Hoofdstuk 1: Introductie
Het definiëren en identificeren van abnormaliteit
Er zijn complexe kwesties bij het definiëren en onderscheiden van psychopathologie. De criteria
voor afwijkingen zijn voornamelijk gebaseerd op hoe een persoon zich gedraagt of wat een
persoon zegt en omvatten zelden een specifieke bekende marker voor een stoornis.
Atypisch en schadelijk gedrag
Psychologische problemen worden vaak gezien als atypisch, vreemd of abnormaal. Echter,
atypisch zijn op zich definieert nauwelijks psychopathologie. Mensen met hoge intelligentie zijn
ook atypisch, maar hier wordt juist op een positieve manier tegenop gekeken. Abnormaliteit of
psychopathologie wordt gezien als een belemmering voor de aanpassing, dat wil zeggen, voor
individuen die zich aanpassen aan de omstandigheden van hun leven. Psychopathologie
hindert of voorkomt dat de jonge persoon de ontwikkelingsopgaven succesvol kan ontwikkelen.
Ontwikkeling standaarden
Ontwikkelingsniveau is altijd van belang op het moment dat je gedrag wilt beoordelen, maar
vooral als het aankomt op het beoordelen van kinderen en adolescenten. De beoordeling van
gedrag hangt af van ontwikkelingsnormen; die de typische groeisnelheden, sequenties van
groei en vormen van fysieke vaardigheden, taal, cognitie, emotie en sociaal gedrag beschrijven.
Ze geven het standaard waardoor het mogelijk is om te identificeren of er iets mis is.
Cultuur en ras/etniciteit
Cultuur; omvat het idee dat groepen mensen op specifieke manieren georganiseerd zijn, in
specifieke milieu niches leven en specifieke houdingen, overtuigingen, waarden, praktijken en
gedragsnormen delen. Culturele analyses beschrijven de vele manieren waarop kinderen
normale en abnormale ontwikkeling vormgeven en ook psychopathologie conceptueel
begrijpen, uitleggen en behandelen. Cultuur normen; hebben een brede invloed op
verwachtingen, oordelen en overtuigingen over het gedrag van jongeren. De invloed van cultuur
is niet alleen zichtbaar in termen van verwachtingen, maar ook in termen van ouderlijke
houdingen en gedragingen. Er is bijvoorbeeld een onderzoek gedaan waar ze het niveau van
uitdagend ouderschap gedrag (CPB) in 2 landen hebben vergeleken. Hier is gevonden dat
hogere levels van CPB is geassocieerd met een verminderd risico voor angstproblemen bij
kinderen. Discussies over culturele kwesties met betrekking tot abnormaliteit worden vaak kader
gezet in termen van etniciteit en ras. Etniciteit; gemeenschappelijke gebruiken, waarden, taal of
kenmerken die geassocieerd worden met nationale oorsprong of geografische locatie. Ras;
gebaseerd op fysieke kenmerken, kan ook geassocieerd worden met gedeelde gebruiken,
waarden en dergelijke.
Andere standaarden: gender en situaties
Gendernormen beïnvloeden de ontwikkeling aanzienlijk; ze beïnvloeden emoties, gedragingen,
mogelijkheden en keuzes. De gender stereotypen spelen een rol in oordelen over normaliteit.
We zouden waarschijnlijk minder geneigd zijn om ons zorgen te maken over het
hypersensitieve, verlegen meisje en de overmatig dominante jongen dan over hun tegenhanger
van het andere geslacht. Situationele normen; wat verwacht wordt in specifieke settings of
,sociale situaties beïnvloedt ook het oordeel. Energiek rennen kan op een speelplaats heel
acceptabel zijn, maar niet toegestaan in een bibliotheek. Individuen in alle culturen worden
geacht te leren wat acceptabel is, gegeven bepaalde situaties, hun leeftijd en geslacht.
Wanneer ze dat niet doen, kan hun competentie of sociale aanpassing in twijfel worden
getrokken.
