vraag of een woord nu vanuit een externe bron afkomstig is of vanuit een eigen
gedachte.
Fuzzy-trace theorie: Van ervaringen blijven twee geheugensporen achter.
(1) Het letterlijk spoor waarin alle kenmerken van de ervaring worden vastgelegd (verbatim-
herinnering). Verdwijnen eerder uit het geheugen.
(2) Algemeen geheugenspoor (de gist). Blijven bestaan.
De verklaring voor het accepteren van een lokwoord zit hem erin dat lokwoorden
overeenkomen met de gist van de woordenlijst en dat het letterlijke geheugenspoor
verdwenen is.
-Compliance: Het experiment van Asch naar groepsconformiteit bij het schatten van
lijnlengtes:
De experimenten van Asch laten zien dat mensen geneigd zijn om zich aan een
meerderheidsstandpunt aan te passen, zelfs als het glashelder is dat dat standpunt onjuist
is. Die neiging wordt compliance, groepsconformiteit of meegaandheid genoemd.
Groepsconformiteit wordt gezien als een van de processen die het optreden van tunnelvisie
in groepen kunnen versterken.
-Gehoorzaamheid: het Milgram-experiment met elektrische schokken:
Twee verklaringen:
->Theorie van het conformisme.
->De persoon begint zichzelf te zien als een instrument dat de wensen van een ander
uitvoert en ziet zichzelf dan ook niet langer als verantwoordelijke voor zijn acties.
-Effect van dossierkennis vooraf op het bewijsoordeel van rechters: Het onderzoek van
Schünemann:
Als mensen zich een mening over een bepaald onderwerp hebben gevormd, zijn zij geneigd
vast te houden aan die mening, zelfs als hen informatie bereikt die de grondslag over die
mening wegslaat. ->Belief perserverance. De resultaten uit dit onderzoek laten zien dat het
bewijsoordeel van rechters wordt beïnvloed door dossierinformatie die zij voorafgaand aan
de behandeling van de zaak hebben ontvangen.
Replicatie en reproduceerbaarheid:
Onafhankelijke herhaling van bevindingen (replicatie) vergroot het vertrouwen in de
resultaten van wetenschappelijk onderzoek
Hoofdstuk 3. Rechtspsychologie en strafrecht: een gelukkig huwelijk?
Interactie in concrete zaken:
In de rechtszaal treffen rechtspsychologen en juristen elkaar bij de gelegenheid naar
aanleiding van het uitbrengen van rechtspsychologisch deskundigenadvies op initiatief van
procespartijen, de rechter-commissaris en de zittingsrechter. Er kan bijvoorbeeld gevraagd
worden om een rapport op te stellen over de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring of
een verklaring van een verdachte, of – iets specifieker – over een bepaalde verhoormethode
of de totstandkoming van een verklaring. Zij (ovj’s of rechters) kunnen dat doen op eigen
initiatief (ambtshalve) of op verzoek van de verdediging. Niet elk verzoek leidt tot benoeming
van een deskundige, zo maakt het bijvoorbeeld uit in welke fase van het proces het verzoek
gedaan wordt. Voor verzoeken die pas worden gedaan bij aanvang van of tijdens het
onderzoek terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld, geldt namelijk een
strenger juridisch criterium en is afwijzing eerder mogelijk. Ook als de het voor de rechters
duidelijk is dat de zaak zal uitmonden in een vrijspraak zal een verzoek van de verdediging
worden afgewezen. De rechter is ook niet gehouden om de conclusies van de deskundige
over te nemen. Wel zal hij zijn beslissing om af te wijken van de inhoud van het