Algemene rechtsleer (RGBUSBR006)
,Inhoudsopgave
Inhoudsopgave....................................................................................................................... 2
............................................................................................................................................... 3
(40%) WEEK 1 - Juridische ethiek..........................................................................................4
1. Juridisch onderzoek: typen van vragen..........................................................................4
2. Wat is rechtvaardigheid? Drie theorieën (plus existentiefilosofie)..................................4
a. Consequentialisme / Utilitarisme (Bentham, Mill).......................................................4
b. Deontologie (Kant)....................................................................................................5
c. Deugdethiek (Aristoteles)..........................................................................................5
Existentiefilosofie (Kierkegaard)................................................................................5
3 - Markt en moraal............................................................................................................6
a. Hart: scheiding van recht en ethiek (rechtspositivisme).............................................6
b. Devlin: recht als gestolde moraal...............................................................................6
c. Dworkin: Verstrengeling van recht en ethiek..............................................................6
4 - De eerlijke (rechtvaardige) prijs....................................................................................7
(40%) WEEK 2 - Utilisme.......................................................................................................9
1 - Klassiek utilitarisme: Bentham en Mill...........................................................................9
a - Bentham: Daadutilist & Kwantitatieve hedonist........................................................9
b - Mill: Regelutilist & Kwalitatieve hedonist.................................................................10
2. Modern utilitarisme.......................................................................................................11
a - Posner: welvaartsmaximalisatie.............................................................................12
b - Singer: Dierenwelzijn binnen Utilitarisme...............................................................12
(30%) WEEK 3 - Deontologie (i): Klassieke contractsfilosofie & Plichtethiek........................14
1. Van utilisme naar sociaal contract: de legitimatie van staatsmacht..............................15
2. De klassieke contractfilosofie.......................................................................................15
a. Thomas Hobbes: Orde door soeverein gezag.........................................................15
b. John Locke: Beperkte overheid en bescherming van natuurlijke rechten................17
c. Jean-Jacques Rousseau: Vrijheid en gelijkheid door de algemene wil....................19
3. Kant: Morele grondslag en grens van recht en rechtvaardigheid.................................20
(30%) WEEK 4 - Deontologie (II): Moderne contractsfilosofie..............................................23
1 - Rawls: Contractsfilosofie 2.0.......................................................................................23
2 - Sandel: Neutraliteit is niet neutraal.............................................................................26
(20%) WEEK 5 - Deugdethiek..............................................................................................28
1. Inleiding en overzicht...................................................................................................28
2. Aristoteles: Wetgeving als opvoeder (Deugdethiek & Paternalisme)............................29
3. Mill: Schade als begrenzing van overheidspaternalisme (Liberalisme & Utilisme).......30
4. Devlin & Hart: Recht en moraal bij zedenwetgeving.....................................................31
a. Devlin: Publieke moraal & Desintegratie (Communitarisme & Paternalisme)..........31
b. Hart: Pluralisme & Terughoudendheid (Liberalisme & Positivisme).........................32
(20%) WEEK 6 - Filosofie van het strafrecht.........................................................................33
1. Inleiding: Juridische ethiek en sociaalcontracttheorie...................................................34
2. Straftheorieën: waarom, wie en hoe zwaar..................................................................34
a. Beccaria: Preventieleer...........................................................................................35
Bentham: Utilitarisme..............................................................................................36
Foucault: Panoptisme.............................................................................................37
, b. Kant: Vergeldingsleer..............................................................................................37
c. Hart & Rawls: Gemengde leer.................................................................................38
Hart......................................................................................................................... 39
Rawls...................................................................................................................... 39
(30%) WEEK 7 - Rechtssociologie: de sociale werking van het recht...................................41
1. Inleiding en overzicht...................................................................................................41
2. Rob Schwitters: De sociale werking van het recht........................................................42
3. Sally Falk Moore: The Semi-Autonomous Social Field.................................................45
4. Marc Hertogh: Wat weten en vinden burgers van het recht?........................................47
, (40%) WEEK 1 - Juridische ethiek
Leerdoelen:
● Basiskennis en -inzicht in het utilisme, de deontologie en de deugdethiek als
belangrijke ethische theorieën
● Begrip van verschillende perspectieven op wet en wetgeving (Wat is een goede
wet? Sommigen zien wet als beleidsinstrument. Anderen zien in wet beperking van
overheidsmacht. En anderen zien wet als neerslag van gedeelde morele waarden)
● Begrip van de vier typen vragen van het ‘landkaartje van de methoden’
1. Juridisch onderzoek: typen van vragen
Rechtsvragen vs. vragen over recht:
1. Descriptief= hoe zit iets feitelijk in elkaar (neutraal > rechtsvraag)
2. Normatief= hoe zou iets moeten zijn (waardeoordeel > vraag over het recht)
Typen vragen (meest descriptief > meest normatief):
1. Empirisch= hoe ziet feitelijk gezien de werkelijkheid eruit?
a. Voorbeeld: Wat zijn de effecten van positief recht op de maatschappij?
2. Conceptueel (tussenvariant)= Nadere definities maken van een begrip
a. Voorbeeld: Wat is het concept van de rechtsstaat?
3. Interpretatief (tussenvariant)= interpretatie in context.
a. Voorbeeld: In welke gevallen is het taakstrafverbod precies toepasselijk?
4. Normatief = Waardeoordeel geven over positief recht.
a. Voorbeeld: In hoeverre is een taakstrafverbod wenselijk?
Onderscheid Empirie en Normativiteit:
1. Recht en empirie: gedrags- en maatschappijwetenschappen
2. Recht en normativiteit: theorieën over rechtvaardigheid (“Het recht is nooit louter
Sein, maar altijd ook Sollen.”)
2. Wat is rechtvaardigheid? Drie theorieën (plus
existentiefilosofie)
a. Consequentialisme / Utilitarisme (Bentham, Mill)
1. Kern: handeling is juist als zij bijdraagt aan grootste geluk voor het grootste aantal.
a. Denk in termen van belangen die mensen hebben, zoals welzijn en
algemeen nut
b. Focus op gevolgen van handelingen voor deze maatschappelijke belangen
c. Voorbeeld: ‘nieuwe wet levert minder misdaden op’
2. Principe: nutsmaximalisatie; kosten-batenbenadering.
a. Doel: Optelsom van belangen maximaliseren = Utilitarisme (zie week 2)
b. Nutsmaximalisatie= Maximizing benefit for the greatest number of people
3. Gelijkheidsprincipe: ieder individu telt gelijkwaardig mee.