De rol van andere
Jonge kinderen hebben nog niet de mogelijkheid om zichzelf aan te geven voor klinische
controle, dit wordt verwacht van de ouders als die een probleem constateren of de docent. En
hierbij moet ook rekening gehouden worden dat iedereen abnormaliteit anders kan zien.
Veranderde kijk op abnormaliteit
Daarnaast is de kijk op abnormaliteit niet iets wat continu hetzelfde blijft. Bijvoorbeeld,
masturbatie werd beschouwd als een teken van verstoring of een gedrag dat krankzinnig kon
maken. Psychopathologie kan niet simpelweg worden gedefinieerd als een entiteit die binnen
een persoon wordt mee gedragen. Het is het meest geschikt om het te zien als een oordeel dat
het gedrag, de emoties of dingen van een persoon atypisch, disfunctioneel en op een bepaalde
manier schadelijk zijn. Een oordeel dat kennis vereist over ontwikkeling, culturele en etnische
invloeden, sociale normen en de mensen die het oordeel vellen.
Hoe gebruikelijk zijn psychologische problemen
De prevalentie van gedrags- of psychische stoornissen geeft aan in hoeverre preventie,
behandeling en onderzoek nodig zijn. De frequentie hangt af van verschillende factoren (hoe de
stoornis wordt gedefinieerd, verschillende meetmethoden en de bron van informatie). Jongeren
hebben grote psychische behoeften, maar problemen worden vaak niet herkend en
behandelingen blijven uit of zijn onvoldoende. Hoewel er effectieve interventies bestaan, is de
implementatie en toegankelijkheid beperkt, vooral in achtergestelde gemeenschappen. Vroege
stoornissen verstoren ontwikkeling, vergroten latere problemen en veroorzaken hoge
maatschappelijke en economische kosten. Veel ernstige psychische aandoeningen bij
volwassenen beginnen al in de jeugd.
Hoe zijn ontwikkeling levels en stoornissen gerelateerd
Psychologische problemen hangen samen met ontwikkelingsniveau en leeftijd van eerste
optreden. Sommige stoornissen verschijnen voorspelbaar (bv. taalproblemen bij jonge
kinderen), andere ontwikkelen zich geleidelijk of verschillen per geslacht en context. Vroege
herkenning is belangrijk: een jong begin duidt vaak op ernstigere of genetische oorzaken, terwijl
later begin meer ontwikkelings- of omgevingsinvloeden suggereert. Kennis van typische leeftijd
van aanvang helpt bij etiologie, beoordeling van ernst en vroege signalering, wat preventie en
effectieve behandeling bevordert.
Hoe zijn gender en stoornissen gerelateerd
Jarenlang werd gender in jeugdpsychopathologie genegeerd, maar onderzoek toont duidelijke
verschillen. Jongens hebben vaker stoornissen in het algemeen, vooral vroege neurologische
ontwikkelingsstoornissen; meisjes zijn kwetsbaarder voor emotionele en eetstoornissen in de
,adolescentie. Verschillen bestaan niet alleen in frequentie, maar ook in uitingsvorm (fysieke
agressie bij jongens vs. relationele agressie bij meisjes) en in verloop van externaliserende en
internaliserende problemen. Oorzaken, ernst en gevolgen variëren per geslacht, maar er blijft
veel onbekend en methodologische aandacht is nodig.
Methodologische kwesties, echte verschillen
Gerapporteerde genderverschillen in psychopathologie kunnen deels ontstaan door
methodologische bias: vroeger lag de focus vooral op jongens, meisjes rapporteren problemen
anders en klinische steekproeven zijn vaak scheef doordat storend gedrag (vaker bij jongens)
sneller tot doorverwijzing leidt. Hierdoor worden stoornissen vaak beschreven vanuit het
jongensprofiel, waardoor meisjes minder snel worden herkend (bv. bij ADHD). Toch bestaan er
ook echte verschillen, veroorzaakt door biologische factoren (chromosomen, hormonen,
hersenontwikkeling, stressreacties) en psychosociale invloeden (risico’s zoals hersenletsel,
pesten of seksueel misbruik, sekserollen, verwachtingen en sociale ervaringen). Deze
gecombineerde factoren verklaren waarom genderspecifieke kwetsbaarheden en
beschermende factoren leiden tot verschillen in psychopathologie.
Historische invloeden
Aanvankelijk richtte de aandacht voor gedragsstoornissen zich vooral op volwassenen, deels
omdat kinderen als mini-volwassenen werden gezien en hoge sterfte ouderlijke binding
verminderde. Vanaf de 17e eeuw werd kindertijd erkend als een fase met eigen behoeften. In
de 18e eeuw ontstonden uiteenlopende visies: kinderen als zondig, onschuldig of onbeschreven
lei. In de 19e eeuw werd adolescentie erkend als aparte overgangsfase. Deze uiteenlopende,
soms tegenstrijdige ideeën over kindertijd en adolescentie beïnvloeden nog steeds hoe
probleemgedrag wordt gezien en behandeld.
Processen in de 19e eeuw
In de 19e eeuw ontstonden pogingen om jeugdige groei, vaardigheden en gedragsproblemen
systematisch te bestuderen. Twee vroege verklaringen voor psychische stoornissen waren
demonologie (bezetenheid door geesten) en somatogenese (lichamelijke oorzaken). Tegen het
einde van de eeuw werd erfelijke degeneratie gezien als oorzaak van onomkeerbare ziekten.
Emil Kraepelin ontwikkelde een classificatiesysteem voor psychische stoornissen, gebaseerd op
syndromen en biologische oorzaken, dat de basis werd voor moderne systemen. Hoewel
onderzoek bij kinderen achterbleef, waren er al classificaties en oorzaken voor
kinderstoornissen zoals agressie, psychoses en mentale retardatie. Begin 20e eeuw
veranderden professionele en wetenschappelijke ontwikkelingen samen met progressieve
sociale bewegingen fundamenteel de kijk op kinder- en adolescentontwikkeling en behandeling
van problemen.
Sigmund Freud en psychoanalitische therorie
De psychoanalytische theorie van Freud introduceerde psychogenese: psychische problemen
ontstaan door psychologische conflicten, vaak uit de kindertijd. Freud verdeelde de geest in id,
ego en superego en beschreef afweermechanismen als beschermingsstrategie. Zijn
psychoseksuele fasen (oraal, anaal, fallisch, latentie, genitaal) bepalen volgens hem de
, persoonlijkheidsontwikkeling; onverwerkte crises in vroege fasen leiden tot problemen later.
Ondanks kritiek op casestudy-gebaseerd bewijs, beïnvloedde Freud de psychiatrie sterk. Latere
onderzoekers, zoals Erikson en Anna Freud, pasten de theorie aan met nadruk op sociale
invloeden en kindontwikkeling. Moderne psychoanalytische therapie richt zich op affect, relaties,
vroegere ervaringen en terugkerende thema’s, met als doel psychologische vaardigheden te
versterken, waarbij de invloed van Freuds basisconcepten nog steeds merkbaar is.
Behaviorisme en sociale leer therorie
In 1913 introduceerde John B. Watson behaviorisme in de VS, waarbij hij benadrukte dat
gedrag vooral door leerervaringen en omgeving wordt gevormd, niet door interne conflicten
zoals bij Freud. Hij baseerde zich op klassieke conditionering (Pavlov) en experimentele
methoden. E. L. Thorndike’s Wet van Gevolg (law of effect) en B. F. Skinners onderzoek naar
operant leren breidden dit uit. Behaviorisme bloeide in de vroege 20e eeuw en beïnvloedde
geleidelijk de aanpak van gedragsstoornissen. Albert Bandura voegde sociaal leren toe, waarbij
observatie en cognitie belangrijk zijn. Toepassing van leerprincipes op gedragsproblemen leidt
tot gedragstherapie en cognitief-gedragsmatige benaderingen, effectief bij emotionele,
cognitieve en sociale stoornissen bij jongeren.
Mentale hygiëne en kinderbegeleiding bewegingen
In de 20e eeuw ontstond de geestelijke hygiënebeweging, gericht op begrip, behandeling en
preventie van psychische problemen. Clifford Beers’ verslag over slechte psychiatrische zorg
leidde tot hervormingen en de oprichting van het Nationaal Comité voor Mentale Hygiëne.
Kinderen kwamen centraal te staan in de kinderbegeleidingsbeweging. Lightner Witmer richtte
in 1896 de eerste kinderpsychologiekliniek in de VS op, verbonden aan onderwijs en andere
disciplines. William Healy en Grace Fernald startten in 1909 het Juvenile Psychopathic Institute
voor delinquenten, later gevolgd door andere klinieken zoals het Judge Baker Guidance Center.
Deze klinieken combineerden Freudiaanse, educatieve, medische en religieuze benaderingen
en behandelden persoonlijkheids- en emotionele problemen. De beweging werd in 1924 formeel
vertegenwoordigd via de American Orthopsychiatric Association.
Wetenschappelijk onderzoek naar jongeren
Begin 20e eeuw nam de systematische studie van jongeren sterk toe. G. Stanley Hall
onderzocht jeugdproblemen en trainde toekomstige leiders, en hielp bij de oprichting van de
American Psychological Association. In Europa ontwikkelden Binet en Simon in 1905 een test
voor speciaal onderwijs, wat de basis werd voor intelligentietests. Arnold Gesell documenteerde
fysiek, motorisch en sociaal gedrag van kinderen en stelde ontwikkelingsnormen op. Rond 1920
ontstonden diverse longitudinale onderzoeksprojecten en instituten in de VS, waardoor kennis
over normale ontwikkeling groeide en toegepast kon worden op stoornissen bij kinderen en
adolescenten.
Huidige studie en praktijk
Interdisciplinaire inspanningen
Bij de klinische zorg voor jongeren zijn vaak meerdere professionals betrokken: psychologen,
psychiaters, maatschappelijk werkers en leraren speciaal onderwijs. Psychologen
Het definiëren en identificeren van abnormaliteit
Er zijn complexe kwesties bij het definiëren en onderscheiden van psychopathologie. De criteria
voor afwijkingen zijn voornamelijk gebaseerd op hoe een persoon zich gedraagt of wat een
persoon zegt en omvatten zelden een specifieke bekende marker voor een stoornis.
Atypisch en schadelijk gedrag
Psychologische problemen worden vaak gezien als atypisch, vreemd of abnormaal. Echter,
atypisch zijn op zich definieert nauwelijks psychopathologie. Mensen met hoge intelligentie zijn
ook atypisch, maar hier wordt juist op een positieve manier tegenop gekeken. Abnormaliteit of
psychopathologie wordt gezien als een belemmering voor de aanpassing, dat wil zeggen, voor
individuen die zich aanpassen aan de omstandigheden van hun leven. Psychopathologie
hindert of voorkomt dat de jonge persoon de ontwikkelingsopgaven succesvol kan ontwikkelen.
Ontwikkeling standaarden
Ontwikkelingsniveau is altijd van belang op het moment dat je gedrag wilt beoordelen, maar
vooral als het aankomt op het beoordelen van kinderen en adolescenten. De beoordeling van
gedrag hangt af van ontwikkelingsnormen; die de typische groeisnelheden, sequenties van
groei en vormen van fysieke vaardigheden, taal, cognitie, emotie en sociaal gedrag beschrijven.
Ze geven het standaard waardoor het mogelijk is om te identificeren of er iets mis is.
Cultuur en ras/etniciteit
Cultuur; omvat het idee dat groepen mensen op specifieke manieren georganiseerd zijn, in
specifieke milieu niches leven en specifieke houdingen, overtuigingen, waarden, praktijken en
gedragsnormen delen. Culturele analyses beschrijven de vele manieren waarop kinderen
normale en abnormale ontwikkeling vormgeven en ook psychopathologie conceptueel
begrijpen, uitleggen en behandelen. Cultuur normen; hebben een brede invloed op
verwachtingen, oordelen en overtuigingen over het gedrag van jongeren. De invloed van cultuur
is niet alleen zichtbaar in termen van verwachtingen, maar ook in termen van ouderlijke
houdingen en gedragingen. Er is bijvoorbeeld een onderzoek gedaan waar ze het niveau van
uitdagend ouderschap gedrag (CPB) in 2 landen hebben vergeleken. Hier is gevonden dat
hogere levels van CPB is geassocieerd met een verminderd risico voor angstproblemen bij
kinderen. Discussies over culturele kwesties met betrekking tot abnormaliteit worden vaak kader
gezet in termen van etniciteit en ras. Etniciteit; gemeenschappelijke gebruiken, waarden, taal of
kenmerken die geassocieerd worden met nationale oorsprong of geografische locatie. Ras;
gebaseerd op fysieke kenmerken, kan ook geassocieerd worden met gedeelde gebruiken,
waarden en dergelijke.
Andere standaarden: gender en situaties
Gendernormen beïnvloeden de ontwikkeling aanzienlijk; ze beïnvloeden emoties, gedragingen,
mogelijkheden en keuzes. De gender stereotypen spelen een rol in oordelen over normaliteit.
We zouden waarschijnlijk minder geneigd zijn om ons zorgen te maken over het
hypersensitieve, verlegen meisje en de overmatig dominante jongen dan over hun tegenhanger
van het andere geslacht. Situationele normen; wat verwacht wordt in specifieke settings of
,sociale situaties beïnvloedt ook het oordeel. Energiek rennen kan op een speelplaats heel
acceptabel zijn, maar niet toegestaan in een bibliotheek. Individuen in alle culturen worden
geacht te leren wat acceptabel is, gegeven bepaalde situaties, hun leeftijd en geslacht.
Wanneer ze dat niet doen, kan hun competentie of sociale aanpassing in twijfel worden
getrokken.
De rol van andere
Jonge kinderen hebben nog niet de mogelijkheid om zichzelf aan te geven voor klinische
controle, dit wordt verwacht van de ouders als die een probleem constateren of de docent. En
hierbij moet ook rekening gehouden worden dat iedereen abnormaliteit anders kan zien.
Veranderde kijk op abnormaliteit
Daarnaast is de kijk op abnormaliteit niet iets wat continu hetzelfde blijft. Bijvoorbeeld,
masturbatie werd beschouwd als een teken van verstoring of een gedrag dat krankzinnig kon
maken. Psychopathologie kan niet simpelweg worden gedefinieerd als een entiteit die binnen
een persoon wordt mee gedragen. Het is het meest geschikt om het te zien als een oordeel dat
het gedrag, de emoties of dingen van een persoon atypisch, disfunctioneel en op een bepaalde
manier schadelijk zijn. Een oordeel dat kennis vereist over ontwikkeling, culturele en etnische
invloeden, sociale normen en de mensen die het oordeel vellen.
Hoe gebruikelijk zijn psychologische problemen
De prevalentie van gedrags- of psychische stoornissen geeft aan in hoeverre preventie,
behandeling en onderzoek nodig zijn. De frequentie hangt af van verschillende factoren (hoe de
stoornis wordt gedefinieerd, verschillende meetmethoden en de bron van informatie). Jongeren
hebben grote psychische behoeften, maar problemen worden vaak niet herkend en
behandelingen blijven uit of zijn onvoldoende. Hoewel er effectieve interventies bestaan, is de
implementatie en toegankelijkheid beperkt, vooral in achtergestelde gemeenschappen. Vroege
stoornissen verstoren ontwikkeling, vergroten latere problemen en veroorzaken hoge
maatschappelijke en economische kosten. Veel ernstige psychische aandoeningen bij
volwassenen beginnen al in de jeugd.
Hoe zijn ontwikkeling levels en stoornissen gerelateerd
Psychologische problemen hangen samen met ontwikkelingsniveau en leeftijd van eerste
optreden. Sommige stoornissen verschijnen voorspelbaar (bv. taalproblemen bij jonge
kinderen), andere ontwikkelen zich geleidelijk of verschillen per geslacht en context. Vroege
herkenning is belangrijk: een jong begin duidt vaak op ernstigere of genetische oorzaken, terwijl
later begin meer ontwikkelings- of omgevingsinvloeden suggereert. Kennis van typische leeftijd
van aanvang helpt bij etiologie, beoordeling van ernst en vroege signalering, wat preventie en
effectieve behandeling bevordert.
Hoe zijn gender en stoornissen gerelateerd
Jarenlang werd gender in jeugdpsychopathologie genegeerd, maar onderzoek toont duidelijke
verschillen. Jongens hebben vaker stoornissen in het algemeen, vooral vroege neurologische
ontwikkelingsstoornissen; meisjes zijn kwetsbaarder voor emotionele en eetstoornissen in de
,adolescentie. Verschillen bestaan niet alleen in frequentie, maar ook in uitingsvorm (fysieke
agressie bij jongens vs. relationele agressie bij meisjes) en in verloop van externaliserende en
internaliserende problemen. Oorzaken, ernst en gevolgen variëren per geslacht, maar er blijft
veel onbekend en methodologische aandacht is nodig.
Methodologische kwesties, echte verschillen
Gerapporteerde genderverschillen in psychopathologie kunnen deels ontstaan door
methodologische bias: vroeger lag de focus vooral op jongens, meisjes rapporteren problemen
anders en klinische steekproeven zijn vaak scheef doordat storend gedrag (vaker bij jongens)
sneller tot doorverwijzing leidt. Hierdoor worden stoornissen vaak beschreven vanuit het
jongensprofiel, waardoor meisjes minder snel worden herkend (bv. bij ADHD). Toch bestaan er
ook echte verschillen, veroorzaakt door biologische factoren (chromosomen, hormonen,
hersenontwikkeling, stressreacties) en psychosociale invloeden (risico’s zoals hersenletsel,
pesten of seksueel misbruik, sekserollen, verwachtingen en sociale ervaringen). Deze
gecombineerde factoren verklaren waarom genderspecifieke kwetsbaarheden en
beschermende factoren leiden tot verschillen in psychopathologie.
Historische invloeden
Aanvankelijk richtte de aandacht voor gedragsstoornissen zich vooral op volwassenen, deels
omdat kinderen als mini-volwassenen werden gezien en hoge sterfte ouderlijke binding
verminderde. Vanaf de 17e eeuw werd kindertijd erkend als een fase met eigen behoeften. In
de 18e eeuw ontstonden uiteenlopende visies: kinderen als zondig, onschuldig of onbeschreven
lei. In de 19e eeuw werd adolescentie erkend als aparte overgangsfase. Deze uiteenlopende,
soms tegenstrijdige ideeën over kindertijd en adolescentie beïnvloeden nog steeds hoe
probleemgedrag wordt gezien en behandeld.
Processen in de 19e eeuw
In de 19e eeuw ontstonden pogingen om jeugdige groei, vaardigheden en gedragsproblemen
systematisch te bestuderen. Twee vroege verklaringen voor psychische stoornissen waren
demonologie (bezetenheid door geesten) en somatogenese (lichamelijke oorzaken). Tegen het
einde van de eeuw werd erfelijke degeneratie gezien als oorzaak van onomkeerbare ziekten.
Emil Kraepelin ontwikkelde een classificatiesysteem voor psychische stoornissen, gebaseerd op
syndromen en biologische oorzaken, dat de basis werd voor moderne systemen. Hoewel
onderzoek bij kinderen achterbleef, waren er al classificaties en oorzaken voor
kinderstoornissen zoals agressie, psychoses en mentale retardatie. Begin 20e eeuw
veranderden professionele en wetenschappelijke ontwikkelingen samen met progressieve
sociale bewegingen fundamenteel de kijk op kinder- en adolescentontwikkeling en behandeling
van problemen.
Sigmund Freud en psychoanalitische therorie
De psychoanalytische theorie van Freud introduceerde psychogenese: psychische problemen
ontstaan door psychologische conflicten, vaak uit de kindertijd. Freud verdeelde de geest in id,
ego en superego en beschreef afweermechanismen als beschermingsstrategie. Zijn
psychoseksuele fasen (oraal, anaal, fallisch, latentie, genitaal) bepalen volgens hem de
, persoonlijkheidsontwikkeling; onverwerkte crises in vroege fasen leiden tot problemen later.
Ondanks kritiek op casestudy-gebaseerd bewijs, beïnvloedde Freud de psychiatrie sterk. Latere
onderzoekers, zoals Erikson en Anna Freud, pasten de theorie aan met nadruk op sociale
invloeden en kindontwikkeling. Moderne psychoanalytische therapie richt zich op affect, relaties,
vroegere ervaringen en terugkerende thema’s, met als doel psychologische vaardigheden te
versterken, waarbij de invloed van Freuds basisconcepten nog steeds merkbaar is.
Behaviorisme en sociale leer therorie
In 1913 introduceerde John B. Watson behaviorisme in de VS, waarbij hij benadrukte dat
gedrag vooral door leerervaringen en omgeving wordt gevormd, niet door interne conflicten
zoals bij Freud. Hij baseerde zich op klassieke conditionering (Pavlov) en experimentele
methoden. E. L. Thorndike’s Wet van Gevolg (law of effect) en B. F. Skinners onderzoek naar
operant leren breidden dit uit. Behaviorisme bloeide in de vroege 20e eeuw en beïnvloedde
geleidelijk de aanpak van gedragsstoornissen. Albert Bandura voegde sociaal leren toe, waarbij
observatie en cognitie belangrijk zijn. Toepassing van leerprincipes op gedragsproblemen leidt
tot gedragstherapie en cognitief-gedragsmatige benaderingen, effectief bij emotionele,
cognitieve en sociale stoornissen bij jongeren.
Mentale hygiëne en kinderbegeleiding bewegingen
In de 20e eeuw ontstond de geestelijke hygiënebeweging, gericht op begrip, behandeling en
preventie van psychische problemen. Clifford Beers’ verslag over slechte psychiatrische zorg
leidde tot hervormingen en de oprichting van het Nationaal Comité voor Mentale Hygiëne.
Kinderen kwamen centraal te staan in de kinderbegeleidingsbeweging. Lightner Witmer richtte
in 1896 de eerste kinderpsychologiekliniek in de VS op, verbonden aan onderwijs en andere
disciplines. William Healy en Grace Fernald startten in 1909 het Juvenile Psychopathic Institute
voor delinquenten, later gevolgd door andere klinieken zoals het Judge Baker Guidance Center.
Deze klinieken combineerden Freudiaanse, educatieve, medische en religieuze benaderingen
en behandelden persoonlijkheids- en emotionele problemen. De beweging werd in 1924 formeel
vertegenwoordigd via de American Orthopsychiatric Association.
Wetenschappelijk onderzoek naar jongeren
Begin 20e eeuw nam de systematische studie van jongeren sterk toe. G. Stanley Hall
onderzocht jeugdproblemen en trainde toekomstige leiders, en hielp bij de oprichting van de
American Psychological Association. In Europa ontwikkelden Binet en Simon in 1905 een test
voor speciaal onderwijs, wat de basis werd voor intelligentietests. Arnold Gesell documenteerde
fysiek, motorisch en sociaal gedrag van kinderen en stelde ontwikkelingsnormen op. Rond 1920
ontstonden diverse longitudinale onderzoeksprojecten en instituten in de VS, waardoor kennis
over normale ontwikkeling groeide en toegepast kon worden op stoornissen bij kinderen en
adolescenten.
Huidige studie en praktijk
Interdisciplinaire inspanningen
Bij de klinische zorg voor jongeren zijn vaak meerdere professionals betrokken: psychologen,
psychiaters, maatschappelijk werkers en leraren speciaal onderwijs. Psychologen